Create Account - Sign In
Browse - New Book - My Books - Sell - Groups - $19 ISBNs - Upload / Convert - Help - follow us!   


(Click to go back to cover.)
2 3 Inhoud


Waarom dit boek? 6


Woord vooraf. Laat de feiten voor zich spreken 7 Salomon Kroonenberg


HOOFDSTUK 1. Is de wetenschap er nu echt uit? 9


Consensus 16 -- Kyoto -- Climategate - De nasleep van Climategate - De staat


van het klimaat -- Het IPCC -- Wie maakt de IPCC-rapporten? -- Foutje... -


Nederlandse reactie


HOOFDSTUK 2. De aarde warmt op, maar hoeveel? 21


Mauna Loa -- Maar dan de temperatuur... -- Therapie -- Relletje in meteoland --


Daken en landingsbanen -- Warme jaren dertig -- Kiwi Climategate -- Waar zijn


alle weerstations gebleven? -- Satellieten -- Emmertje water halen


-- Accountants -- Meten we klimaat of de groei van steden?


-- Verwaarloosbaar -- Een heuse rel -- Wind -- Peterson -- Bloeiende economie


geeft opwarming -- Bagger -- Is de opwarming van de aarde gestopt?


HOOFDSTUK 3. Is de huidige opwarming uniek? 45


Weg met die warme middeleeuwen! -- De geboorte van de hockeystick -- 'David'


McIntyre -- Napluizen -- Stekeldennen -- Natuurwetenschap & Techniek -- De politiek


reageert -- Een nieuwe oorlog -- Climategate en de hockeystick -- Andere reconstructies:


zuivere koffie? -- Yamal -- Kersentaart maken


-- Nog een probleem... -- Hide the decline -- Geloofwaardigheid


IPCC --IPCC-logica HOOFDST UK 4. Komt de recente opwarming doo r CO 2 ? 61 Keihard -- Water


en wolken Eén graad Celsius -- Versterking of verzwakking? -- Bewijzen --


Cirkelredenering -- De afkoeling na 1940 -- Eensgezind? -- Hot spot


-- De oceanen warmen niet op -- Kinninmonth -- Waar staan we nu?


HOOFDST UK 5. Kan de opwarming veroor zaakt zijn d oor ie ts anders da n CO2? 78


Wolken en de iris-hypothese -- Kip en ei -- De illusie van een gevoelig klimaat --


4 Natuurlijke patronen -- Global dimming -- De zon -- Kleine ijstijd -- Keerpunt -- Ver-


sterkingsmechanisme -- Naar een nieuw minimum? -- Wel menselijk, maar niet alleen


CO 2 -- Luchtvervuiling -- Het klimaat voorspellen -- KNMI -- Wat dan wel?


HOOFDSTUK 6. Is die opwarming echt zo desastreus? 100


De Himalaya gesmolten in 2035 -- Het IPCC erkent een fout


-- Amazon-gate -- Schade door rampen Mi -- Planbureau


-- De zeespiegel stijgt! -- Versnelt de zeespiegelstijging? - De gletsjers verdwijnen! --


Smelten gletsjers sneller dan ooit?


-- Malaria keert terug! -- Malaria in Europa - Neemt het aantal malariadoden toe


door global warming? - De biodiversiteit verdwijnt! -- Sterven in Nederland soorten uit


door opwarming? - De aarde verdort! -- Of wordt de aarde juist groener?


-- Hongersnood! - Profiteren gewassen ook van CO 2 ? - De oceanen verzuren! --


Bedreigt oceaanverzuring koraalriffen?


HOOFDSTUK 7. Is het IPCC nog te vertrouwen? 131


Honderd deskundigen -- De hoofdconclusie -- Platte aarde


- Interviews met de klimaatgemeenschap -- Zeer waarschijnlijk -- De staat van het


IPCC -- Waardeloos? -- Selectie van auteurs -- Niet politiek, maar egoïstisch --


Rigoureuze peer review -- Schijnvertoning -- Is het IPCC nog te redden?


HOOFDSTUK 8. Is het klimaatprobleem op te lossen? 148 Levensfilosofie -- Klimaat is


een kerstboom -- Kopenhagen -- Terug naar Kyoto -- Emissiehandel -- Adaptatie


-- Klimaatprobleem is geen milieuprobleem -- Simplificatie -- Verharding -- Energie --


Misverstanden over technologie


Dankwoord 163 Noten 164 Verklarende woordenlijst 183 Afkortingen 188




5 Waarom dit boek? De kiem voor dit boek werd gelegd in het najaar van 2004. Ik werkte als redacteur bij het populairwetenschappelijke maandblad Natuurwetenschap & Techniek. Voor NWT schreef ik een omslagartikel over de inmiddels beruchte hockeystick-grafiek, een grafiek die laat zien dat het nu warmer is dan 'ooit' in de afgelopen duizend jaar. Twee Canadese buitenstaanders, Mdntyre en McKitrick, ontmantelden deze grafiek en in NVVT hadden we de 'primeur' van hun artikel. Dit leverde mij als journalist erkenning op (zo won ik de Glazen Griffioen, een aanmoedigingsprijs voor jonge wetenschapsjournalisten) maar ook kritiek. Het verhaal zou te eenzijdig geweest zijn. Hoe dan ook, het onderwerp klimaat begon mij zeer te intrigeren. In 2008 besloot ik om fulltime aan een boek over het klimaatdebat te gaan werken. Het prijzengeld van de Glazen Griffioen en een bijdrage van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten waren daarbij belangrijke financiële impulsen. Ik las honderden wetenschappelijke artikelen, delen van het IPCCrapport, duizenden blogberichten en ik interviewde wetenschappers aan beide kanten van het spectrum. Net toen de researchfase voor mijn boek erop zat, brak in november 2009 Climategate uit; de commotie die ontstond vanwege het lekken of hacken van duizenden e-mails van vooraanstaande Britse en Amerikaanse klimaatwetenschappers. Vlak daarna werden er fouten ontdekt in het laatste IPCC-rapport en kwamen ook het IPCC en de klimaatwetenschap als geheel onder vuur te liggen. Mijn inschatting was, en is, dat Climategate een keerpunt in het klimaatdebat zal blijken te zijn. Ik wilde deze periode daarom op de voet volgen, legde het boekproject tijdelijk stil en begon over Climategate te bloggen op climategate.nl samen met collega's Hajo Smit en Rypke Zeilmaker. Hajo Smit zorgde later dat onze blog climategate.n1 bleef draaien terwijl Rypke Zeilmaker en ik aan het boek werkten. Rypke nam een groot deel van hoofdstuk 6 voor zijn rekening, dat gaat over de mogelijke gevolgen van de opwarming van de aarde. Het klimaatdebat is een wetenschappelijk én een maatschappelijk debat. Mijn interesse ligt primair bij het wetenschappelijke debat. In hoeverre is de wetenschappelijke puzzel opgelost? Voornamelijk daarover gaat dit boek. Helaas zijn politiek en wetenschap in het klimaatdebat onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt. Die politisering van de wetenschap en de rol die het klimaatpanel van de Verenigde Naties, het IPCC, daarbij gespeeld heeft, komt in het boek uitgebreid aan de orde. Als je wetenschap en politiek gescheiden zou houden, dan kun je kritisch zijn op de klimaatconsensus zonder dat je met een 'na-mijde-zondvloed-houding' in het leven staat. Qua politiek profiel pas ik misschien wel het beste bij GroenLinks. Ik woon in Amsterdam, doe binnen de stad alles met de fiets, reis daarbuiten voornamelijk met het openbaar vervoer, heb dus geen eigen auto, eet weinig vlees en als ik het eet, bij voorkeur van een biologische slager. Ik ben tegen ongebreidelde consumptie. Maar die levenshouding betekent niet automatisch dat ik ervan overtuigd ben dat er een groot klimaatprobleem is. Ik vind dat je met een 'koele blik' naar de wetenschap moet blijven kijken en een rationele afweging moet maken of er een klimaatprobleem is, en zo ja, hoe groot het is. Dat heb ik in dit boek proberen te doen.


Marcel Crok Oktober 2010


6 WOORD VOORAF


Laat de feiten voor zich spreken Het is september 2006. Ik loop door de naargeestige gangen van de Vrije Universiteit en volg de pijlen 'Lezing McIntyre'. De zaal is al behoorlijk vol als ik binnenkom, maar ik vind nog een plaatsje achterin. Ik ben speciaal voor deze lezing naar Amsterdam gekomen. Stephen Mclntyre is immers de man die de zogenoemde hockeystick-curve als onjuist heeft ontmaskerd. Volgens die curve zou ons klimaat de laatste duizend jaar vrijwel constant zijn gebleven en pas rond 1850 pijlsnel zijn gaan opwarmen. Die curve was in 2001 het icoon van het derde rapport van het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, als hét bewijs dat de mens schuldig is aan de opwarming van het klimaat. Onze politici gebruiken die curve nog steeds als rechtvaardiging voor het verminderen van de uitstoot van CO2. Maar Stephen McIntyre, een Canadese wiskundige, toonde als eerste aan dat die curve fout was, het wanproduct van onjuiste statistische manipulaties. McIntyre komt binnen, een wat oudere man met een grijzend baardje, hij maakt een verlegen indruk. Hij wordt ingeleid door een spijkervormige jongeman die ik niet eerder heb gezien. 'Wie is dat?' vraag ik fluisterend aan mijn buurman. 'Dat is Marcel Crok,' zegt hij. Ik ga rechtop zitten en bekijk hem met hernieuwde aandacht, de gebruikelijke reflex als je bekende mensen onder ogen krijgt. Marcel Crok! De wetenschapsjournalist die een Glazen Griffioen kreeg voor zijn kritische artikel over de hockeystick in Natuurwetenschap & Techniek (NWT). Het is een zeldzaam eervolle prijs, die zelfs Al Gore nooit zal kunnen winnen. McIntyre vertelt zijn verhaal met de nodige zelfspot, doet voorkomen of hij niet gewend is lezingen te houden, maar hij heeft de zaal in zijn zak. 'Die curve is gebaseerd op boomringen en dan op koralen, en op boomringen en stuifmeelkorrels, en boomringen,' zegt hij. Hij concludeert dat het helemaal niet gaat om man made global warming, maar om Mann made global warming; Michael Mann was degene die de hockeystick publiceerde in 1998. Mcintyre bedankt Marcel aan het einde van zijn lezing, want die heeft hem uitgenodigd om zijn verhaal hier te vertellen. We zijn nu vier jaar verder. Dankzij het speurwerk van Stephen McIntyre op zijn weblog climateaudit.org en van anderen, en ook dankzij het openbaar maken van de Climategate-e-mails weten we dat Michael Mann en zijn coauteurs, en achter hen aan de hele IPCCmachine, doelbewust het foute beeld van de hockeystick zó hebben gepropageerd dat de hele wereld gealarmeerd is geraakt door de opwarming van het klimaat. Zoals Stephen McIntyre zich heeft vastgebeten in het uitbenen van het karkas van de hockeystick-curve, zo heeft Marcel Crok zich vastgebeten in het vertellen van het verhaal hoe het in hemelsnaam mogelijk was dat de wereld zich zó heeft laten beetnemen. Hij heeft zijn veilige baan als redacteur bij NWT opgegeven om dit boek te schrijven, heeft de wereld rondgereisd om de hoofdrolspelers te spreken, werd zelfs geweigerd bij de bijeenkomsten van de hoofdauteurs van het laatste IPCC-rapport. In naam is het IPCC open, maar in de praktijk besloten, vertelt hij in dit boek. Zelfs al in de tijd dat Marcel Crok met zijn NWT-artikel bezig was, ontving zijn hoofdredacteur een dreigende vraag van Michael Mann: 'Weet u wel waar uw redacteur mee bezig is?!' Terwijl hij dit boek aan het schrijven was, kwam de vloedgolf Climategate-e-mails naar buiten, kwamen de fouten in het IPCC-rapport naar buiten, waardoor wereldwijd twijfel rees aan de juistheid van de conclusies van het IPCC. Zoveel twijfel, dat zelfs een van de meest gerespecteerde wetenschappelijke instellingen ter wereld, de InterAcademy Council (IAC), een


7 onderzoek moest instellen naar de vraag of het IPCC zijn werk wel goed had gedaan. Maar onder de honderden wetenschappers die geraadpleegd werden, was niet Stephen McIntyre. Pas toen Marcel Crok er bij het IAC op aan had gedrongen McIntyre ook te horen, kreeg die de dag daarop een standaardformulier toegestuurd waar hij zijn kritiek op kwijt kon. Gehóórd werd hij niet. Marcel had zelf ook ongevraagd een formulier opgestuurd. De kritiekpunten op het IPCC had hij daarin zo helder geformuleerd dat de bekende Amerikaanse meteoroloog Roger Pielke sr. ze in zijn weblog publiceerde: insightful comments, noemde hij ze. Op de weblog climategate.n1 die Marcel met Hajo Smit en Rypke Zeilmaker heeft opgericht, kunt u de Nederlandse rol in het klimaatdebat volgen. Zodoende is Marcel ongetwijfeld de meest invloedrijke wetenschapsjournalist op klimaatgebied van Nederland. En nu ligt zijn boek hier. Verwacht geen vlammende beschuldigingen aan personen of instellingen, verwacht geen complottheorieën of psychologische ontboezemingen over persoonlijke drijfveren van de hoofdrolspelers. Laten de feiten voor zich spreken, is zijn credo: hij zet de wetenschappelijke feiten, maar ook de gerezen twijfels, de kritiek- punten en de cirkelredeneringen helder op een rijtje, en moet elke keer met verbazing constateren hoe weinig het IPCC zich van die kritiek- punten heeft aangetrokken. 'Meer dan klimaat zelf, kon de grootste bedreiging voor biodiversiteit dus wel eens de aandacht voor klimaat zijn [mijn cursief, SK]. Die leidt politieke aandacht en geld af van de aanhoudende destructie van leefgebied: dé grootste bedreiging voor de diversiteit van leven op aarde,' stelt het boek. Dat geldt mijns inziens niet alleen voor de biodiversiteit, maar ook voor andere zaken die in het boek behandeld worden: van malaria tot zeespiegelstijging leidt de klimaatdiscussie de aandacht af van de noodzaak om directe maatregelen te nemen. Het is een grote prestatie om van een zo onderkoeld boek een page turner te maken, die je onthutst achterlaat. Ik hoop van ganser harte dat dit boek niet alleen gelezen wordt door degenen die toch al twijfels hadden over de menselijke invloed op het klimaat, maar vooral ook door degenen die daar wél rotsvast van overtuigd zijn. Door degenen die de Climategate-e-mails niet hebben durven lezen uit angst voor feiten die hun overtuiging aan het wankelen zouden kunnen brengen. Door degenen die menen dat zij met het ondergronds opslaan van CO2 een grotere bijdrage leveren aan de leefbaarheid van de aarde dan door dijken te bouwen in Pakistan of Bangladesh. Door degenen die denken dat zij hun gelijk alleen nog maar kunnen halen door op de man te spelen in plaats van op de bal, en dat zijn er heel veel. En in het algemeen door iedereen die niet houdt van kiezen uit één; die liever een waaier van feiten en meningen tot zich neemt alvorens een eigen standpunt in te nemen.


Salomon Kroonenberg Emeritus hoogleraar toegepaste geologie aan de TU Delft Auteur van De menselijke maat: de aarde over tienduizend jaar




8 HOOFDSTUK 1


Is de wetenschap er nu echt uit? In de nasleep van Climategate is er ook in Nederland een negatieve stemming ontstaan rond het IPCC en het klimaatonderzoek. In februari 2010 publiceerden 55 Nederlandse hoogleraren een open brief waarin ze ageerden tegen de negatieve beeldvorming en het IPCC verdedigden. Die reactie was voorbarig, Het was niet mis wat er in de periode daarvoor gebeurd was. Eerst Climategate, waarin onethisch gedrag te zien was van invloedrijke hoofdauteurs van het IPCC. Daarna fouten in het IPCC-rapport. De groep hoogleraren leek vooral te zeggen: 'Beste burger, beste politici, vertrouw ons, wij zijn de wetenschappers, er is hier niets aan de hand.' Het is de vraag of deze wat paternalistische houding de juiste respons was na alle commotie en of wat meer zelfreflectie niet gepaster was geweest. Of er inderdaad 'niks aan de hand is', zal verderop in dit boek blijken.


De aarde warmt op en het komt door de mens. Dat was in 2007 de belangrijkste conclusie die werd getrokken na de publicatie van het vierde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), het klimaatpanel van de Verenigde Naties. Dit rapport wordt alom gezien als de 'Bijbel' voor internationaal klimaatbeleid. Een jaar eerder was in de Verenigde Staten de film An Inconvenient Truth van Al Gore in première gegaan. Deze documentaire is gebaseerd op een presentatie die de voormalige vicepresident van de Verenigde Staten al jaren in binnen- en buitenland geeft. An Inconvenient Truth maakt in niet mis te verstane woorden en beelden duidelijk hoe ernstig het klimaatprobleem is dat ons boven het hoofd hangt. Orkanen, hittegolven, droogte, overstromingen, smeltende ijskappen, een ijsvrije Noordpool, een stijgende zeespiegel, het zijn allemaal fenomenen die volgens Al Gore erger zullen worden als de opwarming van de aarde geen halt wordt toegeroepen. De film van Al Gore inspireerde diverse regeringsleiders, zoals de Britse leider Tony Blair en premier Jan Peter Balkenende, en zorgde voor nog meer draagvlak voor internationaal klimaatbeleid. In 2007 ontvingen Al Gore en het IPCC samen de Nobelprijs voor de Vrede. De gedachte hierachter was dat aandacht voor en beleid tegen klimaatver- andering in de toekomst zal leiden tot minder gewapende conflicten en dus tot meer vrede.


Consensus Het `momentum' dat Al Gore en het IPCC samen wisten te genereren, ging gepaard met een groeiende onderdrukking van wetenschappers die kritiek hadden op het IPCC, op de klimaatconsensus in het algemeen of op klimaatbeleid. De discussie raakte enorm gepolariseerd. Politiek correct is dat je gelooft dat de aarde opwarmt door de menselijke uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen en dat je vindt dat deze uitstoot zo snel mogelijk teruggedrongen moet worden. Politiek incorrect is het plaatsen van vraagtekens bij deze klimaatconsensus. Wie zich nog hardop durft af te vragen of de aarde wel opwarmt, en zo ja hoeveel, en in hoeverre de opwarming door de mens veroorzaakt is, wordt vrijwel onmiddellijk bestempeld als een klimaatscepticus, of erger: een denier (ontkenner). Een ontkenner is meteen ook een 'slecht mens', want hij of zij wordt geacht tegen verregaande reductie van CO2 te zijn en volgens aanhangers van de broeikastheorie zal dat verstrekkende gevolgen hebben.


9 De ontkenner wordt daarom verweten niet het beste voor te hebben met toekomstige generaties. Geen al te leuke hoek om in gedrukt te worden door de publieke opinie. Veel wetenschappers, opiniemakers en politici kijken daarom wel uit om met klimaatsceptici geassocieerd te worden.


Klimaatontkenners Volgens Wikipedia1 komt denialism neer op het ontkennen van de realiteit om een ongemakkelijke waarheid niet te hoeven accepteren. De term werd aanvankelijk voornamelijk gebruikt voor Holocaust-deniers, mensen die ontkennen dat er miljoenen Joden zijn omgebracht in concentratiekampen. Alleen al die achtergrond zou voldoende moeten zijn om de term af te wijzen in verband met het klimaatdebat. Het klimaat is ontstellend complex en daarom is er een heel scala aan meningen mogelijk. De term climate change deniers (klimaatontkenners) wordt tegenwoordig met groot gemak gebruikt door vooraanstaande spelers in het klimaatdebat. De twee prominentste wetenschappelijke tijdschriften in de wereld, Science en Nature, hebben de term climate change deniers meerdere malen in hoofdredactionele stukken laten vallen. Met 'ontkenners' worden meestal mensen bedoeld die, gefinancierd door de olie-industrie en andere conservatieve lobbygroeperingen (vooral in de VS), doelbewust de mythe in stand zouden houden dat broeikasgassen niet tot dramatische klimaatverandering zullen leiden, om daarmee klimaatbeleid te dwarsbomen. Door geen namen te noemen bij het gebruik van de term ontkenners, wekken bladen als Science en Nature echter de indruk dat wetenschappers die kritiek hebben op de klimaatconsensus, ook ontkenners zijn. Dit is verontrustend omdat het daarmee uitgesloten lijkt dat dergelijke wetenschappers een kans maken hun werk gepubliceerd te krijgen in die twee topbladen. En inderdaad verschijnen in Science en Nature zelden tot nooit sceptische artikelen over de broeikastheorie. Gebruik van de term leidt tot stigmatisering van een groep wetenschappers die het aandurft om tegen de heersende consensus in te gaan. Het signaal hiervan naar de klimaatgemeenschap is duidelijk: wie carrière wil maken in de klimaatwetenschap, doet er verstandig aan zich aan te sluiten bij de consensus. Om die reden is het vermoedelijk geen toeval dat sceptische geluiden vooral afkomstig zijn van oudere, gearriveerde wetenschappers, die minder te verliezen hebben. Van oudsher heeft de term 'scepticus' een positieve klank Elke goede wetenschapper is een scepticus, benadrukken ook aanhangers van de broeikastheorie geregeld. Maar in het klimaatdebat heeft sceptisch zijn allang geen positieve associatie meer. Dit komt vooral door de vermenging van wetenschap met politiek. Voorstanders van verregaand klimaatbeleid, zowel binnen de wetenschap als daarbuiten, menen dat klimaatsceptici door de wetenschap ter discussie te stellen twijfel zaaien en dat klimaatbeleid daardoor niet goed van de grond komt. Een wetenschappelijk standpunt (over hoe de wereld in elkaar steekt) wordt dus direct in verband gebracht met politiek (wat moeten we doen tegen klimaatverandering?). Hierdoor ontstaat ook binnen de wetenschap de neiging om andersdenkenden zo veel mogelijk tegen te werken. Dat betekent in de praktijk dat het moeilijk is om financiering te verwerven en wetenschappelijke artikelen gepubliceerd te krijgen. In het laatste deel van dit boek (hoofdstuk 8) zal ik laten zien dat de redenering van sommige voorstanders van klimaatbeleid -- dat er wetenschappelijke eensgezindheid nodig is voor beleid -- niet klopt. Wetenschappers overschatten wat dat betreft hun eigen invloed. Politici hebben noch wetenschappelijke zekerheid noch wetenschappelijke consensus nodig om tot beleid te komen. Wel is het zo dat politici graag terugvallen op de zogenoemde consensus van het IPCC, maar dat heeft eerder te maken met het afschuiven van verantwoordelijkheid. Voor een politicus is het fijn om te kunnen zeggen: 'Ik zet dit beleid in gang omdat de wetenschap dat nu eenmaal


10 voorschrijft.' Hoe dan ook, het idee dat wetenschappelijke zekerheid vereist is om tot daadkrachtig klimaatbeleid te komen, heeft het wetenschappelijke debat behoorlijk verziekt.


Kyoto Je zou verwachten dat met zoveel eensgezindheid onder wetenschappers, de milieubeweging, politici en het bedrijfsleven, het tot stand brengen van internationaal klimaatbeleid een fluitje van een cent is. Niets is minder waar. Weliswaar is er sinds 1997 het Kyoto-verdrag, maar dat wordt algemeen beschouwd als een hele kleine stap op weg naar 'serieuzer ' klimaatbeleid. Zelfs voorstanders erkennen dat het halen van de Kyoto-doelstellingen in 2012 -- ruim 5 procent reductie van CO2 ten opzichte van 1990 -- een onmeetbaar effect zal hebben op de wereldwijde temperatuur. Het Kyoto-protocol is bovendien niet geratificeerd door de VerenigdeStaten. En landen als China en India hebben geen reductiedoelstelling gekregen. Ondertussen is China de VS al wel voorbijgestreefd en de grootste uitstoter3 van CO2 geworden. Jaarlijks groeien de emissies van China meer dan de totale uitstoot van Duitsland! Per hoofd van de bevolking zit China echter nog lang niet op het niveau van Amerika. De Chinezen stellen terecht dat zij net zoveel recht hebben om welvarend te worden als Amerikanen en Europeanen en dat hun uitstoot per hoofd van de bevolking dus moet kunnen stijgen. Dat betekent op dit moment echter automatisch een forse groei van CO2-emissies. Op de klimaattop in Kopenhagen in december 2009 moesten regeringsleiders overeenstemming zien te bereiken over een opvolger van het Kyoto-protocol, dat in 2012 afloopt. Alle hoop was gericht op president Barack Obama die, in tegenstelling tot zijn voorganger George Bush, een voorstander is van daadkrachtig klimaatbeleid. Ook met Obama lukte het echter niet de verschillen tussen rijke en arme landen, tussen de VS en China, te overbruggen en de top mislukte jammerlijk. Ook in de VS zijn recentelijk pogingen om een klimaatwet aan te nemen mislukt.


Dit boek gaat niet zozeer over klimaatbeleid als wel over 'de staat van het klimaat' en de 'de staat van de klimaatwetenschap'. Toch bespreek ik in het laatste hoofdstuk waarom een effectief klimaatbeleid, of beter gezegd 'koolstofbeleid', maar niet van de grond komt. Met koolstof- beleid bedoelen we het reduceren van CO2. De 'C' in CO2 staat voor het chemische element koolstof. Klimaatbeleid is in de internationale onderhandelingen synoniem geworden aan CO2-beleid of koolstofbeleid. In de loop van dit boek zal duidelijk worden dat CO2 maar een van de vele factoren is die het klimaat kan veranderen en dat het zelfs de vraag is of het de belangrijkste factor is. Dat betekent dat je met CO2-beleid alleen het klimaat niet kunt 'bijsturen' (het is waarschijnlijk sowieso onmogelijk om een chaotisch systeem als het klimaat te 'sturen') en dat klimaatbeleid meer zal moeten inhouden dan de reductie van CO2. Het uitblijven van effectief beleid komt in ieder geval niet door twijfel zaaiende wetenschappers en lobbyisten. Het komt simpelweg doordat politici zich tot dusver te veel hebben beziggehouden met het formuleren van doelstellingen en te weinig met de vraag in hoeverre zulke doelstellingen politiek en technologisch haalbaar zijn. Overigens kun je de schuld daarvan moeilijk alleen in de schoenen van politici schuiven. Politici zijn immers onder grote druk gezet Cals we nu niets doen, is het te laat!') door vooral ngo's (niet-gouvernementele organisaties waaronder grote milieuorganisaties als Greenpeace en het Wereld Natuur Fonds) om met grote ambities te komen. Ambities die, zo zal blijken in hoofdstuk 8, op dit moment niet haalbaar zijn.



11 Climategate Het falen van de klimaattop in Kopenhagen was een grote tegenslag voor het in gang zetten van mondiaal klimaatbeleid. In dezelfde periode liep de klimaatconsensus zelf echter ook een behoorlijke deuk op. Het begon op 19 november 2009, drie weken voor de klimaattop in Kopenhagen, toen enkele duizenden e-mails van wetenschappers van de Britse Climate Research Unit (CRU) van de University of East Anglia op het web werden achtergelaten door een hacker of een klokkenluider. De e-mails, die de lange periode bestrijken van 1996 tot eind 2009, waren geschreven door internationaal bekende en aan het IPCC gelieerde Britse en Amerikaanse wetenschappers en wierpen een bedenkelijk licht op hun wetenschappelijke houding. De affaire werd binnen enkele dagen 'Climategate'4 gedoopt en die term gaf op Google binnen enkele weken tientallen miljoenen hits. Een van de bekendst geworden frases uit de e-mails is 'hide the decline' Dit verwijst naar een 'truc' die de wetenschappers gebruikten om de daling van een bepaalde temperatuurmeting uit het verleden te verdoezelen. De daling van de temperatuur (die werd afgeleid uit de dikte van boomringen) zette in na 1960, een periode waarvan we weten dat de temperatuur juist omhoog ging. In een van de e-mails5 bespreken de onderzoekers dat de daling 'de boodschap zou afzwakken' en daarom besloten ze in het derde IPCC-rapport om de grafiek na 1960 af te kappen, zonder de lezer daarvan op de hoogte te stellen. In andere e-mails6 bespreken de onderzoekers hoe ze kunnen voorkomen dat ze meetgegevens en e-mails moeten vrijgeven aan sceptici. Die aanvragen door 'sceptici' waren gedaan in het kader van de Freedom of Information Act (FOIA), de Britse variant van onze Wet Openbaarheid van Bestuur. We lezen dat de Britse onderzoekers hun collega's die erop moeten toezien dat de wet binnen CRU wordt nageleefd, aan hun kant krijgen door erop te wijzen 'waar die mensen van Climate Audit [een van de bekendste sceptische blogs, red.] op uit zijn'.7 In een andere e-mail vraagt Phil Jones, de directeur van CRU en de persoon die door Climategate het meest onder vuur kwam te liggen, een aantal collega's om e-mails die ze hadden uitgewisseld in verband met het IPCC-rapport weg te gooien. Dit mailtje van Jones volgde enkele dagen nadat de Brit David Holland de e-mailcorrespondentie van enkele CRU-onderzoekers in verband met het IPCC-rapport had opgevraagd (ook in het kader van de Freedom of Information Act). Holland had namelijk sterke aanwijzingen dat de onderzoekers buiten het officiële review-proces van het IPCC om, informatie hadden uitgewisseld. Climategate was zonder meer een 'overwinning' voor klimaatsceptici. Zij waren immers jarenlang neergezet als de 'bad guys' en nu leek het er toch verdacht veel op dat juist de `good g-uys' het gedrag vertoonden van 'bad guys'. De betrokken onderzoekers trokken echter geenszins het boetekleed aan. De truc om de temperatuurdaling (afgeleid uit boomringen) te verdoezelen, werd onmiddellijk gewoon een slimme methode genoemd om een probleem op te lossen.8 Een andere betrokken onderzoeker, Kevin Trenberth, zag de e-mails helemaal positief. Nu kan iedereen zien dat klimaatonderzoekers 'integer' zijn, vertelde hij de New York Times.9 Rajendra Pachauri, de voorzitter van het IPCC, noemde het 'stelen van de e-mails' een bewuste actie om de klimaattop in Kopenhagen te beinvloeden.10


De nasleep van Climategate Er zijn naar aanleiding van Climategate diverse onderzoeken uitgevoerd. Zo is de politie nog altijd bezig om uit te vinden wie de hacker of klokkenluider was die de e-mails op straat gooide. De betrokkenen houden het allemaal op een hacker, een persoon van buiten, die de klimaatgemeenschap een zware slag wilde toedienen.


12 Critici, onder wie de Canadese blogger Stephen McIntyre,11 weten het zo net nog niet. De e-mails waren gebundeld in een bestand dat FOIA. zip heette. De laatste e-mails in het bestand dateren van 12 november, één dag voordat een Freedom of Information Act-verzoek van McIntyre weer eens werd afgewezen. Het is volgens hem dus goed mogelijk dat CRU zelf het bestand samenstelde. Wie het vervolgens naar buiten loodste, is ook voor McIntyre nog een mysterie. De hacker (dan wel klokkenluider) liet op 17 november op de sceptische blog The Air Vent een bericht achter12 met een link naar het bestand. McIntyre, die in dit boek regelmatig voorkomt, gaat in de e-mails veelvuldig over de tong, zonder uitzondering in zeer negatieve zin. Zo noemen de Climategate-onderzoekers hem onder andere 'moron' (idioot),13 'bozo' (domkop)14 en 'Mr. Fraudit'15 (deze term verwijst naar zijn blog Climate Audit). Er zijn inmiddels diverse andere onderzoeken uitgevoerd naar aanleiding van Climategate. In het Verenigd Koninkrijk vonden er drie plaats en daarnaast deed de Amerikaanse Pen-t State University onderzoek naar het gedrag van hun wetenschapper Michael Mann, van wie ook veel e-mails afkomstig zijn. Alle onderzoeken pleitten de betrokken wetenschappers min of meer vrij, waarbij dan meestal werd aangetekend dat ze meer openheid hadden mogen betrachten bij het delen van data met de buitenwereld. Phil Jones, de directeur van CRU, moest in afwachting van deze onderzoeken tijdelijk terugtreden. Na de publicatie van het derde en belangrijkste rapport16 mocht hij bij CRU terugkeren, hoewel niet langer als directeur maar als hoofd research.17 De verschillende rapporten zijn bijna lachwekkend amateuristisch tot stand gekomen en er druipt vanaf dat de onderzoekscommissies er vooral op uit waren om het gezicht van de betrokken klimaatwetenschappers, de University of East Anglia en het klimaatonderzoek in het algemeen, te redden.18 Zo werd Stephen McIntyre, de man die het meest onder vuur ligt in de e-mails, door geen van de drie onderzoekscommissies gehoord. Men nam genoegen met de antwoorden van onderzoekers als Phil Jones, Michael Mann en Keith Briffa.19 Het gezicht van de klimaatgemeenschap redden is tot op zekere hoogte geslaagd omdat media doorgaans de hoofdconclusies van dit soort rapporten blindelings overnemen, zonder te kijken hoe geloofwaardig die conclusies zijn, laat staan om te onderzoeken hoe het rapport precies tot stand is gekomen. In het Verenigd Koninkrijk zijn er inmiddels echter genoeg journalisten wakker geschud om de rapporten niet voor zoete koek te slikken, waardoor zelfs een 'klimaatvriendelijke' krant als The Guardian kritisch berichtte20 over het belangrijkste Climategate-onderzoek van Muir Russell. Legde Climategate een klimaatcomplot bloot? Nee. Merk overigens op dat de meeste klimaatsceptici ook helemaal nooit beweerd hebben dat er sprake zou zijn van een complot. Climategate legt bloot dat een relatief kleine groep wetenschappers een behoorlijk grote invloed had op de zogenoemde peer review van wetenschappelijke tijdschriften (een cruciaal screening-proces in de wetenschap) en op het IPCC-proces. Overigens zal ook zoiets wetenschappers niet vreemd voorkomen. Er zijn, in welk vakgebied dan ook, altijd onderzoekers die invloedrijk zijn en die zullen proberen de heersende opvattingen hartstochtelijk te verdedigen. Er is geen complot nodig om zo te handelen. Prestige, invloed en onderzoeksgelden zijn voldoende om het gedrag van deze groep te verklaren. Het problematische in dit geval is dat wetenschappelijke literatuur via het IPCC van belang wordt voor internationaal beleid.


Toonde Climategate aan dat er (wetenschappelijke) fraude is gepleegd? Mogelijk, maar geloof het of niet, geen van de vijf tot nu toe gepubliceerde Climategate-onderzoeken heeft daar serieus naar gekeken. Het vernietigen van informatie die valt onder de Freedom of Information


13 Act is strafbaar. Maar hoewel Phil Jones enkele collega's vroeg om e-mails weg te gooien, is niet onderzocht of dat ook daadwerkelijk is gebeurd. Climategate speelt in dit boek slechts een marginale rol. Dat is niet vreemd, want wat maar weinig mensen weten is dat 98 procent van de e-mails gaat over het zogenoemde hockeystick-debat. De hockeystick is een grafiek die op spectaculaire wijze laat zien dat het nu warmer is dan op enig moment in de afgelopen duizend jaar. De grafiek was een icoon in het derde IPCC-rapport uit 2001 en is later zeer omstreden geraakt. We komen daar uitgebreid op terug in hoofdstuk 3. Toch is mijn inschatting dat Climategate de geschiedenisboeken in zal gaan als een keerpunt in de klimaatdiscussie. De klimaatwetenschap verloor er haar onschuld mee. De affaire heeft de media (of althans delen daarvan) en het publiek duidelijk gemaakt dat men veel kritischer moet zijn op de beweringen die klimaatonderzoekers in het algemeen en het IPCC in het bijzonder doen. De voedingsbodem voor klimaatalarmisme zal kleiner worden.


De staat van het klimaat Dit boek gaat, zoals de titel al aangeeft, over 'de staat van het klimaat'. Hoe staat het klimaat ervoor? Kunnen we op wetenschappelijke gronden hard maken dat het klimaat er zorgwekkend aan toe is? Allerlei basisvragen komen daarbij aan bod: Warmt de aarde wel op en zo ja, hoeveel (hoofdstuk 2)? Hoe uniek is die opwarming (hoofdstuk 3)? Hoe heeft het IPCC bewezen dat die opwarming veroorzaakt wordt door de uitstoot van broeikasgassen (hoofdstuk 4)? Zijn er ook andere verklaringen mogelijk voor opwarming dan broeikasgassen (hoofdstuk 5)? Hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn, als de aarde deze eeuw inderdaad fors gaat opwarmen (hoofdstuk 6)? Om een goede indruk te krijgen van de staat van het klimaat, bekijken we uiteraard de vele observaties die er zijn gedaan. Metingen zijn echter een momentopname. Bij klimaat gaat het om langjarige trends, dertig jaar of langer. Je zult dus langdurig, nauwkeurig en ook op dezelfde manier metingen moeten verrichten om iets zinnigs over klimaatverandering te kunnen zeggen. En daar beginnen meteen de problemen. Want pas sinds 1988 is er serieus aandacht voor klimaat en kwam het klimaatonderzoek in een stroomversnelling. Vanaf die tijd worden er meetcampagnes opgezet speciaal voor klimaatdoeleinden. Oudere metingen, zoals tempera- tuurmetingen, werden niet gedaan met het oog op klimaat. De enige uitzondering op deze regel is het meten van de CO2-concentratie in de atmosfeer op het Hawaïaanse eiland Mauna Loa. Die metingen begonnen in 1958 en waren destijds al opgezet vanwege de mogelijke invloed van CO2 op het klimaat. De CO2-metingen van Mauna Loa zijn vrijwel onomstreden en laten zien dat sinds 1958 het CO2-gehalte op aarde gestaag is toegenomen. Maar over vrijwel alle andere 'klimaatmetingen' kun je een stevige boom opzetten. Dat gebeurt in de wetenschappelijke literatuur. Omdat er meestal correcties nodig zijn op de ruwe metingen om er d'juiste' gegevens uit te halen, hangt veel af van die correcties. Veel debatten die in dit boek de revue zullen passeren, gaan hierover. Dikwijls bakkeleien onderzoekers met elkaar over tienden van graden meer of minder en voor buitenstaanders is het vaak vrijwel onmogelijk om uit te maken wie er 'gelijk' heeft. Dit alles speelt zich af in de wetenschappelijke literatuur en daarom gaat dit boek óók over 'de staat van het klimaatonderzoek'.


Het IPCC Van daaruit zijn we nog maar één stap verwijderd van het IPCC. Gemakshalve zal ik vaak spreken over 'het IPCC', maar dat behoeft enige uitleg. 'Het IPCC' is niet, zoals de Verenigde Naties, een grote organisatie met duizenden werknemers. Het IPCC is ondergebracht bij de


14 World Meteorological Organization (WMO) in Genève. Het bureau bestaat uit slechts enkele mensen en dient vooral ter ondersteuning van het schrijven van de IPCC-rapporten. Het IPCC is daarom meer een virtuele organisatie die voor de duur van het schrijven van een rapport wordt opgetuigd en daarna weer wordt ontbonden. Honderden onderzoekers uit de hele wereld werken mee aan een IPCC-rapport. Als we spreken over 'het IPCC' bedoelen we daarom vooral 'de groep onderzoekers die meewerkte aan IPCC-rapporten'. 'Het IPCC' staat ook voor 'de klimaatconsensus', het door velen geaccepteerde idee dat broeikasgassen een grote invloed op het klimaat hebben. De Canadese klimaatsceptici Ross McKitrick en Chris Essex geven in hun boek Taken by Storm21 het LFCC de naam The Big Panel. Dat is heel treffend verwoord. Het klimaatpanel is klein in termen van overhead en financiering, maar groot in termen van invloed en uitstraling. De term 'Het Grote Panel' straalt ook iets onaantastbaars uit en zo stelt het IPCC zich bij monde van de voorzitter Rajendra Pachauri ook vaak op. Het IPCC bestaat immers uit duizenden wetenschappers die met elkaar tot consensus zijn gekomen. Probeer daar maar eens wat tegenin te brengen. Het belang van de IPCC-rapporten kan niet genoeg benadrukt worden en in dit boek wordt er veelvuldig verwezen naar het vierde IPCCrapport dat in 2007 verscheen en in een enkel geval naar eerdere IPCCrapporten. Die verschenen in 1990, 1995 en 2001.


Het IPCC werd in 1988 opgericht door het United Nations Environment Programme (UNEP) en de World Meteorological Organization (WMO) 'om de wereld te voorzien van een helder wetenschappelijk beeld van de huidige staat van klimaatverandering en de potentiële milieu- en maatschappelijke gevolgen daarvan'.22 Een document met beginsels23 voor IPCC-rapporten stelt dat het IPCC op een allesomvattende, objectieve, open en transparante wijze de wetenschap beoordeelt. In dit boek onderzoek ik in hoeverre het IPCC dit beginsel in het laatste rapport waarmaakt. Naast 'de staat van het klimaat' en 'de staat van het klimaatonderzoek' gaat dit boek daarom, als derde, over 'de staat van het IPCC'. Het vierde IPCC-rapport uit 2007 bestaat uit drie delen van elk zo'n duizend pagina's, getiteld Werkgroep 1, Werkgroep 2 en Werkgroep 3. Werkgroep 1 behandelt 'de staat van het klimaat' en geeft antwoord op de vragen: Warmt de aarde op? Is die opwarming uniek? Is de mens de boosdoener? In het vierde rapport heeft het IPCC al deze vragen bevestigend beantwoord, waarna de conclusie werd getrokken dat de wetenschap eruit is (the science is settled). Wergroep 1 leunt van de drie werkgroepen het meest op de natuurwetenschappen en wordt mede daardoor het meest serieus genomen. In Wergroep 1 spelen computersimulaties met klimaatmodellen, zowel terug in de tijd als een eeuw vooruit, een belangrijke rol. De uitkomsten van deze simulaties worden vervolgens gebruikt in Werkgroep 2. Daar wordt gekeken naar wat de gevolgen zijn van de diverse toe- komstscenario's voor landbouw, biodiversiteit, volksgezondheid, enzovoort. De toekomstscenario's zijn zelf al hoogst onzeker. De afgeleide gevolgen daarvan zijn dus helemaal zeer speculatief. De uitkomsten van Werkgroep 2 worden daarom als minder 'hard' beschouwd dan die van Werkgroep Werkgroep 3, ten slotte, buigt zich over de mogelijke klimaatmaatregelen die we kunnen nemen en de kosten die daarmee gemoeid zijn Ook daar komen modellen aan te pas, in dat geval economische modellen. Onder Werkgroep 3 vallen ook de economische scenario's die ten grondslag liggen aan CO2-emissiescenario's. Deze CO2-scenario's worden weer gebruikt door Werkgroep 1. Zo is de cirkel rond. Werkgroep 3 voedt Werkgroep 1 met verschillende CO2-scenario's tot aan 2100 (die hangen af


15 van de economische groei en van de mate waarin we alternatieve brandstoffen gaan gebruiken); Werkgroep 1 stopt deze CO2-emissies in zijn klimaatmodellen en simuleert wat dat voor het klimaat zou kunnen betekenen, waarna Werkgroep 2 deze uitkomsten n zijn impactmodellen stopt. De uitkomsten van die impactmodellen zijn weer relevant voor Werkgroep 3, die probeert om een prijskaartje te hangen aan de mogelijke nadelige gevolgen van klimaatverandering.


Wie maakt de IPCC-rapporten? Het produceren van een rapport gaat als volgt. Eerst dragen landen kandidaten voor. Dit gaat om de functies van lead author en review editor. De hoofdauteurs (lead authors) zijn de belangrijkste auteurs. Zij bepalen wat er uiteindelijk in het definitieve rapport staat. De review editors zijn een soort scheidsrechters, die moeten bekijken of het IPCC-proces naar behoren is verlopen. Per hoofdstuk zijn er meestal ruim tien hoofdauteurs en daarnaast tientallen auteurs die bijdragen schrijven over hun specialisme. In totaal waren 450 hoofdauteurs en 800 auteurs betrokken bij het vierde IPCCrapport. Voor het vijfde IPCC-rapport, dat in 2013/2014 verschijnt, zijn er onlangs 831 hoofdauteurs aangesteld. De buitenwereld krijgt geen inzage in de selectieprocedure. De selectie gebeurt door het IPCC-bureau en dan vooral door de twee of drie co-chairs van de werkgroepen, die voor elk rapport worden aangesteld. Voor het vijfde rapport zijn de co-chairs van Wergroep 1 de Zwitser Thomas Stocker en de Chinees Dahe Qin. Zij zullen een belangrijke stem hebben gehad bij het aanstellen van de lead authors. Overigens mogen de co-chairs ook nog kandidaten vragen die niet door een van de deelnemende landen aan het IPCC zijn voorgedragen. Verderop in het boek zal blijken dat hoofdauteurs heel bepalend kunnen zijn voor het eindresultaat. Een van de problemen is dat hoofdauteurs op een 'open en transparante' wijze moeten schrijven over wetenschappelijke controverses waar ze soms zelf onderdeel van uitmaken. De hoofdauteur moet in zo'n geval dus recht doen aan de argumenten van zijn opponent(en) en dat blijkt vaak te veel gevraagd. Om deze reden is het belangrijk dat de teams van hoofdauteurs 'in balans' zijn. Dat wil zeggen dat er ook hoofdauteurs moeten zijn met andere visies. In hoofdstuk 7 komen we hier op terug.


De hoofdauteurs en auteurs gaan aan de slag en dat leidt tot een eerste conceptrapport. Dit eerste conceptrapport wordt vervolgens gestuurd aan zogenoemde expert reviewers. Deze expert reviewers zijn net als de hoofdauteurs en review editors aangewezen via het landelijke aan- spreekpunt van het IPCC. In Nederland is dat het KNMI. Bij de productie van het vierde rapport waren bekende critici, zoals de Canadezen Stephen McIntyre en Ross McKitrick, uitsluitend als expert reviewer bij het rapport betrokken. Ook de Nederlandse scepticus Hans Labohm was expert reviewer. De hoofdauteurs moeten alle opmerkingen van expert reviewers beantwoorden. In een later stadium zijn alle ingediende commentaren van expert reviewers en de reacties daarop van de IPCC-auteurs openbaar gemaakt.24 Omdat critici bij het vierde IPCC-rapport voornamelijk 'veroordeeld' waren tot de rol van expert reviewer, is het voor de balans in het rapport belangrijk dat er met hun inbreng zorgvuldig wordt omgegaan. In dit boek laat ik enkele voorbeelden zien van hoe dat in de praktijk uitpakte. Er volgt daarna een tweede conceptrapport, dat wederom naar expert reviewers wordt gestuurd en nu ook naar government reviewers. Ten slotte volgt het definitieve rapport.25 Verreweg de meeste aandacht krijgen de Samenvattingen voor beleidsmakers, die van elk werkgroeprapport gemaakt worden. De belangrijkste samenvatting, die van Werkgroep werd bij het vierde rapport door een vijftigtal wetenschappers in conceptvorm opgesteld. Tijdens de slotsessie in Parijs,


16 begin 2007, onderhandelden afgevaardigden van alle deelnemende landen over de definitieve tekst, die vervolgens op 2 februari naar buiten werd gebracht. Het rapport zelf werd twee maanden later gepubliceerd. Deze volgorde, eerst de samenvatting publiceren en later pas het hele rapport, s een beetje dubieus, want het wekt de indruk dat het onderliggende wetenschappelijke document aangepast kan worden aan politiek afgedwongen formuleringen in de samenvatting. Bij het vierde rapport zijn hier overigens geen aanwijzingen voor.


Foutje... Jarenlang hadden de IPCC-rapporten een schier onaantastbare status bij wetenschappers, beleidsmakers, de media en het publiek. Een aantal sceptische wetenschappers had gefundeerde kritiek op de rapporten, maar deze kritiek richtte zich op verschillende relevante, maar ook spe- cialistische onderwerpen en die kritiek leidde zelden26 tot het in diskrediet brengen van het IPCC als geheel. Totdat er eind zoog een op het eerste gezicht onbeduidend foutje werd ontdekt in Werkgroep 2 van het laatste IPCC-rapport. Het IPCC beweerde dat de gletsjers in de Himalaya in 2035 verdwenen konden zijn. Eerst leek het op een typefout en had er 2350 in plaats van 2035 moeten staan. Maar al snel werd duidelijk dat het citaat afkomstig was uit een interview met de Indiase glacioloog Syed Hasnain, dat in 1999 verscheen op een Indiase website en enkele maanden later ook verscheen in het populairwetenschappelijke tijdschrift New Scientist.27 Het gewraakte citaat was opgenomen in een rapport van het Wereld Natuur Fonds in 2005 en dat rapport was ten slotte gebruikt voor het IPCCrapport uit 2007.28 Het 'foutje' werd mede een rel omdat vlak daarvoor een Indiaas rapport over de Himalaya-gletsjers, gemaakt in opdracht van het ministerie voor Milieu, door IPCC-voorzitter Pachauri was afgedaan als voodoo science; zeg maar pseudowetenschap. Het Indiase rapport was weinig alarmerend over de staat van de gletsjers in de Himalaya. Nadat de oorsprong van de fout in diverse blogs was nageplozen, begonnen vooral Britse kranten erover te schrijven. Het IPCC erkende uiteindelijk met grote tegenzin de fout op zijn website,29 voor zover bekend een unicum in de geschiedenis van het IPCC. De rel om de gletsjers in de Himalaya speelde vlak na het uitbreken van Climategate en in analogie daarmee raakten de termen Glaciergate en Himalaya-gate in zwang. Daarna was het hek van de dam. We kregen Amazon-gate; het IPCC zou geen goede wetenschappelijke onderbouwing hebben voor de claim dat 40 procent van de Amazone zeer gevoelig zou zijn voor zelfs een kleine afname in neerslag. We kregen ons eigen 'Zeespiegelgate', toen een journalist van Vrij Nederland ontdekte dat niet 55 procent van Nederland onder de zeespiegel ligt, zoals het IPCC claimde, maar slechts 26 procent. De fout bleek veroorzaakt te zijn door het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat de informatie verkeerd had overgedragen aan het IPCC. We kregen Pachauri-gate; de voorzitter van het IPCC kwam onder vuur te liggen vanwege belangenverstrengeling. We kregen Africa-gate: de oogsten in Afrika zouden met 50 procent kunnen afnemen tussen 2000 en 2020. Hiervoor bleek echter geen degelijke wetenschappelijke onderbouwing. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.


Nu ben ik de eerste om te erkennen dat de term 'gate' (schandaal) een te groot woord is voor de individuele 'foutjes' die opeens werden ontdekt in het IPCC-rapport. Alle gevonden fouten waren afkomstig uit Werkgroep 2, het sowieso al meer speculatieve deel, dat kijkt naar de gevolgen van klimaatverandering. Wel valt op dat de fout in alle gevallen de gevolgen van klimaatverandering erger voorstelde.


17 Dat doet vermoeden dat er een systematische neiging bestaat bij auteurs van Werkgroep 2 om de gevolgen van klimaatverandering zo alarmerend mogelijk naar buiten te brengen. Dat lijkt ver af te staan van de 'objectieve, open en transparante' wijze waarop het IPCC beoogt te werken. Dat was in ieder geval ook de conclusie die Richard Tol trok, een Nederlandse klimaateconoom die aan diverse IPCC-rapporten heeft meegewerkt en die hoofdauteur is van Werkgroep 2 voor het vijfde rapport.30 Veel van de fouten zijn niet zo moeilijk te ontdekken als je er eenmaal naar gaat zoeken. Er staan vermoedelijk nog tientallen, zo niet honderden van dit soort 'overdrijvingen' in Werkgroep 2 van het rapport. Een interessantere vraag is waarom de auteurs willen overdrijven en waarom de overdrijvingen niet eerder aan het licht kwamen. Zagen de reviewers van het IPCC-rapport ze niet? Zag niemand ze tussen het moment van publiceren in 2007 en 2010? Of zagen onderzoekers ze wel, maar zwegen ze omdat ze de fouten onbelangrijk vonden, of omdat ze het 'momentum' dat het IPCC had weten te bewerkstelligen voor klimaatbeleid niet wilden verstoren of waren ze bang dat openlijk kritiek uiten op het IPCC slecht zou zijn voor hun eigen reputatie? Dit zou voor elk van de ontdekte fouten moeten worden uitgezocht, wat buiten het bestek van dit boek valt. Zeker is echter dat in sommige gevallen, zoals de 2035-fout, expert reviewers er wel degelijk op wezen31 dat de alinea fout was, maar dat de hoofdauteurs de fout vervolgens niet herstelden. Dat het IPCC onverwacht zo onder vuur kwam te liggen, lijkt alleen maar te verklaren door Climategate. Hebben Climategate en het IPCC dan iets met elkaar te maken? Zeker, de meeste Climategate-onderzoekers (de auteurs van de e-mails) zijn als hoofdauteur betrokken geweest bij een of meer IPCC-rapporten. Diverse e-mails gaan ook over IPCC-rapporten. Phil Jones, de directeur van CRU, schrijft bijvoorbeeld in een e-mail32 dat hij er alles aan zal doen om twee (sceptische) wetenschappelijke artikelen, die stellen dat de recente opwarming mede veroorzaakt is door economische ontwikkeling en dus niet alleen door broeikasgassen, uit het volgende IPCC-rapport te houden. Jones was hoofdauteur van het desbetreffende hoofdstuk en hield woord in het eerste en tweede conceptrapport. Na aandringen van een expert reviewer vermeldde hij de artikelen wel in het definitieve rapport, maar alleen om ze onmiddellijk af te doen als niet overtuigend.


Nederlandse reactie In het bijzonder de Britse pers schrok wakker door Climategate, een affaire die vooral de Britse CRU trof omdat de bestanden daarvandaan kwamen. Zelfs de activistische columnist George Monbiot eiste het aftreden van Phil Jones,33 de directeur van CRU. In de daaropvolgende 'gates' speelde de Britse pers steeds een prominente rol. De foutjes waren vóór Climategate niet nieuwswaardig geweest, maar ná Climategate wel. Climategate trof slechts een beperkt groepje onderzoekers. De fouten in het IPCC-rapport straalden uit naar alle wetenschappers die aan het laatste IPCC-rapport hebben meegewerkt, en daarom liep het klimaatonderzoek als geheel een deuk op. In Nederland werd dit stevig inge- wreven door PVV-Kamerlid Richard de Mos, die in zijn 'subtiele' taalgebruik sprak van jokkebrokken, liegen en bedriegen en de klimaatmaffia. Hij dwong enkele spoeddebatten af in de Tweede Kamer. Dat leidde er onder andere toe dat toenmalig minister Cramer van VROM aan het Planbureau voor de Leefomgeving vroeg om enkele hoofdstukken van Werkgroep 2 van het IPCC-rapport nog eens na te pluizen op fouten. In hoofdstuk 6 komen we op de resultaten van dit onderzoek terug. Inmiddels was er ook in Nederland een zeer negatieve stemming ontstaan rond het IPCC en het klimaatonderzoek. Tv-presentator Matthijs van Nieuwkerk sprak in De wereld draait door van een 'soepzootje'.34 De negatieve stemming leidde tot een reactie uit de Nederlandse klimaat-


18 gemeenschap. Op 10 februari 2010 publiceerden 55 Nederlandse hoogleraren een open brief waarin ze ageerden tegen de negatieve beeldvorming en waarin ze het IPCC verdedigden.35 In de brief schreven ze onder andere: 'Ondanks de geconstateerde fouten blijven de eerder geschetste robuuste hoofdconclusies van het IPCC overeind staan.' In de Verenigde Staten verscheen ook een open brief van klimaatwetenschappers met een soortgelijke strekking.36 Terecht wezen de auteurs van de Nederlandse brief op het feit dat alle fouten gevonden waren in Werkgroep 2 van het rapport. In Wergroep 1 waren geen fouten ontdekt en daar staan de 'hoofdconclusies' van het IPCC-rapport: de aarde warmt op en het komt door de mens. Ergo, de hoofdconclusies staan nog overeind. Zolang het tegendeel niet s bewezen, is dit een logische reactie van wetenschappers die hetzij zelf betrokken zijn bij het IPCC, hetzij groot vertrouwen hebben in het IPCC-proces. Maar de reactie leek ook wat voorbarig. Het was niet mis wat er in de periode daarvoor gebeurd was. Eerst Climategate, waarin onethisch gedrag te zien was van invloedrijke hoofdauteurs van het IPCC, daarna fouten in het IPCC-rapport, weliswaar 'slechts' in Werkgroep 2, maar wel allemaal fouten die één kant op gingen, de alarmerende. De 55 hoogleraren repten met geen woord over Climategate (blijkbaar vonden ze dat niet relevant) en ze vinden weliswaar dat het IPCC grootmoediger moet worden in het erkennen van fouten, maar lijken verder toch vooral te zeggen: beste burger, beste politici, vertrouw ons, wij zijn de wetenschappers, er is hier niets aan de hand. Het is de vraag of deze wat paternalistische houding de juiste respons was na alle commotie en of wat meer zelfreflectie niet gepaster was geweest.


Of er inderdaad 'niks aan de hand is', onderzoekt dit boek. Werkgroep 1 is 'belangrijker' dan Werkgroep 2 en dus onderzoeken we in hoofdstuk 2 tot en met 5 of de hoofdconclusies van het IPCC-rapport overeind staan. De fouten in Werkgroep 2 komen in hoofdstuk 6 aan bod. Daar komen ook enkele vaak aangekondigde gevolgen van klimaatverandering, zoals de zeespiegelstijging, het smelten van gletsjers, het uitsterven van diersoorten en de verzuring van de oceanen, aan bod. De aanpak in het boek is rechttoe, rechtaan. Bij ieder onderwerp kijken we of er kritiek was op 'de consensus' en zo ja, of die kritiek hout sneed en hoe het IPCC met die kritiek omging in vooral het vierde IPCC-rapport. Omdat het laatste IPCC-rapport verwijst naar weten- schappelijke literatuur uit 2005 en eerder,37 zullen we dikwijls ook literatuur bespreken die na 2005 verschenen is. Uiteraard kunnen we pas in 2014 weten hoe het IPCC deze na 2005 verschenen literatuur beoordeelt.


Blogoorlog In de media kunnen debatten over klimaat er al heftig aan toe gaan, maar op Internet is er sprake van een heuse blogoorlog. Als we een moment moeten kiezen waarop de oorlog werd geopend dan was het december 2004, bij de oprichting van de blog Real Climate. Deze blog wordt onderhouden door enkele bekende klimaatonderzoekers, zoals Michael Mann, Gavin Schmidt, Stefan Rahmstorf en Rasmus Benestadt. Van hen figureert alleen Mann ook prominent in de Climategate-e-mails. De oorlogsverklaring was geadresseerd aan het adres van Stephen McIntyre, de Canadees die kritiek uitte op de hockeystick-grafiek van Mann (zie hoofdstuk 3). Om zich te kunnen verweren tegen de aanvallen op Real Climate begon McIntyre in februari 2005 met zijn eigen blog Climate Audit. Net als in een echte oorlog, hangt je voorkeur voor een van beide blogs sterk af van je positie in het klimaatdebat. Ben je overtuigd aanhanger van de broeikastheorie, dan zul je je goed thuis voelen bij Real Climate. De blog is een soort 'waakhond' voor de IPCC-visie en besteedt veel


19 aandacht aan het ontkrachten van sceptische artikelen en boeken. Climate Audit is een heel technische blog die vooral de zwakke plekken blootlegt in klimaatreconstructies gebaseerd op boomringen en andere indirecte temperatuurmetingen. Ook is McIntyre een man van procedures en checkt hij geregeld of IPCC zijn eigen procedures wel naleeft en of wetenschappers hun data archiveren. Hij werd daarmee een luis in de pels van veel klimaatonderzoekers en daardoor niet bij iedereen even geliefd. De onderzoekers van Real Climate 'haten' hem en weigeren naar zijn blog te linken en noemen bij voorkeur ook niet zijn naam. Commentaren van Mclntyre worden structureel niet doorgelaten door de 'censuur' van Real Climate. Beide blogs werden qua bezoekersaantallen een groot succes, hoewel ze later afgetroefd werden door Watts Up With That (WUWT), een (sceptische) blog van de voormalige Amerikaanse weerman Anthony Watts. WUWT is qua niveau toegankelijker dan Real Climate en Climate Audit. Het komt dagelijks met wel vijf tot tien berichten. Via deze drie blogs kan de lezer doorklikken naar tientallen andere klimaatblogs.




20 HOOFDSTUK 2


De aarde warmt op, maar hoeveel? De aarde warmt op. Dat erkennen ook sceptici. Maar hoeveel? Het IPCC gaat uit van een opwarming van bijna 1 graad over de afgelopen 150 jaar. Dat getal is gebaseerd op temperatuurmetingen op land en in de oceanen. Critici zijn ervan overtuigd dat de opwarming geringer is. Veel weerstations voldoen volgens hen niet aan de kwaliteitseisen. De metingen worden bovendien vertekend doordat steden warmer zijn dan het platteland. Daardoor is misschien wel de helft van de waargenomen opwarming sinds 1970 toe te schrijven aan 'verstedelijking' en niet aan het broeikaseffect. Het IPCC heeft deze cruciale informatie onder het tapijt geveegd.


Harde feiten bestaan er vrijwel niet in het klimaatdebat. Dat klinkt misschien gek voor een vakgebied dat gezien wordt als een 'harde' wetenschap. Aanhangers van de broeikashypothese zullen ook moeite hebben met deze kwalificatie. Het is immers een keihard feit dat CO2 een broeikasgas is, het is zeker dat de CO2-concentratie in de atmosfeer gestegen is en ook dat de aarde is opgewarmd. Allemaal waar, maar zoals we in de loop van het boek zullen zien, betekent dat nog lang niet dat de stelling 'de aarde warmt op en het komt door de mens' daarmee keihard bewezen is. Strikt genomen hebben broeikasaanhangers gelijk dat de aarde wel moet opwarmen als de concentratie aan broeikasgassen stijgt. De cruciale vraag is alleen: hoeveel? En hoe kunnen we weten of de opwarming van de afgelopen eeuw door deze toename aan CO2 en andere broei- kasgassen is veroorzaakt? Mijn stelling is dat er maar twee harde feiten zijn in het klimaatdebat. Het eerste is dat de toename van CO2 in de atmosfeer vrijwel zeker is toe te schrijven aan de mens. Het tweede is dat de aarde sinds het begin van de Industriële Revolutie wat is opgewarmd. Aan het tweede feit voeg ik meteen toe dat de mate van opwarming nog zeer omstreden is en daarover gaat het grootste deel van dit hoofdstuk. Je zou het tweede feit dus ook een half feit kunnen noemen. Met slechts één hard feit, een tweede wat zachter feit en een systeem zo complex als het klimaat, is het geen wonder dat er verhitte debatten ontstaan tussen wetenschappers. Het zou eerder een wonder zijn als de wetenschap 'eruit' zou zijn.


Mauna Loa Er is dus eigenlijk maar één echt keihard gegeven waarover vrijwel iedereen het eens is. Dat is dat de concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer stijgt en dat het verbruik van fossiele brandstoffen hiervan de oorzaak is. Sinds 1958 is de CO2-concentratie onafgebroken gemeten op het Hawaïaanse eiland Mauna Loa (zie afbeelding 1). Het eiland ligt ver van de bewoonde wereld, wat nodig is om geen last te hebben van lokale CO3-uitstoot. De CO2-metingen worden tegenwoordig op veel meer afgelegen plekken op aarde gedaan en die resultaten komen goed overeen met die van Mauna Loa.




21 Afbeelding 1:De stijging van de CO2-concentratie zoals gemeten op Mauna Loa sinds 1958. Bron: Scripps.


Vóór 1958 gebruiken onderzoekers vooral metingen uit ijskernen die geboord zijn op Groenland en Antarctica. Die metingen gaan honderdduizenden jaren terug en laten zien dat de CO2-concentratie schommelt tussen 180 ppm tijdens ijstijden en 280 ppm tijdens de periodes tussen de ijstijden (ppm staat voor parts per million, het aantal deeltjes per miljoen luchtmoleculen). Het idee is dus dat de CO2-concentratie sinds de Industriële Revolutie is gestegen van 280 ppm naar nu bijna 390 ppm, een toename van zo'n 40 procent. Tegelijkertijd weten we min of meer hoeveel CO2 we sinds 1900 hebben uitgestoten. Het blijkt dan dat iets minder dan de helft van de CO2 die wij uitstoten in de atmosfeer blijft; de rest wordt opgenomen door de oceanen en door de biosfeer op land (vooral planten en bomen). Alleen al boekhoudkundig is het duidelijk dat de toename in de atmosfeer door onze verbranding van fossiele brandstoffen veroorzaakt wordt. Daar komt dan nog een argument bij. De koolstof (C) uit fossiele brandstoffen bevat een specifieke 'vingerafdruk'. De verhouding tussen de koolstofisotopen 13C en 12C is bij fossiele brandstoffen namelijk lager dan bij CO2 afkomstig van andere bronnen. Juist die vingerafdruk zien we in toenemende mate terug bij CO2 in de atmosfeer. Kortom, alles wijst erop dat de toename komt door de mens.


Maar dan de temperatuur... We zijn via de media gewend geraakt aan de boodschap dat de aarde opwarmt, gletsjers smelten, de Noordpool smelt, de zeespiegel stijgt en dat er weinig reden is om aan de opwarming van de aarde te twijfelen. Sceptici doen dat ook niet, maar zij betwisten wel de mate van opwarming. Het IPCC stelt dat de aarde de afgelopen 150 jaar zo'n 0,8 graden is opgewarmd. Het baseert


22 zich daarbij op drie onderzoeksgroepen. Ten eerste is dat de Climate Research Unit (CRU) in Groot-Brittannië waar Phil Jones de leiding had, de onderzoeker die de spil was in de Climategate-e-mails. Na Climategate trad Jones tijdelijk terug als directeur. Hij kreeg in juli 2010 zijn baan terug maar is nu hoofd research. CRU stelt de mondiale temperatuur op land samen. Het eveneens Britse Hadley Centre (vergelijkbaar met ons KNMI) berekent de trend voor de oceanen. Samen levert dit de HadCrut-temperatuurreeks op (zie afbeelding 2). Daarnaast zijn er twee groepen in de Verenigde Staten die een mondiale temperatuur samenstellen. Eén bij het Goddard Institute for Space Studies (GISS), dat onderdeel is van NASA en waar de bekende klimaatalarmist James Hansen directeur is, en één bij NOAA (National Oceanic and Atmospheric Administration).



Afbeelding 2: Afwijking van de wereldtemperatuur ten opzichte van de referentieperiode 1961-1990. Op land gemeten op 2 meter hoogte. Voor de oceanen zijn de watertemperaturen gebruikt en niet de lucht daarboven. Bron: CRU/Hadley Centre.


Drie verschillende groepen dus, die een wereldgemiddelde temperatuur samenstellen op basis van land- en zeemetingen. De drie grafieken komen, op details na, goed met elkaar overheen en dat overtuigt veel klimaatonderzoekers ervan dat de uitkomsten betrouwbaar zijn. Ik interviewde de afgelopen jaren tientallen mainstream klimaatonderzoekers en telkens viel het op dat ze een vrijwel blind vertrouwen hebben in deze wereldgemiddelde temperatuurreeksen. Deze temperatuurreeksen zijn om meerdere redenen belangrijk. Ten eerste zijn de grafieken het uithangbord geworden voor de opwarming van de aarde. Klimaatonderzoekers beschouwen de mondiale temperatuurgrafiek als een van de belangrijkste bewijsstukken dat de aarde is opgewarmd. De grafiek wordt door onderzoekers vrijwel standaard getoond bij aanvang van presentaties over de opwarming van de aarde. In het laatst verschenen IPCC-rapport staat: 'De wereldgemiddelde temperatuur gemeten aan het oppervlak nam tussen 1906 en 2005 met 0,74 graden toe. De snelheid van opwarming was de laatste vijftig jaar bijna twee keer zo hoog als de eerste vijftig jaar.' De boodschap is dus dat de aarde opwarmt en dat die opwarming steeds sneller lijkt te gaan.


23 Maar een blik op de grafiek leert dat er twee periodes van opwarming waren: 1910 tot 1940 en 1970 tot 2000. De laatste periode wordt door het IPCC aan 'de mens' toegekend, de eerste niet. Na Climategate gaf Phil Jones in een interview met de BBC toe dat wat betreft opwarming de twee periodes niet significant van elkaar verschilden.1 Ten tweede liggen deze grafieken ten grondslag aan claims dat een bepaald jaar het warmste 'ooit' zou zijn. 'Ooit' betekent in dat geval 'sinds 1850', het startpunt voor de mondiale temperatuurreeksen. Zulke claims voeden het idee dat er iets bijzonders aan de hand is en spelen een belangrijke rol in het bewust maken van het publiek. Over recordjaren schrijft het IPCC het volgende: 'De warmste jaren zijn 1998 en 2005. De jaren 2002 tot en met 2004 staan op plek 3, 4 en 5. Elf van de laatste twaalf jaar (1995 tot 2006) behoren tot de warmste jaren sinds 1850. ' Erwin Kroll zou zeggen: 'We leven boven onze stand.' Ten derde is de mondiale temperatuur nauw verbonden met de broeikastheorie. Dat gaat al terug naar de tijd van Svante Arrhenius, een Zweedse wetenschapper in de fysische chemie die gezien wordt als een van de grondleggers van de theorie van het versterkte broeikaseffect. De Brit John Tyndall deed in de negentiende eeuw metingen in het lab en concludeerde daaruit dat CO2 infrarode straling absorbeert. Arrhenius leidde daar vervolgens uit af dat de oppervlaktetemperatuur van de aarde zou moeten toenemen bij een stijging van CO2 in de atmosfeer. Een verdubbeling van de CO2-concentratie zou kunnen leiden tot een opwarming van tussen de 5 en 6 graden, aldus Arrhenius. Dit onderzoek wordt tot op de dag van vandaag vaak aangehaald, ook in IPCC-rapporten, omdat de uitkomsten van Arrhenius volgens toekomstprojecties van moderne klimaatmodellen nog altijd tot de mogelijkheden behoren.2 Ten vierde heeft de wereldtemperatuur binnen de IPCC-rapporten een cruciale rol gespeeld bij het 'bewijzen' van het 'menselijke' broeikaseffect. Met klimaatmodellen, computermodellen waarin ons klimaat zo goed mogelijk is nagebootst, is het klimaat in de twintigste eeuw gesimuleerd. Een goede overeenkomst tussen modellen en waargenomen temperatuur werd alleen verkregen als de broeikasgassen vanaf pakweg 1970 flink gaan bijdragen aan de opwarming (in de modellen). Voor de auteurs van het vierde IPCC-rapport, dat in 2007 verscheen, was dat voldoende reden om in de Samenvatting voor beleidsmakers te komen tot een van de meest invloedrijke wetenschappelijke claims aller tijden: het merendeel van de waargenomen stijging in de mondi- ale temperatuur sinds het midden van de twintigste eeuw komt zeer waarschijnlijk door de waargenomen stijging in antropogene broeikasgasconcentraties.3 Antropogeen betekent: door menselijke activiteiten veroorzaakt. Ten vijfde worden deze grafieken bij internationale onderhandelingen gebruikt. Eind jaren tachtig is tijdens een internationale conferentie in het Oostenrijkse Villach vastgesteld dat een opwarming van meer dan 2 graden (vanaf de Industriële Revolutie) wel eens heel problematisch zou kunnen worden. Sindsdien is dat getal altijd aangehouden en tijdens de klimaattop in 2009 in Kopenhagen was het beperken van de opwarming tot 2 graden nog altijd het doel.


Therapie Broeikasaanhangers hechten veel belang aan de mondiale temperatuur. Je zou dus verwachten dat er alles aan gedaan is om een zo betrouwbaar mogelijk resultaat te krijgen. Speurwerk van critici, zowel op blogs als in de wetenschappelijke literatuur, heeft de afgelopen jaren echter duidelijk gemaakt dat de drie mondiale temperatuurreeksen, om in de termen van tv-presentator Matthijs van Nieuwkerk te blijven, 'een soepzootje' zijn Zij stellen dat de opwarming van 0,8 graden vrijwel zeker een overschatting is, en ze vinden dat er zoveel problemen kleven aan de temperatuurmetingen dat die eigenlijk onbruikbaar zijn voor het detecteren van klimaatverandering. Zeker na 1990, toen het netwerk van meetstations volledig instortte.


24 Sinds Climategate weten we dat de betrokken onderzoekers zelf ook vinden dat hun dataset 'een puinhoop' is. Naast de e-mails zijn er tientallen documenten gelekt. Eén document, getiteld Harry_Read_Me.txt,4 bevat notities van de CRU-programmeur Jan Harris (bijgenaamd 'Harry') over de staat van de CRU-data en -software.5 Zo schreef Harris: 'Ik vind het erg vervelend om te moeten rapporteren dat de rest van de databanken [van CRU] in net zo'n slechte staat lijkt te zijn als Australië was. Er zijn honderden zo niet duizenden paren van dummy-stations, een zonder WM0[-nummer] en een met, vaak overlappend en met dezelfde stationsnaam en met sterk overeenkomstige coördinaten. Ik weet dat het oude en nieuwe stations zijn, maar waarom zoveel overlap als dat het geval is? Aarrggghhh! Er komt echt geen eind aan.' En later: 'Dit hele project is ZO'N PUINHOOP. Niet vreemd dat ik therapie nodig heb.' De Britse programmeur John Graham-Cumming6 bestudeerde het gelekte softwareprogramma van CRU en vertelde de BBC dat het 'beneden de standaard van de software-industrie is'.7


Peter Webster, een meteoroloog verbonden aan het Georgia Institute of Technology in Atlanta, is de enige onderzoeker die er de afgelopen jaren in slaagde om de CRU-dataset van Jones los te krijgen. Anderen heeft Jones namelijk consequent de toegang tot zijn ruwe en aangepaste meetgegevens geweigerd, zelfs nadat critici als Mclntyre de data onder de Freedom of Information Act (FOIA) hadden aangevraagd. Alleen de eindresultaten heeft CRU via zijn website beschikbaar gesteld. Webster liet in 2010 in Der Spiegel8 weten dat hij geschokt was over de slordige documentatie. Eerder had Jones laten weten in een reactie op een FOIA-aanvraag van Mclntyre, dat hij zijn ruwe metingen kwijt was en dat hij alleen nog maar de gecorrigeerde metingen had.9 Stel je voor: het instituut achter de belangrijkste klimaatgrafiek in de wereld waarop het werk van duizenden klimaatonderzoekers gebaseerd is en waarop ook het IPCC in belangrijke mate leunt, geeft in 2009 toe (dus nadat de wetenschap er 'uit zou zijn') dat het zelf niet eens meer beschikt over de ruwe metingen die aan deze cruciale grafiek ten grondslag liggen. Dit bewijst absoluut nog niet dat de grafiek niet klopt, maar het geeft aan dat professionalisme in deze tak van wetenschap ontbreekt.


Relletje in meteoland Dat het klimaat heel complex is en dat klimaatonderzoek daarom ook ingewikkeld is, zal iedereen graag geloven. Het meten van de temperatuur en het bundelen van dergelijke metingen tot een mondiaal gemiddelde lijkt in dat opzicht een peulenschil. De praktijk blijkt echter weerbarstiger. Het probleem is, zoals zo vaak in het klimaatonderzoek, dat de metingen die men gebruikt nooit zijn opgezet voor het detecteren van klimaatverandering. Temperatuurmetingen werden voornamelijk gedaan voor weersdoeleinden. Voor de detectie van klimaatverandering van slechts tienden van graden over een periode van vele decennia heb je behoorlijk nauwkeurige metingen nodig. Het beste is als zulke metingen al die tijd met dezelfde apparatuur gedaan zijn, op dezelfde plek, en dat de omgeving van die plek niet drastisch veranderde. In de praktijk blijken deze voorwaarden meestal niet op te gaan. Hoe moeilijk het doen van temperatuurmetingen is, bleek in de zomer van zoog toen er even enige opschudding in meteo-Nederland was. Meteo Consult, de commerciële concurrent van het KNMI, publiceerde een stuk op zijn website10 waarin stond dat het weerstation van het KNMI in De Bilt verplaatst was. Het KNMI had de verplaatsing bevestigd bij Meteo Consult. Het was Meteo Consult al enige jaren opgevallen dat de metingen in De Bilt, vooral op warme dagen, hoger waren dan in nabijgelegen weerstations. In de zomer van 2009 was dat verschil echter opeens verdwenen en dat was de reden dat Meteo Consult ervan uitging dat het station verplaatst was. Een klein relletje was geboren omdat het KNMI natuurlijk beter zelf bekend had


25 kunnen maken dat zijn station verplaatst was. Nu leek het of het KNMI iets te verbergen had. Het weerstation bleek te dicht bij een rij bomen te staan en dat beïnvloedde de metingen. Overigens was het niet zo dat het KNMI daarmee de opwarming van Nederland overdreef, want het effect van de slechte situering was over het hele jaar gezien een afkoeling van 0,15 graden. Ik haal het voorval naar boven om aan te geven hoe kleine verstoringen in de directe omgeving van een weerstation al van invloed kunnen zijn op de metingen. Het KNMI heeft er veel aan gedaan om de historische reeks voor De Bilt te corrigeren voor trendbreuken, bijvoorbeeld vanwege een verplaatsing van het meetstation in 1950. Een tweede, overigens onverklaarbare, trendbreuk trad op in 1976. Ook voor die breuk is gecorrigeerd (door gebruik te maken van andere Nederlandse weerstations). Bij zo'n correctie begeven onderzoekers zich al een beetje op glad ijs. Want als er bij een weerstation geen verplaatsingen zijn of een verandering in instrumentatie, dan is de waargenomen sprong mogelijk toch echt. Hoewel het natuurlijk vreemd is dat dezelfde sprong niet waarneembaar is in andere Nederlandse weerstations. Hoe dan ook is er weinig reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de Nederlandse temperatuurreeks.11 En die laat toch echt een fikse opwarming zien van 1,5 graden over de afgelopen eeuw, het dubbele van het mondiale gemiddelde. Wel is er tot midden jaren tachtig weinig opwarming. Dan lijkt er een sprong op te treden en de jaren daarna zijn vrijwel allemaal fors warmer.


Daken en landingsbanen Nederland is dus opgewarmd en de kwaliteit van de metingen is goed. Elders in de wereld ziet het meetnetwerk er echter minder solide uit. In 2005 fotografeerde de Amerikaanse onderzoeker Roger Pielke sr. in zijn thuisstaat Colorado diverse weerstations. Ze voldeden vrijwel nooit aan de criteria die de World Meteorological Organisation (WMO) heeft opgesteld. Pielke publiceerde zijn bevindingen in een vaktijdschrift 12 en een jaar later was het de Amerikaanse meteoroloog Anthony Watts, die jarenlang als weerman op de televisie heeft gewerkt, die hetzelfde spoor begon te volgen. Hij besloot in 2006 om eens te kijken hoe weerstations er in zijn staat Californië bij stonden. Het station in zijn eigen woonplaats, Chico, leek helemaal in orde, totdat Watts zag dat er in de weerhut ook transmissieapparatuur was geplaatst. Die produceert warmte en zou daar absoluut niet moeten staan. Het tweede station dat hij bezocht was wel in orde, maar bij het derde station in Marysville13 vielen de schellen van zijn ogen. Dit station stond veel te dicht bij een gebouw (met airconditioning) en een parkeerplaats. Op de website van NOAA, de instantie die verantwoordelijk is voor de kwaliteit van 1221 weerstations in de Verenigde Staten, was er nauwelijks informatie te vinden over de staat waarin weerstations verkeren. Dus startte Watts op eigen kosten een databank14 (het Surfacestationsproject) waar hij en vrijwilligers uit heel Amerika foto's en gegevens van stations verzamelen.


Bedenk dat een weerstation op een open veld moet staan. Bomen en gebouwen moeten op ten minste dertig meter, maar het liefst op honderd meter afstand staan en de ondergrond moet representatief zijn voor de natuurlijke omgeving. Aan deze simpele regels wordt zelden voldaan. Watts trof weerstations aan op of vlak bij parkeerplaatsen en te dicht bij start- of landingsbanen van vliegvelden. Maar liefst zeventig stations staan bij afvalwaterzuiveringsinstallaties, waar de stoom soms vanaf komt. Ook van een station op een dak of een fabrieksterrein kijkt Watts niet vreemd meer op. Ongeveer 70 procent van de stations zijn zogenoemde MMTS-sensoren. Deze staan vaak veel


26 te dicht bij een gebouw (met vrijwel altijd een uitlaat van een airconditioning) om de banale reden dat de bijgeleverde kabels nogal kort zijn en het bedieningspaneel niet weerbestendig is en dus binnen moet hangen. In plaats van kort gemaaid gras vind je soms grind of zelfs donkere rubberen matten op de grond. 'De inrichting van weerstations is vooral gericht op het gebruikersgemak en niet op het goed meten van temperatuur,' aldus Watts. Inmiddels is bijna 90 procent van het NOAA-netwerk van 1221 stations onderzocht15 en de resultaten zijn ronduit dramatisch. Van de onderzochte stations is 90 procent zo slecht gesitueerd dat dit volgens criteria van NOAA zelf moet resulteren in fouten van meer dan 1 °C. Bijna 70 procent van de stations valt zelfs in de categorie 'fout groter dan 2 graden'. In de praktijk leidt de slechte situering trouwens vrijwel altijd tot opwarming en niet tot afkoeling (zoals bij het weerstation van het KNMI het geval was). De situatie is ronduit beschamend voor NOAA's National Climatic Data Center (NCDC), het onderdeel dat verantwoordelijk is voor het Amerikaanse netwerk. NCDC nodigde Watts in 2008 uit om een presentatie te geven, maar echte partners zijn ze nadien niet geworden. NCDC koos zelfs voor de frontale tegenaanval. Nog voordat Watts zijn eigen data gebruikt had voor een publicatie, plukte NCDC de data van de website en liet er zelf een analyse op los. Ze concludeerden dat er geen verschil was tussen goede en slechte stations.16 Maar volgens Watts waren de data die NCDC hierbij gebruikte, nog helemaal niet de definitieve. Ik sprak Watts in het najaar van 2009 in Brussel en toen vertelde hij dat er wel degelijk een verschil is tussen de beste en de slechtste stations. Toch zijn de verschillen waarschijnlijk niet zo groot als je zou verwachten gezien de slechte staat waarin de weerstations verkeren (dit vertelde Roger Pielke sr. me, die bij de analyses van Watts' data betrokken is). Dat zal ongetwijfeld als een kleine overwinning gevierd worden door NOAA. Het wachten is nu op de publicatie van Watts zelf.


Warme jaren dertig Het Amerikaanse GISS stelt naast een mondiale temperatuurreeks ook een historische reeks samen voor alleen de Verenigde Staten. Het baseert zich daarbij voornamelijk op dezelfde data die Watts analyseert in zijn Surfacestations-project. Stephen Mclntyre liet op zijn blog Climate Audit zien dat GISS zelf in 1999 nog concludeerde dat het jaar 1934 het warmste jaar 'ooit' was in de VS.17 Het jaar 1934 was toen nog 0,5 graad warmer dan 1998. Twee jaar later voerde GISS echter nieuwe correcties door die afkomstig waren van NOAA, en plotseling waren 1934 en 1998 vrijwel even warm! Het zijn dit soort forse correcties, die door NOAA en GISS verder niet worden uitgelegd, die in de blogwereld tot verontwaardiging hebben geleid. 'Bovengronds' is er echter nauwelijks aandacht voor, behalve bij onderzoekers als Roger Pielke sr. die er continu op hamert dat temperatuurmetingen zo problematisch zijn. Hoe dan ook, zelfs als we de resultaten van GISS voor waar aannemen, is de conclusie dat de jaren dertig in de VS ongeveer even warm waren als nu. Er is wat dat betreft dus een verschil tussen de VS en de rest van de wereld. Mondiaal gemiddeld zou het nu immers ongeveer 0,5 graad warmer zijn dan rond 1940. Ondanks alle waargenomen problemen met de weerstations geldt het Amerikaanse netwerk als het beste ter wereld. Er zijn relatief veel plattelandsstations (in vaktermen. 'ruraal') met een lange geschiedenis en GISS heeft een redelijke poging gedaan om te corrigeren voor ver- stedelijking. Die correctie is nodig door het fenomeen dat steden vaak aanzienlijk warmer zijn dan het omringende platteland. De forse groei van de wereldbevolking in de twintigste eeuw en de uitbreiding van steden hebben de temperatuurmetingen waarschijnlijk beïnvloed. Later in dit


27 hoofdstuk meer over dit zogenoemde urban heat is/and-effect. Hoe dan ook, is het gemeten temperatuurverloop voor de VS totaal anders dan in de rest van de wereld. De 'verklaring' die mainstream onderzoekers hiervoor geven, is dat er sprake is van 'regionale verschillen'.18 De VS bedekken tenslotte maar 2 procent van het totale aardoppervlak (6 procent van het landoppervlak). Het 'beste' meetnetwerk van de wereld bevond zich dus 'toevallig' in een deel van de wereld waar het klimaat zich anders ontwikkelde dan in de rest van de wereld. Dit zou heel goed kunnen.


Maar Watts en McIntyre sluiten een ander scenario niet uit. En dat is dat de kwaliteit van het meetnetwerk in andere delen van de wereld zo slecht is, dat de gemeten opwarming daar grotendeels het gevolg is van slecht gesitueerde weerstations en verstedelijking. CRU en NOAA corrigeren niet voor verstedelijking. GISS probeert wel te corrigeren voor verstedelijking, maar doet dat buiten de VS op basis van onnauwkeurige bevolkingsgegevens. Toen Mclntyre alle correcties voor verstedelijking van GISS op een rijtje zette,19 bleek dat in de helft van de gevallen de correctie omhoog uitviel (de correctie maakte de stad dus warmer!) en in de andere helft de correctie omlaag uitviel (zoals je zou verwachten). Netto was er nauwelijks een effect, wat mede kan verklaren waarom de GISS-reeks lijkt op die van CRU en NOAA. Mclntyre begon op zijn blog een soort 'spelletje', dat hij 'where is Waldo'20 noemde. 'Waldo' staat in dit geval voor 'opwarming sinds de warme jaren dertig'. GISS heeft als enige van de drie zowel de ruwe als de gecorrigeerde temperatuurmetingen die het gebruikt openbaar gemaakt. McIntyre zocht in de databank van GISS per regio naar rurale stations met data die teruggaan tot 1930 om te kunnen zien of rurale stations elders in de wereld wel zijn opgewarmd sinds de jaren dertig. Dat leverde verrassende inzichten op. Ten eerste dat er per continent maar heel weinig meetstations zijn die aan de criteria voldoen. In heel Afrika, bijvoorbeeld, slechts tien21 en in heel Zuid-Amerika slechts zeven.22 Op beide continenten laten de rurale stations sinds de jaren dertig geen opwarmende trend zien. Volgens GISS is er in Siberië flink wat opwarming geweest, dus 'Waldo' zou daar zichtbaar moeten zijn. Wat echter vooral opvalt in Siberië,23 zijn de grote verschillen tussen stations op kleine afstand van elkaar Deze verschillen zijn waarschijnlijk alleen maar te verklaren met verstedelijking. Ook de Australische onderzoeker Warwick Hughes vermoedt al jaren dat 'de opwarming' in Siberië zoals die zichtbaar wordt in de reeksen van CRU, GISS en NOAA, grotendeels het gevolg is van verstedelijking.24


Kiwi Climategate De afgelopen tijd is er vooral in de blogwereld meer anekdotisch bewijs verzameld over problemen met temperatuurmetingen en correcties die op ruwe metingen zijn toegepast. Correcties die vaak als gevolg hebben dat de opwarmende trend sterker wordt. Anthony Watts en de Amerikaanse meteoroloog Joe D'Aleo geven in een rapport25 dat nog geregeld geactualiseerd wordt, een groot aantal voorbeelden. Ik noem er één. Een aantal leden van de sceptische New Zealand Climate Science Coalition besloot om de temperatuurmetingen van Nieuw-Zeeland eens onder de loep te nemen.26 Nieuw-Zeeland is een ideaal land voor temperatuurmetingen, zou je zeggen. Er is genoeg platteland, het is ver verwijderd van andere continenten en beschikt over weinig zware industrie en ook niet over groeiende metropolen. In Nieuw-Zeeland is het National Institute of Water & Atmospheric Research (NIWA) verantwoordelijk voor het bijhouden van de temperatuurmetingen. Dat laat er geen twijfel over bestaan dat Nieuw- Zeeland is opgewarmd, min of meer in lijn met de rest van de wereld. De Climate Science Coalition besloot zelf de data te downloaden van de NIWA-website en wat


28 analyses te doen. Te beginnen met de ruwe, ongecorrigeerde metingen. Meteen bleek dat er nauwelijks opwarming in de ruwe metingen zit. Van een medewerker van NIWA kregen ze toegang tot de gecorrigeerde metingen van de zeven weerstations. Door de ruwe metingen te vergelijken met de gecorrigeerde, konden ze de correcties vaststellen. Met uitzondering van de stad Dunedin, waarvan de trend licht naar beneden was bijgesteld, bleek dat aan alle andere stations een flinke opwaartse trend toegevoegd was. Oudere metingen waren naar beneden bijgesteld en meer recente metingen juist naar boven. Vrijwel de volledige opwarmende trend in Nieuw-Zeeland, van 1 graad over de afgelopen eeuw, is toe te schrijven aan correcties! Deze affaire brak vlak na Climategate uit en in de Nieuw-Zeelandse media werd dan ook onmiddellijk over 'Kiwi Climategate' gesproken. NIWA sprak niet tegen dat de ruwe metingen geen trend laten zien, maar verdedigde de correcties. Het toonde een dag later hoe de reeks van Wellington tot stand is gekomen, gebaseerd op metingen van drie verschillende stations. Het verdedigde de correcties door te wijzen op hoogteverschillen tussen de stations. Over de andere locaties echter geen woord. En tot op de dag van vandaag heeft NIVVA geen details vrij- gegeven van hoe en waarom de correcties uitgevoerd zijn. Inmiddels is de New Zealand Climate Science Coalition een rechtszaak begonnen tegen het NIWA om achter de correcties te komen.27 Dat was Nieuw-Zeeland. De situatie in buurland Australië lijkt er erg op. Blogger Ken Stewart28 is al maanden bezig om de kwaliteit van het Australische netwerk te controleren. Ook hier geldt dat de trend in de ruwe metingen lager (0,6 graden over honderd jaar) is dan in de gecorrigeerde (1,0 graad), hoewel de verschillen wat kleiner zijn dan in Nieuw-Zeeland.


Waar zijn alle weerstations gebleven? Na deze introductie in de problematiek van temperatuurmetingen is het tijd om terug te keren naar de drie mondiale temperatuurreeksen die in omloop zijn: die van CRU samen met het Hadley Centre, die van NASA QSS en die van NOAA. Mijn indruk is dat de meeste klimaatonderzoekers die deze reeksen gebruiken voor hun eigen onderzoek, de grafieken vertrouwen omdat drie onafhankelijke groepen tot hetzelfde eindresultaat zijn gekomen. Het idee dat het om drie 'onafhankelijke' groepen en datasets gaat, komt niet zomaar uit de lucht vallen. De betrokken onderzoekers benadrukken dit zelf te pas en te onpas.29 Inmiddels is echter duidelijk geworden dat de drie analyses niet onafhankelijk zijn. Alle drie halen ze het overgrote deel van hun gegevens namelijk uit een en dezelfde databank, het Global Historical Climatology Network (GHCN), dat is ondergebracht bij NOAA. Zoals gezegd weigert CRU al jaren zijn ruwe data openbaar te maken. In reactie op Freedom of Information Act-verzoeken van met name McIntyre gaf CRU als reden op dat zijn data elders al beschikbaar waren, namelijk bij GHCN. In diezelfde brief gaf CRU aan dat 98 procent van zijn data bij GHCN vandaan komt. Ook GISS en NOAA gebruiken voornamelijk GHCN-gegevens. Dat de drie groepen tot min of meer dezelfde uitkomsten komen, is dus al minder geruststellend. Ze gebruiken dezelfde input, en weliswaar hebben ze elk hun eigen methode om de data te verwerken tot een mondiaal gemiddelde, maar blijkbaar leveren die methoden nauwelijks verschil op.


Waarom zou ik jou mijn data geven? In 2005 was de Australische scepticus Warwick Hughes de eerste die Phil Jones op de man af vroeg om zijn ruwe temperatuurmetingen. Na wat beleefd heen en weer mailen schreef Jones in februari 2005:30 'Wij hebben iets van 25 jaar geïnvesteerd in dit werk. Waarom zou ik de data


29 aan jou beschikbaar stellen, als jouw doel alleen maar is om er fouten in te ontdekken?' Vanaf 2006 zijn anderen, onder wie Willis Eschenbach, Doug Keenan en Stephen McIntyre,31 de data gaan aanvragen plus een lijst van de weerstations die Jones gebruikt voor het berekenen van de mondiale temperatuur. De lijst met stations werd uiteindelijk vrijgegeven, maar de data zelf en de gebruikte verwerkingsmethode nog altijd niet. In 2009 escaleerde deze strijd om data, nadat Mclntyre via zijn blog lezers opriep massaal Freedom of Information Act-verzoeken in te dienen bij CRU en het Hadley Centre. Aanleiding was dat deze twee instituten beweerden dat ze met verschillende landen overeenkomsten hadden dat de data niet vrijgegeven mochten worden. McIntyre en zijn lezers wilden de bewijzen zien van die overeenkomsten. CRU bleek die niet te kunnen overleggen. De Climategate-e-mails maken duidelijk dat Jones en zijn collega's er gewoon alles aan deden om de data niet te geven.32 Nature besteedde er aandacht aan, waarbij Jones er genadig vanaf kwam.33 Jones meldde dat hij bezig was de data beschikbaar te maken. Inmiddels, een jaar later, is dat nog altijd niet gebeurd. Overigens verwacht McIntyre geen `smoking gun' aan te treffen, in de zin dat Jones fraude zou hebben gepleegd. McIntyre denkt dat Jones weigert zijn data en zijn rekenprogramma's openbaar te maken omdat dan iedereen kan zien dat er nauwelijks werk achter zit, terwijl Jones dA afgelopen decennia miljoenen dollars onderzoeksgeld heeft ontvangen van het Amerikaanse Department of Energy (DOE).34 DOE heeft de financiering van Jones in juli 2010 voor onbepaalde tijd opgeschort.


Dit is de laatste tijd bevestigd in de blogwereld. Diverse bloggers, zowel broeikasaanhangers als sceptici, hebben de databank van GHCN gebruikt om een mondiaal gemiddelde te berekenen.35 De verschillen zijn marginaal, behalve na 1990 als de reeksen uiteen beginnen te lopen. Voor de goede orde, dit betekent niet dat dus alles in kannen en kruiken is, het betekent dat, gegeven de data van GHCN, verschillende verwerkingsmethoden niet leiden tot een radicaal ander eindresultaat. Alles staat of valt dus met de kwaliteit van de GHCN-databank. Ross McKitrick, een Canadese klimaatscepticus die veel heeft samengewerkt met Mclntyre, analyseerde onlangs in een rapport,36 geschreven voor de kritische Britse Global Warming Policy Foundation, de kwaliteit van de GHCN-metingen. Een van de eerste dingen die opvalt, is dat het GHCN-netwerk in 1990 helemaal in elkaar stort. In de jaren zeventig leveren bijna 6000 weerstations metingen aan GHCN. In 1990 duikelt dat naar zo'n 2000 stations en in 2005 is er nog een keer een scherpe afname waardoor er nu nog maar zo'n 1200 stations over zijn die bijdragen aan het mondiale gemiddelde. Om een indicatie te geven hoe vreemd deze situatie is: er zijn nu minder stations 'in gebruik'37 dan aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Die afname is niet gelijk verdeeld over de wereld. Relatief veel stations op hogere breedtegraden (richting de polen) vielen af en ook relatief veel hoger gelegen weerstations. Er verdwenen dus relatief 'koude' stations. Anders gezegd: de gemiddelde temperatuur van de overgebleven stations ging omhoog. Nu hoeft dat op zich nog geen probleem te zijn voor het bepalen van de 'mondiale temperatuur'. CRU, GISS en NOAA bepalen namelijk geen absolute temperatuur, maar alleen een verandering ten opzichte van een referentieperiode (bij GISS bijvoorbeeld 1951-1980).


Toch kan het problematisch zijn als blijkt dat de overgebleven stations dichter bij de bewoonde wereld liggen, wat de invloed van verstedelijking op de temperatuurmetingen mogelijk groter maakt. Een eerste vervolganalyse van een aantal bloggers38 wekt niet de indruk dat de veranderingen de analyse van de mondiale temperatuur hebben verstoord. Maar de vraag blijft,


30 wat dit soort ruwe analyses waard is. Het grootste probleem van de GHCN-databank is het ontbreken van goede metadata over de stations. Metadata zijn gegevens over het station zelf. Zijn er verplaatsingen geweest? Is men overgestapt op nieuwe apparatuur? Op welke tijdstippen vonden de metingen plaats? Ook foto's van de directe omgeving van het station zijn noodzakelijk. Hoe was de situatie rond het station in verschillende periodes? En ten slotte is informatie over de wijdere omgeving belangrijk. Hoe heeft de stad waarin een station ligt zich ontwikkeld? GHCN en ook GISS kennen weliswaar de labels 'ruraal' of 'stedelijk' toe, maar steekproeven van bloggers laten wederom zien dat die kwalificaties twijfelachtig zijn.39 Om te zien hoe fout het kan gaan zonder de juiste metadata, hoeven we alleen maar naar het KNMI-station in De Bilt te kijken. Zoals gezegd heeft het KNMI er alles aan gedaan om te corrigeren voor verplaatsingen en andere trendbreuken. GHCN gebruikt voor de 'ruwe' databank echter de ongecorrigeerde metingen voor De Bilt met een trendbreuk van 1 graad in 1950 (het werd 1 graad 'kouder ' door een verplaatsing en een verandering van weerhut). GISS gebruikt vervolgens deze ruwe metingen en laat daar een computerprogramma op los dat de metingen moet 'homogeniseren'. Dat mislukt volledig, want het eindresultaat lijkt in niets op dat van het KNMI zelf. Dit is natuurlijk zeer onbevredigend. Hebben we eindelijk een weerstation dat perfect onderhouden wordt en een reeks die goed gecorrigeerd is voor veranderingen, en dan wordt deze reeks alsnog totaal verknipt meegenomen in de belangrijkste internationale temperatuurreeksen.40


Wat McKitrick ook zorgen baart, is dat met de dramatische afname van weerstations na 1990 het aandeel van vliegvelden in de databank van GHCN is gestegen tot 50 procent. In de jaren zeventig was dit nog 30 procent. De luchtvaart is sinds 1950 spectaculair gegroeid en met de groei van het aantal passagiers zijn ook de vliegvelden flink uitgedijd en veranderd in 'steden'. Er zijn zoals gezegd geen foto's beschikbaar in de GHCN-databank van de weerstations. Maar uit andere bronnen zijn er enkele foto's van weerstations die vlak naast een start- of landingsbaan staan. Zelfs binnen 'bereik' van de warmte die vliegtuigmotoren produceren. De vraag is dus hoe groot de stedelijke opwarming is rond de luchthavens. Een vraag die zeer moeilijk te beantwoorden is. Feit is dat CRU en NOAA niet corrigeren voor verstedelijking en dat de correcties van GISS, zoals we eerder bespraken, uitermate vreemd zijn (steden die warmer worden gemaakt door de correcties).


Satellieten Roger Pielke jr., hoogleraar milieustudies aan de University of Colorado in Boulder, hoorde zijn vader al jaren klagen over de discutabele temperatuurmetingen.41 Tijdens een familie-etentje wierp junior de volgende vraag op: Als er een 'afwijking' zit in de oppervlaktemetingen, dan zouden satelliet- en oppervlaktemetingen in de loop der tijd toch uit elkaar moeten gaan lopen? Vader en zoon besloten het (met enkele andere onderzoekers) te gaan uitzoeken en inderdaad blijkt dit het geval te zijn.42 Boven land loopt het verschil tussen de temperatuurmetingen en de satellietmetingen op tot 0,5 graad in de afgelopen dertig jaar. Terwijl klimaatonderzoekers het omgekeerde verwachten. Satellieten meten de temperatuur in de troposfeer (de onderste 8 kilometer) en niet die aan het oppervlak. Volgens de broeikastheorie (gestopt in de klimaatmodellen) zou de troposfeer 1,2 keer sneller moeten opwarmen dan het oppervlak en dus niet langzamer, zoals het geval is. Dit onderzoek van de Pielkes is opnieuw een sterke indicatie dat het meetnetwerk op land niet gevrijwaard is van, onder andere, stedelijke opwarming.


31 In diverse interviews heb ik gemerkt dat veel aanhangers van de broeikastheorie de satellietmetingen vreemd genoeg veel onbetrouwbaarder vinden dan de oppervlaktemetingen. Want, zeggen ze, het zijn indirecte metingen (dat klopt) en het vereist heel wat gereken om uit de ruwe metingen een temperatuursignaal te halen (klopt ook). Er zijn echter ook grote voordelen. De satellietmetingen hebben uiteraard een veel betere dekkingsgraad dan het meetnetwerk aan de grond en ze hebben minder last van de effecten van verstedelijking (het effect blijkt ook in de satellietreeks nog steeds zichtbaar, waarover later meer). Een derde voordeel is dat de satellietmetingen gecontroleerd kunnen worden met volledig onafhankelijke metingen, die door weerballonnen zijn gedaan.


Een vierde voordeel is dat er bij de satellietmetingen twee groepen actief zijn die qua opvattingen over klimaat lijnrecht tegenover elkaar staan. De University of Alabama in Huntsville (UAH)-groep bestaat uit de sceptici John Christy en Roy Spencer en de RSS-groep (Remote Sensing Systems) bestaat uit broeikasaanhangers Carl Mears en Frank Wentz. Toch komen hun resultaten inmiddels goed overeen. Ze komen sinds 1979 tot een gemiddelde opwarming van de troposfeer van ongeveer 0,14 graden per decennium (tegenover ongeveer 0,18 graden per decennium aan het aardoppervlak).


Mondiale temperatuur in de troposfeer



Afbeelding 3: De verandering van de temperatuur van de lage troposfeer (0-8 km). De stijgende trend is 0,14 graden per decennium. Bron: UAH.


Aanvankelijk was alleen de UAH-groep actief en die vond helemaal geen opwarming in de satellietreeks. De RSS-groep ontdekte fouten in de UAH-reeks. Die werden door UAH erkend en vervolgens was er wel opwarming waarneembaar, maar minder dan in de oppervlaktereeksen. Het voordeel van de satellietreeksen is dat er vergeleken kan worden met metingen van weerballonnen. Christy en Spencer hebben laten zien dat hun reeks goed overeenkomt met de waarnemingen van weerballonnen.43


Emmertje water halen Een opmerkzame lezer zal nu wellicht bij zichzelf denken: leuk allemaal, die kritiek op


32 temperatuurmetingen op land, maar twee derde van de aarde bestaat uit oceanen en dus zijn die twee keer zo belangrijk voor de mondiale temperatuur als het landoppervlak. Een volledig terecht punt. Over zeewatertemperaturen wordt veel minder gediscussieerd dan over de landmetingen, maar ook die zijn zeker niet zonder problemen. Een voor de hand liggend probleem is de dekkingsgraad. Decennialang werden metingen alleen verricht vanaf schepen en dus langs bekende scheepvaartroutes. Het zuidelijk halfrond bestaat voornamelijk uit oceaan, maar hele delen daarvan zien zelden een schip. Een meting gebeurde aanvankelijk door een emmertje water aan boord te halen en er een thermometer in te steken. Later gingen schepen over op het meten van de temperatuur van koelwater 'dat automatisch via de romp binnenkomt. Tot 1978 werd de temperatuur hoofdzakelijk gemeten vanaf schepen, daarna namen boeien het steeds meer over, zowel verankerde als vrij drijvende boeien. Nog later kwamen er satellieten die de zeewatertemperatuur maten, maar ook die zijn niet zonder problemen. Vooral bewolking verstoort de metingen.


Wat GHCN is voor landmetingen, is de International Comprehensive Ocean-Atmosphere Data Set (ICOADS) voor de zeemetingen.44 Een gigantische databank met zo'n 125 miljoen metingen afkomstig van schepen en nog eens zestig miljoen van boeien. In zijn kritische analyse45 van mondiale temperatuurreeksen schrijft McKitrick dan ook dat ICOADS een zeer grote verzameling van problematische data is. Het meten van de temperatuur door een emmer met water aan boord te halen levert volgens onderzoekers iets te koele waarden op, vanwege verdamping. De methode die later steeds meer is gebruikt, het meten van het koelwater voor de machines, geeft juist iets te hoge waarden. Verreweg de meeste metingen zijn afkomstig van Britse en Amerikaanse schepen. De Britse onderzoekers Chris Folland en David Parker stelden in 1995 in een artikel46 dat er in 1941 een plotselinge overgang was van de ene methode (emmers) naar de andere (koelwater), vooral doordat Amerikaanse schepen tijdens de Tweede Wereldoorlog gewoon metingen bleven doen en de Britten veel minder. De gevolgen van deze aanname zijn gigantisch. Folland en Parker, beiden betrokken bij meerdere IPCC-rapporten, corrigeren de metingen van voor 1941 met wel viertiende van een graad omhoog vanwege de veronderstelde koudeafwijkirtg van de in emmers gemeten tempera- tuur. In 1941 stoppen ze radicaal met deze correctie. Dit leidt niet meteen tot een val van de mondiale zeewatertemperatuur, maar na 1945, als de Britten het stokje weer overnemen van de Amerikanen, gebeurt dat wel. De mondiale zeewatertemperatuur duikelt in een klap 0,5 graad naar beneden. De afname van de mondiale temperatuur tussen 1940 en 1970 is deels het gevolg van deze sprong naar beneden. In 2007 bleek uit een artikel van Elizabeth Kent47 dat de aanname van Folland en Parker (dat er na 1941 niet langer met emmers gemeten werd) niet klopte. Zelfs na 1970 werd er nog veel met emmers gemeten. Stephen McIntyre schatte op zijn blog48 dat in 1970 zelfs nog 90 procent van de metingen gedaan werd met emmers. Pas na 1970 nam het percentage koelwatermetingen toe. Dit betekent dat de enorme val in zeewatertemperatuur na 1945 waarschijnlijk komt doordat de opwaartse correctie van Folland en Parker van 0,4 graden wegviel na 1941. Waarom de temperaturen niet meteen duikelden na 1941, is nog onverklaarbaar. Mogelijk bestond er toch een systematisch verschil tussen de metingen van Amerikaanse schepen (die tussen 1941 en 1945 de overhand hadden) en Britse schepen. Een jaar na de publicatie van Kent publiceerde David Thompson (samen met Phil Jones) een artikel in Nature49 waarin gewezen werd op de enorme `discontinuïteit' in de metingen in 1945.


33 Thompson stelde echter nog geen herziening voor van de mondiale reeks en tot op de dag van vandaag is die er nog niet gekomen.


McKitrick beschrijft in zijn 'kritische analyse' wat nu de mogelijkheden zijn. Als de metingen van na 1945 omhoog getild worden, zodat ze vloeiend overgaan in de oudere metingen, dan wordt de reeks grotendeels vlak tot in de jaren negentig. Als de metingen van voor 1945 naar beneden worden bijgesteld, dan ontstaat er een geleidelijk doorgaande opwarming. In beide gevallen wordt het huidige beeld dat onderzoekers hebben van de opwarming van de afgelopen eeuw drastisch omgegooid. En dat alles als gevolg van een nogal arbitraire correctie! Merk op dat op zee niet de temperatuur van de atmosfeer op twee meter hoogte wordt gemeten, zoals op land gebeurt, maar de temperatuur van het oppervlaktewater zelf. Land- en zeemetingen bundelen tot een mondiaal gemiddelde, is dus enigszins appels en peren ver- gelijken. Er zijn op schepen ook wel metingen gedaan van de atmosfeer, maar vooral overdag heb je last van het feit dat het schip zelf nogal warm kan worden in de zon. Om die reden zouden alleen de nachttemperaturen bruikbaar zijn en is vervolgens gekozen om de watertemperatuur te gebruiken. Veel boeien meten zowel de temperatuur van het water als die van de lucht. CRU beweert op basis van een artikel van Rayner uit 2003,50 dat de overeenkomst tussen zeewatertemperatuur en de temperatuur van de lucht erboven erg goed is. Maar John Christy51 concludeerde in een artikel over de tropen iets heel anders. In alle datasets die hij onderzocht (schepen, weersatellieten, weerballonnen en boeien) warmde het zeewater tussen 1979 en 1999 sterker op dan de lucht erboven. Sterker nog, uit drie datasets bleek dat de lucht in die periode afkoelde met 0,01 tot 0,06 graden per decennium, terwijl het zeewater wel opwarmde. Het is dus mogelijk dat de opwarmende trend overschat wordt door het gebruik van de zeewatertemperaturen in plaats van de luchttemperaturen boven zee.


Accountants Toen Roger Pielke sr. in 2005 zijn artikel publiceerde over de geringe kwaliteit van weerstations in Colorado, was de reactie in de klimaatgemeenschap nogal lauw. Colorado is maar een fractie van de Verenigde Staten, zei men. Daarna toonde Anthony Watts aan dat er overal in de VS problemen zijn. De VS is maar 2 procent van de wereld, klonk het toen. En nu liggen er nieuwe probleemgevallen op tafel buiten Amerika (Nieuw-Zeeland, Rusland, Australië) waarop vanuit de gemeenschap nog nauwelijks gereageerd is. Critici wordt al snel verweten aan stemmingmakerij te doen door dit soort voorbeelden op het internet te plaatsen. Dat verwijt zou terecht zijn als de critici zelf in de voorbeelden het definitieve bewijs zien dat de temperatuurreeksen niet deugen. Dat doen critici als Watts, D'Aleo, Mclntyre, McKitrick en vele anderen echter niet. Mclntyre vergelijkt zijn werk graag met dat van een accountant. Een accountant die de boekhouding van een bedrijf controleert, neemt eerst steekproeven. Komen daarbij problemen aan het licht, dan zal hij zijn onderzoek verder uitbreiden. Precies dit hebben de critici gedaan. Ze hebben steekproeven genomen en vrijwel al die steekproeven hebben problemen aan het licht gebracht met zowel de temperatuurmetingen als de correcties daarop. De drie groepen CRU, GISS en NOAA zouden deze signalen heel serieus moeten nemen, maar helaas geven ze tot op heden geen sjoege. Ze blijven zich verschansen achter het argument 'wij komen onafhankelijk van elkaar tot hetzelfde eindresultaat, dus u kunt ons vertrouwen'. Helemaal treurig is natuurlijk dat CRU weigerde om zijn ruwe metingen en de toegepaste


34 verwerkingsmethode openbaar te maken. Nogmaals, we hebben het hier over de belangrijkste pijler onder de klimaatdiscussie.


Naar aanleiding van Climategate is de roep om de temperatuurmetingen helemaal opnieuw te analyseren steeds luider geworden, ook vanuit IPCC-kringen. Critici zoals Roger Pielke sr., Anthony Watts en Stephen McIntyre juichen zo'n initiatief ook toe. Zij benadrukken wel dat een nieuwe temperatuurreeks alleen zin heeft als je van ieder station foto's gaat verzamelen, evenals alle relevante informatie uit het verleden over verplaatsingen, veranderingen in instrumentatie en veranderingen in het landschap rond het station. Zo'n project zal zeker jaren in beslag nemen. Ook een meer mainstream onderzoeker als de Duitser Hans von Storch vindt dat de mondiale temperatuurreeks helemaal opnieuw samengesteld moet worden, vooral om het vertrouwen van het publiekin de klimaatwetenschap te herstellen. Hij benadrukt echter geregeld dat hij niet verwacht dat zo'n nieuwe reeks zal afwijken van de huidige drie. Toen Der Spiegel52 hem vroeg wat het zou betekenen als er wel een totaal ander resultaat uit zou komen rollen, antwoordde Von Storch: 'Dat zou rampzalig zijn voor het klimaatonderzoek. We zouden dan weer helemaal opnieuw moeten beginnen.'


Meten we klimaat of de groei van steden? De betrouwbaarheid van de drie mondiale temperatuurreeksen van CRU, GISS en NOAA valt of staat met de kwaliteit van de gegevens in de databank van GHCN. Niemand weet hoe goed die data zijn, maar de steekproeven op vele blogs hebben tal van problemen blootgelegd, waarvan verstedelijking waarschijnlijk het grootste is. Hoog tijd derhalve om dieper in te gaan op het effect van verstedelijking. Er is een enorme hoeveelheid wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en de vraag is hoe het IPCC met deze literatuur is omgegaan. Kort sa- mengevat beweert het IPCC dat verstedelijking wel bestaat, maar dat de drie reeksen van CRU, GISS en NOAA er geen last van hebben. Die bewering zullen we nader onderzoeken. Wie 's zomers in Amsterdam tot 's avonds laat in het Vondelpark vertoeft, kent het fenomeen maar al te goed. Eenmaal op de fiets terug naar huis, golft de warmte je tegemoet zodra je het park uit komt. Dit is het urban heat is/and-effect, in lelijk Nederlands het stedelijke warmte-eilandeffect. Het is een allang bekend fenomeen. Het warmte-eiland ligt als een soort koepel over de stad heen. De Canadese emeritus-hoogleraar Tim Oke, een specialist op dit gebied, leidde in 1973 een verband af tussen de grootte van de bevolking en de extra opwarming die deze veroorzaakt. De extra opwarming in het begin, dus bij lage bevolkingsaantallen, stijgt relatief snel en vlakt langzaam af bij extreem grote bevolkingen. Volgens Oke veroorzaakt een dorp van tien inwoners al een extra opwarming van ruim 0,7 °C. Een dorp van honderd inwoners geeft bijna 1,5 °C opwarming, een stadje met duizend inwoners 2,2 °C en een grote stad met een miljoen inwoners maar liefst 4,4 °C. In 1900 leefden er 1,5 miljard mensen op aarde. Inmiddels zitten we op 6,9 miljard. Het is aannemelijk dat veel weerstations gaandeweg de twintigste eeuw opgeslokt zijn door uitdijende dorpen en steden. Klimaatonderzoekers zijn zich uiteraard bewust van het stadseffect. Toch wordt de belangrijkste temperatuurreeks in het IPCC-rapport, die van Phil Jones van CRU, niet gecorrigeerd voor stedelijke opwarming. Het werk van Oke (die gezien wordt als de 'werelddeskundige' maar die zelf niet is betrokken bij het IPCC) is meteen het eerste grote probleem voor de mondiale temperatuurreeksen. Zo gebruikt GISS bijvoorbeeld een grens van 10.000 inwoners om het onderscheid te maken tussen stedelijk en ruraal (plattelands). Maar ten eerste beschikt GISS niet over nauwkeurige bevolkingsgegevens, en ten tweede gaat


35 GISS er dan dus vanuit dat een station dat in een gebied staat met minder dan 10.000 inwoners geen last zou hebben van het urban heat island-effect. GISS corrigeert stedelijke stations met metingen van naburige rurale stations. Hoeveel zin heeft dat, als de rurale stations niet ruraal zijn en zelf ook last hebben van stedelijke opwarming? Dit kan verklaren waarom de helft van de GISS-correcties voor verstedelijking de verkeerde kant op gaat (de steden worden warmer gemaakt).


Verwaarloosbaar Hoe kan het dat CRU niet corrigeert voor verstedelijking? Liggen de weerstations ver van de bewoonde wereld en zijn ze dus immuun geweest voor oprukkende steden? Het korte antwoord is dat niemand het weet. Phil Jones haalt, zoals gezegd, 98 procent van zijn temperatuurmetingen bij GHCN vandaan. Maar ook GHCN zelf beschikt niet over informatie over wat er in de loop der tijd met stations is gebeurd, zoals verplaatsingen, verandering van apparatuur en bebouwing in de omgeving van de weerstations. Er is een aantal studies verschenen in de wetenschappelijke literatuur die in een aantal gebieden 'aantonen' dat er geen verschil is tussen ru- rale en stedelijke weerstations. Een invloedrijke studie53 van Phil Jones hierover stamt al uit 1990. Jones vergeleek in drie gebieden, Siberië, China en Australië, weerstations op het platteland met die in de stad en kwam tot de conclusie dat beide vrijwel evenveel opwarming lieten zien. De studie concludeerde dat verstedelijking hooguit 0,05 graden per eeuw bijdroeg aan de gemeten opwarming: verwaarloosbaar dus. Je zou verwachten dat de studie van Phil Jones uit 1990 waar het IPCC nog steeds op leunt, door andere onderzoekers inmiddels volledig binnenste buiten gekeerd is. Bij gebrek aan de oorspronkelijke data (zie ook het kader hieronder) heeft niemand de resultaten van Jones uit 1990 ooit gereproduceerd, voor zover bekend.


Data kwijt In het artikel van Phil Jones uit 1990 over het urban heat island-effect staat niet welke stations precies gebruikt zijn. Stephen Mclntyre vroeg Phil Jones daarom in 2002 om de exacte meetgegevens die gebruikt waren. Jones antwoordde dat ze ergens op een floppydisk stonden en dat het te moeilijk was om die te vinden. McIntyre drong verder niet aan, maar in 2007, toen bleek dat het vierde IPCCrapport nog altijd naar 'Jones 1990' verwees, vroeg hij de metingen opnieuw aan. Dit keer via een Freedom of Information Act-verzoek, vergelijkbaar met onze Wet Openbaarheid van Bestuur. Aanvankelijk werd het verzoek afgewezen met het argument dat de meetgegevens in een publiek beschikbare databank als GHCN te vinden waren. Een vreemd argument, want je moet dan wel eerst weten welke stations (de namen ervan) gebruikt zijn. Na bezwaar van Mclntyre stelde de University of East Anglia, waar Jones werkt, in tweede instantie alsnog de metingen via een website beschikbaar.54 Hiermee was echter slechts een deel van McIntyres verzoek ingewilligd, want Jones vergeleek destijds de rurale stations met de temperatuurtrends in gebieden. Om de resultaten te kunnen nalopen, moet je dus ook weten welke weerstations Jones voor deze gebieden gebruikte. Een vervolgverzoek hierom van Mclntyre werd afgewezen.55 'We beschikken niet meer over de stationsdata die we in 1990 gebruikt hebben,' aldus de brief van de University of East Anglia. Mijn ervaring is dat klimaatonderzoekers dit antwoord vrij normaal vinden. Wie beschikt er nog over zijn meetgegevens uit 1990?', zeggen ze dan. Of 'Jones kon toch niet weten hoe invloedrijk deze studie later zou worden'. En 'in die tijd was het archiveren van je meetgegevens nauwelijks een issue'.


36 Na de recente commotie rond het IPCC zal de klimaatgemeenschap zich moeten realiseren dat een dergelijke amateuristische houding niet langer acceptabel is. Óf het IPCC zorgt dat alle data netjes gearchiveerd zijn zodat het werk gereproduceerd kan worden, of het IPCC zou het werk niet meer als bewijsstuk moeten opvoeren. Er zijn echter nog geen voorstellen gedaan om zo'n procedure bij het IPCC in te voeren.


Maar ook zonder alle data roept de studie van Jones een boel vragen op. De Australische onderzoeker Warwick Hughes vermoedde begin jaren negentig dat de rurale stations die Jones in Australië gebruikt had, niet vrij waren van stadseffecten. Hij verzamelde meetgegevens56 van stations die in zijn ogen wel echt ruraal waren en vergeleek die met Jones' resultaten en ook met de opwarming in Australische steden. Zijn conclusie was dat rurale stations een opwarming lieten zien van 0,05 graden per tien jaar over de periode 1930 tot 1992; de helft van de opwarming die Jones gerapporteerd had. Het Australische platteland was volgens Hughes dus veel minder opgewarmd dan Jones stelde. Hughes schreef er een wetenschappelijk artikel57 over samen met scepticus Robert Balling, maar dit artikel werd afgewezen.


Een heuse rel Ook bij de resultaten van 'Jones 1990' voor Rusland werden, door Stephen Mclntyre, vraagtekens geplaatst. Maar de meeste discussie, wat heet, een heuse rel, is ontstaan over het Chinese netwerk. In het Nature-artikel schrijft Jones dat hij en zijn collega's stations gebruikten op basis van de stationsgeschiedenis. Alleen stations met weinig tot geen veranderingen in locatie, instrumentatie en tijd van observatie waren meegenomen. Er wordt verwezen naar een Chinees-Amerikaans onderzoek dat een netwerk van 260 stations in kaart gebracht had. Na enig speuren vond Mclntyre dit rapport en tot zijn verrassing schrijft dit rapport juist dat er voor een groot aantal stations (205) geen stationsgeschiedenis beschikbaar is. Jones, of beter gezegd zijn coauteur Wei-Chyung Wang, selecteerde 84 stations, waarvan 42 ruraal en 42 stedelijk. De Britse wiskundige Doug Keenan, zelfstandig onderzoeker, dook in de zaak en concludeerde dat er van 40 van de 42 rurale stations geen gegevens bekend waren. De twee overige stations, waarvan wel iets bekend was, waren in de periode van de vergelijking, 1954-1983, verplaatst. Over negen stedelijke stations was ook niets bekend en de overige 33 waren eveneens verplaatst. In totaal 49 stations voldeden hoe dan ook niet aan de selectiecriteria die in het Nature-artikel genoemd waren. Keenan vond de zaak zo ernstig dat hij Wei-Chyung Wang, die hoogleraar is aan de State University of New York at Albany, in maart 2007 officieel beschuldigde van wetenschappelijke fraude.58 In diverse Climategate-e-mails gaat het over deze affaire. McIntyre verzoekt Jones in juni 2007 per e-mail59 om zijn artikel uit 1990 te corrigeren. Keenan wijst er in een volgende mail op dat Jones in 1990 weliswaar onwetend was van de 'fraude' van Wang maar dat hij in 2001 wel op de hoogte geweest moet zijn, en hij vraagt Jones om een verklaring. Jones deelt de e-mails van McIntyre en Keenan vervolgens met een aantal collega's, onder wie Wang, Tom Wigley en Kevin Trenberth. Jones schrijft onder andere: 'Ik zou nu willen dat ik hen nooit de data gestuurd had na hun -verzoek.' Jones geeft in de e-mails aan dat hij noch Keenan noch Mclntyre zal antwoorden. Trenberth steekt Jones een hart onder riem: 'Houd je taai. (...) Deze gasten antwoorden is zinloos tenzij ze artikelen gaan schrijven.' Tom Wigley, die destijds de directeur was van de Climate Research Unit en dus de baas van Jones, spreekt in een latere Climategate-e-mail60 uit mei 2009 zijn zorgen uit over de affaire. Wigley gaat grotendeels mee in de kritiek van Keenan en uit zich negatief over Wang: 'Ik heb


37 altijd al gedacht dat Wei-Chyung Wang nogal een slordige wetenschapper was. Ik zou niet verbaasd zijn als hij de boel verkloot heeft. (...) Vertrouwde jij W-C W?' De universiteit van Albany onderzocht de zaak, maar pleitte Wang in 2008 vrij. Keenan werd echter niet gehoord bij het onderzoek en vervolgens werd hij niet in de gelegenheid gesteld om het rapport te lezen, omdat hij niet gehoord was. Keenan nam logischerwijs geen genoegen met deze gang van zaken waardoor de zaak zich tot op de dag van vandaag voortsleept. Naar aanleiding van de Climategate-e-mails verscheen er een uitgebreide reconstructie van de affaire in The Guardian,61 normaal gesproken een krant die erg aan de kant van het IPCC staat. Wang verklaarde tegenover The Guardian dat 'we alle details over de stations hadden toen we begonnen aan het artikel, maar dat we die informatie niet meer kunnen vinden'.


Wind Intussen bleven er studies verschijnen over specifieke steden die lieten zien dat het urban heat island-effect behoorlijk groot kan zijn. Als tegenwicht verschenen onder meer twee artikelen van David Parker62 van het Britse Met Office uit 2004 en 2006, net als Jones hoofdauteur van het IPCC-hoofdstuk over temperatuurmetingen. De aanname van Parker is dat het urban heat island-effect het sterkst is tijdens windstille nachten. Je hebt dan weinig menging van de lucht, waardoor de stadswarmte niet afgevoerd wordt. Parker vergelijkt de minimumtemperatuur in nachten met weinig wind met die in nachten met veel wind. Hij vindt geen noemenswaardige verschillen en concludeert daaruit dat het urban heat island-effect dus geen rol speelt. Het IPCC voert beide artikelen ook als zodanig op. In 2005 publiceren Roger Pielke sr. van de University of Colorado en diens toenmalige promovendus Toshihisa Matsui een kritiek63 op Parker. Hun argument is vrij technisch, maar belangrijk voor de discussie over temperatuurmetingen. Zij stellen dat het resultaat van Parker niet kan kloppen omdat de minimumtemperatuur juist heel gevoelig is voor wind. Pielke en Matsui laten zien dat als de nachttemperatuur omhoog gaat, dit vooral dicht bij de grond tot extra opwarming leidt. Dit effect is het sterkst tijdens windstille nachten. De temperatuur dicht bij de grond kan dan wel 10 graden verschillen met de temperatuur op tien meter hoogte. Tijdens nachten met wind is er meer menging in de onderste luchtlaag waardoor het effect gedempt wordt.


Nu worden de oppervlaktetemperaturen op twee meter hoogte gemeten en weerstations pikken deze 'extra' opwarming dus vooral tijdens windstille nachten op. Dit fenomeen leidt daardoor tot een 'vals' signaal van opwarming. Waarbij 'vals' in dit geval niet betekent dat de opwarming niet reëel is, maar dat die opwarming niets te maken heeft met het broeikaseffect. Wat de discussie verwarrend maakt, is dat juist de 'menselijke' uitstoot van CO2 hierbij een rol speelt. De stijging van de CO2-concentratie zorgt namelijk 's nachts voor extra opwarming. Door de temperaturen op twee meter te nemen, overschat je de opwarming. Het gaat Her dus om een lokaal effect van CO2. Pielke en Matsui schatten dat dit proces zo'n 30 procent van de gemeten opwarming op land voor zijn rekening neemt. Overdag, als er veel meer turbulentie in de lucht is, heb je van deze eigenschap minder last. Bij het bepalen van de gemiddelde temperatuur worden de minimum- en maximumtemperatuur echter gemiddeld en zo doet het proces zijn intrede in de maandelijkse en jaarlijkse gemid- delden en uiteindelijk dus ook in de mondiale temperatuurreeksen. Het zou dus beter zijn, aldus Pielke, als je voor temperatuurtrends alleen de maximumtemperatuur zou gebruiken. Dat levert vaak opmerkelijke verschillen op. De Amerikaanse onderzoeker John Christy publiceerde in 2009 64 een artikel over het historische temperatuurverloop in Tanzania en Kenia.


38 De opwarming van deze twee landen vond de afgelopen vijftig jaar alleen plaats in de nachten! De maximumtemperaturen bleven gelijk.


Pielke vindt de oppervlaktetemperatuur trouwens een onbetrouwbare maat voor klimaatverandering.65 Dit vanwege het hierboven beschreven effect, maar ook vanwege alle kwaliteitsproblemen rond weerstations, het stadseffect en de grote hoeveelheid restwarmte die vrijkomt in stedelijke gebieden (door ons energieverbruik). Pielke is een groot voorstander van het gebruik van de ocean heat content, de hoeveelheid warmte in de oceanen, als maat voor klimaatverandering. De warmte-inhoud van de oceanen is ongeveer duizend keer zo groot als die van de atmosfeer. We komen hier aan het eind van dit hoofdstuk nog op terug.


Peterson De artikelen van Parker als bewijs beschouwen dat het urban heat island-effect geen rol speelt in temperatuurmetingen, lijkt op zijn zachtst gezegd nogal voorbarig. Na Jones (1990) en Parker (2004, 2006) blijft er nog één studie over waar het IPCC in deze kwestie op leunt, een artikel van Thomas Peterson66 van NOAA. Peterson vergeleek (in de VS) stedelijke weerstations met weerstations op het platteland. Hij vergeleek de stations over de korte periode 1989 tot 1991. Peterson vond geen aanwijzingen dat het urban heat island-effect de temperatuurmetingen beïnvloedde. In het artikel was geen lijst beschikbaar met de namen van de 289 gebruikte stations. Stephen Mclntyre verzocht Peterson in 2007 per email om deze lijst met namen en kreeg ze per ommegaande. Een van de eerste dingen die Mclntyre opviel, is dat slechts 63 van de 289 sta- tions uit het United States Historical Climatology Network (USHCN) afkomstig waren. Dat is het netwerk dat door CRU, GISS en NOAA gebruikt wordt voor mondiale temperatuurreeksen. Als je wilt aantonen dat deze mondiale reeksen geen last hebben van het urban heat island-effect, dan is het op zijn minst merkwaardig dat minder dan een kwart van de stations uit het USHCN-netwerk komt.


Om te beoordelen of een station stedelijk is of ruraal, gebruikt Peterson net als GISS de hoeveelheid licht die 's nachts vanuit een satelliet gemeten wordt op de locatie van het weerstation. Dit gaf McIntyre de gelegenheid om de indeling van Peterson te vergelijken met die van GISS. Dat leverde een aantal verrassingen op. Van de 63 USHCN-stations die Peterson gebruikte, hadden er negen een GISS-lichtwaarde van nul. Die stations liggen dus in extreem donker en dus ruraal gebied. Van die negen had Peterson er echter drie ingedeeld in de groep stedelijk, namelijk Fort Yates, Utah Lake Lehi en Fort Valley. Van de 48 USHCNstations die Peterson als stedelijk betitelde, hadden er vijftien een GISSlichtwaarde van negentien of minder. Volgens de GISS-criteria zouden dit rurale stations zijn. Peterson onderscheidt in zijn studie veertig clusters, dat wil zeggen gebieden waar hij stedelijke en rurale stations vergelijkt. McIntyre constateerde echter dat er in zes clusters alleen maar stedelijke stations zitten, dus wat vergelijkt Peterson daar eigenlijk met wat? In de lijst met stedelijke stations zijn ook 'steden' opgenomen die je op z'n zachtst gezegd niet echt metropolen kunt noemen zoals Wahpeton (North Dakota) en Hankinson (North Dakota). Het volgende dat McIntyre deed, was van alle stations de ruwe temperatuurmetingen uitzetten in een grafiek. Want, schrijft McIntyre, hoe goed je correcties op de ruwe data wellicht ook zijn, het is altijd goed om te weten hoe de oorspronkelijke metingen eruitzagen. McIntyre beperkte zich niet tot de jaren 1989-1991, maar gebruikte alle data die beschikbaar waren. Het resultaat


39 was opnieuw verrassend.67 Ondanks het feit dat er een versmelting is tussen de soorten stations (rurale die bij stedelijk zijn ingedeeld en omgekeerd) is er in de ruwe metingen wel degelijk een duidelijk verschil te zien tussen de stedelijke en de rurale stations. Het verschil uitgedrukt in een trend bedraagt maar liefst 0,7 graden per eeuw, vergelijkbaar dus met het 'global warming'-effect. Omdat er in de categorie 'stedelijk' nog 'steden' zaten die nauwelijks meer dan een dorp genoemd kunnen worden, paste McIntyre een extra correctie toe. Hij selecteerde die steden met een major league franchisevestiging,68 een groot professioneel sportteam. Plaatsen als Snoqualmie Falls (Washington) en Pine Bluff (Arkansas) vallen daarmee af en je houdt 'echte' steden over. De verschillen tussen stedelijk en ruraal waren na deze correctie aanzienlijk opgelopen, tot 2 graden per eeuw! Volgens deze studie heeft verstedelijking dus wel degelijk effect op de gemeten temperaturen.


De exercitie van McIntyre is wel een beetje appels met peren vergelijken. Peterson merkt in zijn artikel op dat hij juist bewust niet koos voor een langere periode (McIntyre wel). Want het gevaar bestaat dat je dan vooral zit te kijken naar rare uitschieters en niet naar het effect van urbanisatie, aldus Peterson. Overigens komt Peterson wel enigszins tot vergelijkbare conclusies als McIntyre. Ook hij constateert namelijk dat er in de ruwe metingen een verschil is tussen stedelijke en rurale stations. De stedelijke zijn gemiddeld over een jaar 0,3 graden warmer. Maar na allerlei beno- digde correcties -- voor onder andere de hoogte, de breedtegraad, instrumentatie, het tijdstip van meten -- is er geen verschil meer tussen de stedelijke en de rurale stations. McIntyre vraagt zich echter af of dit de verschillen in trends kan verklaren die hij vindt.


Bloeiende economie geeft opwarming Alle door het IPCC opgevoerde 'bewijzen' dat verstedelijking geen rol speelt in de mondiale temperatuurreeksen, zijn te beschouwen als deeltesten die voorafgaan aan het grote werk zelf. Het zou natuurlijk heel logisch zijn om ook achteraf het eindresultaat te testen op de invloed van urbanisatie en economische ontwikkeling. Zijn die invloeden echt verwijderd uit de mondiale temperatuurreeks? In 2004 verschenen er twee wetenschappelijke artikelen die precies dat deden. Patrick Michaels en Ross McKitrick in de ene studie69 en Jos de Laat (die destijds bij ruimteorganisatie SRON werkte en tegenwoordig bij het KNMI) en Ahilleas Maurellis in de andere studie70 namen de mondiale temperatuurreeks van CRU en onderzochten of het patroon van opwarming op land op de een of andere manier te koppelen was aan economische grootheden. Michaels en McKitrick, twee internationaal bekende klimaatsceptici, gebruikten het bruto birmenlands product, bevolking, inkomen per hoofd van de bevolking en het gebruik van steenkool. De Laat en Maurellis pakten het iets anders aan. Zij gebruikten de emissie van CO2 als maat voor industrialisatie en onderzochten dus of gebieden met veel CO2-uitstoot wellicht sterker opwarmen dan gebieden met weinig CO2-uitstoot. Volgens de broeikastheorie zou dat niet het geval moeten zijn, omdat CO2 zich snel verspreidt over de atmosfeer. Beide teams vonden zeer sterke verbanden tussen economische ontwikkeling/industrialisatie en de gemeten temperatuur op land, en toonden daarmee aan dat de CRU-temperatuurreeks niet vrij is van economische effecten. De Laat en Maurellis toonden bovendien aan dat het effect zelfs terug te vinden is in de temperatuurmetingen van de troposfeer, die gedaan worden vanuit satellieten. De troposfeer boven gebieden met veel CO2- uitstoot warmt sterker op dan die boven gebieden met weinig CO2- uitstoot. Dit komt gedeeltelijk door de grote hoeveelheid afvalwarmte die wij produceren


40 door ons energieverbruik. De Laat en Maurellis vergeleken de patronen in de observaties met die van klimaatmodellen. Die modellen laten het gevonden patroon van opwarming niet zien. Dat is belangrijke informatie, want het duidt erop dat modellen te veel opwarming toekennen aan broeikasgassen. In 200671 en 2007 72 publiceerden De Laat en Maurellis en Michaels en McKitrick vervolgstudies. Michaels en McKitrick becijferden dat door de 'vervuiling' van de temperatuurmetingen met economische factoren de opwarming op land sinds 1980 waarschijnlijk met 50 procent overschat wordt. De Laat en Maurellis lieten in hun vervolganalyse zien dat het effect sterker is in de winter en 's nachts. Dit snijdt hout als we terugdenken aan de studie van Pielke en Matsui. 's Zomers en overdag is er veel turbulentie in de atmosfeer en afvalwarmte die vrijkomt door ons ener- gieverbruik zal zich relatief gemakkelijk verspreiden. Maar 's nachts is er minder turbulentie, waardoor de warmte blijft hangen en de koppeling tussen energieverbruik en opwarming dus sterker wordt. Hetzelfde geldt voor de winter, waarin er minder turbulentie in de lucht is.


Overigens is restwarmte slechts een van de kandidaten die het gevonden patroon kan verklaren. Een andere mogelijke factor die De Laat en Maurellis noemen, is verstedelijking die leidt tot een verandering in de weerkaatsing van zonlicht door het oppervlak. Ook verdroging kan een rol spelen. Voor verdamping is namelijk energie nodig en minder verdamping betekent meer opwarming van de lucht. Een andere kandidaat is roet. Roetdeeltjes absorberen zonlicht en warmen de lucht op. Hoe dan ook, de studies maken duidelijk dat niet alle opwarming in de reeksen van CRU, GISS en NOAA zomaar toegeschreven kan worden aan broeikasgassen. Dit raakt derhalve de kern van de zaak.


Bagger Een eerste aanwijzing voor hoe het IPCC deze twee 'sceptische' artikelen (want ze zwakken het belang van broeikasgassen af) zou gaan behandelen, vinden we in een van de bekendst geworden Climategatee-mails, geschreven in juli 2004. Phil Jones, die dan al weet dat hij coordinating lead author (de 'hoogste' positie binnen het schrijversteam) zal worden van het IPCC-hoofdstuk waarin deze twee artikelen thuis horen, schrijft aan Michael Mann 73: 'Dat andere artikel van MM is echt bagger -- zoals je weet. (...) Ik kan het niet verdragen dat een van beide artikelen in het volgende IPCC-rapport zou staan. Kevin en ik zullen ze er op de een of andere manier uit houden, zelfs als we daarvoor moeten herdefiniëren wat peer reviewed literatuur is!' MM staat voor het artikel van Michaels en McKitrick uit 2004. Het andere artikel dat niet met name genoemd wordt, is dat van De Laat en Maurellis. Kevin is Kevin Trenberth, de andere coordinating lead author van het desbetreffende IPCC-hoofdstuk. Dit klinkt als stoere kwajongenstaal, maar we moeten weer even bedenken dat deze e-mails uiteraard nooit bedoeld waren om in de openbaarheid te komen. Een jaar later ontvangt McKitrick, die expert reviewer was van het IPCC-rappport, de eerste conceptversie van het vierde IPCC-rapport. Phil Jones heeft zijn voornemen verwezenlijkt. Beide artikelen worden niet genoemd. McKitrick wijst als reviewer de auteurs op deze 'tekortkoming' en verwijst daarbij ook naar het artikel van De Laat en Maurellis. Weer een jaar later volgt de tweede conceptversie en opnieuw geen woord over de twee artikelen. Opnieuw wijst McKitrick als expert reviewer de IPCC-auteurs hierop. In het definitieve rapport is er plots toch een passage opgenomen over beide artikelen. Let wel, deze alinea is pas in de laatste fase toegevoegd en dus heeft McKitrick niet meer de mogelijkheid


41 gehad om er commentaar op te leveren. Na het verschijnen van het vierde IPCC-rapport zijn alle commentaren van expert reviewers en de antwoorden daarop van IPCC-auteurs openbaar gemaakt.74 Daaruit blijkt dat de opmerking van McKitrick in het tweede conceptrapport was 'afgewezen'. Volgens de IPCC-auteurs vielen gebieden met hoge economische ontwikkeling toevallig samen met veel opwarming. Volgens de auteurs kwam dit niet door economische factoren zoals Michaels en McKitrick beweerden, maar door het sterker worden van de Arctische oscillatie, een natuurlijke schommeling in het klimaat. Er werd ook nog even verwezen naar de studie van Parker, die aantoonde dat urbanisatie geen invloed heeft. McKitrick vindt het antwoord zeer ironisch. Hij en Michaels tonen aan dat er antropogene (menselijke) invloeden zitten in de mondiale temperatuurreeks. Het zijn echter andere effecten dan CO2. Het IPCC accepteert deze peer reviewed informatie niet en schrijft de veranderingen toe aan natuurlijke oorzaken. De Arctische oscillatie drukt uit of de luchtdruk boven de Noordpool boven of beneden normaal is. De Arctische oscillatie is nauw verwant aan de Noord-Atlantische oscillatie (NAO) die wij in Europa hanteren. Die wordt berekend uit het luchtdrukverschil tussen IJsland en de Azoren. Het antwoord is ironisch omdat elders in het IPCC-rapport, waar het IPCC de oorzaken van klimaatverandering bespreekt, de Arctische oscillatie niet eens opgevoerd wordt als verklaring voor opwarming in het Arctische gebied zelf. Nu zou dezelfde natuurlijke oscillatie opeens patronen van opwarming op land tot aan Zuid-Amerika en Afrika verklaren? Ronduit belachelijk, aldus McKitrick. De alinea in het IPCC-rapport zelf (hoofdstuk 3, pagina 244) verraadt alleen al door het taalgebruik hoe de auteurs over de artikelen denken. Eerst staat er: 'Michaels en McKitrick en De Laat en Maurellis probeerden aan te tonen dat...' Normaal in dit soort situaties is om te schrijven 'toonden aan' of 'lieten zien'. Vervolgens weerleggen ze de studies door op te merken dat gebieden met sterke economische ontwikkeling tevens het sterkst zijn opgewarmd door veranderingen in atmosferische circulatie (ze noemen de Arctische oscillatie hier niet, maar dat valt ook onder de noemer atmosferische circulatie). Hierdoor is de correlatie tussen economische ontwikkeling en opwarming niet langer statistisch significant, aldus het IPCC. Beide argumenten zijn volgens McKitrick totaal ad hoc. Er wordt weliswaar verwezen naar andere secties in het IPCC-rapport, maar daar wordt helemaal niet aangetoond dat veranderingen in atmosferische circulatie het patroon van opwarming op land kunnen verklaren. De opmerking over statistische significantie is nog interessanter, want het suggereert dat de IPCC-auteurs zelf berekeningen hebben uitgevoerd. Die berekeningen worden echter nergens getoond. Ook verwijst het IPCC ter onderbouwing van zijn claims niet naar peer reviewed publicaties. Voor McKitrick blijft er maar één conclusie over: de argumenten van het IPCC zijn verzonnen.75 Hoewel het natuurlijk aan de IPCC-auteurs was om hun kritiek te onderbouwen met deugdelijke peer reviewed argumenten, had McKitrick het grijze vermoeden dat ze dat niet alsnog gingen doen. McKitrick testte daarom zelf of veranderingen in atmosferische circulatie zijn resultaten niet meer statistisch significant maakten. Dat bleek niet het geval. Hij schreef een artikel en diende het in bij maar liefst zeven tijdschriften. Het werd zeven keer afgewezen, soms om de vreemdste redenen. Eén redacteur verwierp het omdat McKitrick zich richtte op slechts één zin in het IPCC-rapport. Dat was een te smalle basis voor een artikel. Misschien deugde het artikel gewoon niet? Nou, reviewers van een statistisch tijdschrift waren heel positief en ontdekten geen fouten in de analyse. De gebruikte technieken waren alleen te standaard om plaatsing in een statistisch tijdschrift mogelijk te maken. Uiteindelijk is het artikel geaccepteerd in een nieuw tijdschrift, Statistics, Politics and Policy, waar het in de zomer van


42 201076 verscheen. Hoe het IPCC omging met de artikelen van Michaels en McKitrick en De Laat en Maurellis legt een van de zwakke plekken van het IPCC bloot. Hoofdauteur Phil Jones staat voor de taak om op een 'allesomvattende, objectieve, toegankelijke en transparante wijze' de relevante literatuur samen te vatten. Hij slaagt hier niet in omdat hij binnen het IPCC-rapport zijn eigen werk aan het verdedigen is. Jones vindt dat 'zijn' mondiale temperatuurreeks niet gecorrigeerd hoeft te worden voor verstedelijking, maar Michaels en McKitrick en De Laat en Maurellis tonen aan dat het eindproduct van Jones nog steeds duidelijkesporen van verstedelijking en economische ontwikkeling vertoont. Een cruciaal issue is door het IPCC onder het tapijt geveegd, mede door belangenverstrengeling van de hoofdauteurs.


Is de opwarming van de aarde gestopt? De afgelopen jaren is er eindeloos gediscussieerd tussen sceptici en aanhangers van de broeikashypothese over de vraag of de opwarming van de aarde gestopt is. Sinds 1998 is de temperatuur afgenomen. Vriend en vijand zijn het er wel over eens dat het oneerlijk is om dat jaar als startpunt te gebruiken. De opwarming van 1998 was het gevolg van een krachtige El Niño (de natuurlijke klimaatschommeling in de Grote Oceaan). Broeikasaanhangers benadrukken dat het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw warmer was dan de jaren negentig van de vorige eeuw en dat er dus nog steeds opwarming is. Ze hebben gelijk. Sceptici wijzen op de satellietmetingen die vanaf 2001 een licht dalende trend laten zien. Ze hebben ook gelijk. Met deze discussie schieten we dus niet al te veel op. De Amerikaanse onderzoekster Lucia Liljegren vergelijkt op haar blog geregeld77 hoe goed de 'voorspellingen' van de klimaatmodellen sinds 2001 overeenkomen met de waarnemingen. Ze gebruikt heel bewust zooi omdat de economische scenario's van het IPCC in dat jaar ingaan en er dus vanaf 2001 sprake is van 'voorspellen'. Uit haar analyses blijkt dat de verschillende waarnemingen (oppervlaktetemperaturen en satellietmetingen) flink afwijken van de modellen die een opwarming van 0,2 graden per tien jaar 'voorspellen'. De stagnatie in de opwarming, die de afgelopen tien jaar optrad, is dus niet voorzien door de klimaatmodellen. In een van de Climategate-e-mails78 liet de invloedrijke IPCC-onderzoeker Kevin Trenberth zich ontvallen: 'Het feit is dat we het gebrek aan opwarming niet kunnen verklaren en dat is een aanfluiting. De CERESdata [satellietmetingen van straling boven in de atmosfeer, red.] laten zien dat er zelfs meer opwarming zou moeten zijn- de data zijn vast en zeker verkeerd. Onze waarnemingen zijn ontoereikend.' Deze ontboezemingen deed Trenberth in oktober 2009, vlak voordat Climategate uitbrak. Begin 2010 kreeg Trenberth van zowel Science79 als Nature80 de gelegenheid om uit te leggen wat hij precies bedoelde. In het Science-artikel legt Trenberth uit dat de meeste warmte sinds 1950 in de oceanen is gaan zitten. Maar sinds 2004 lijkt de opname van warmte door de oceanen gestopt. Waar is die warmte gebleven? vraagt hij zich nogmaals hardop af. Sinds 2004 is er een nieuw en ongekend uitgebreid meetnetwerk actief in de oceanen, het Argo-netwerk.81 Drieduizend vrij drijvende boeien meten de temperatuur van de oceanen tot 2000 meter diepte. Deze robotboeien duiken zelfstandig onder water. Uit de metingen kan de totale warmte-inhoud van de oceanen berekend worden. Sinds 2004 is de lijn vlak. De oceanen nemen geen warmte op, terwijl je dat wel zou verwachten gezien de toename van broeikasgassen. De toegenomen aandacht voor de warmte-inhoud van de oceanen is een 'overwinning'82 voor Roger Pielke sr., die er al sinds 200383 voor pleit dat dat de beste maat is voor de opwarming, dan wel afkoeling van de aarde. De warmte-inhoud van de oceanen is duizend keer zo groot als die van de atmosfeer en als het door de mens versterkte broeikaseffect ergens zichtbaar zou


43 moeten zijn, dan is het wel in de oceanen. Trenberth erkende overigens al in 200884 dat de 'ontbrekende warmte' waarschijnlijk ontsnapt is naar de ruimte. Pielke sr. benadrukt op zijn blog85 geregeld dat klimaatmodellen (die het klimaat zo goed mogelijk proberen te simuleren) deze stagnatie van de opwarming van de ocea- nen niet zagen aankomen. Hoewel de periode nog relatief kort is, gaat het jaarlijks om een heleboel energie die zich volgens de broeikashypothese in het klimaat had moeten ophopen. Het IPCC heeft tot nu toe nauwelijks oog gehad voor de warmte-inhoud van de oceanen, wat wellicht begrijpelijk is gezien het feit dat het Argo-netwerk pas sinds 2004 in werking is. Gezien de enorme problemen die er zijn met de temperatuurmetingen en het feit dat de oceanen veel meer warmte kunnen opslaan dan de atmosfeer, wordt het echter hoog tijd dat het IPCC het belang van de mondiale temperatuurreeks afzwakt en zich in het volgende rapport, dat in 2013 of 2014 zal verschijnen, meer focust op de warmte-inhoud van de oceanen. De warmte-inhoud van de oceanen is, zoals gezegd, sinds 2004 niet of nauwelijks toegenomen. Dit betekent dat er sinds 2004 geen `global warming' is. Deze conclusie is veel belangrijker dan het gekibbel over de toch al zo problematische temperatuurmetingen. Als de oceanen de komende jaren niet opwarmen, dan is er iets fundamenteel mis met de broeikashypothese.




44 HOOFDSTUK 3


Is de huidige opwarming uniek? Het klimaatpanel concludeert dat de huidige opwarming uniek is en impliceert daarmee dat deze boven de natuurlijke variatie in de temperatuur uitstijgt. Dit maakt het aannemelijker dat broeikasgassen momenteel de aarde opwarmen, althans volgens het IPCC. Twee sceptische wetenschappers, Stephen McIntyre en Ross McKitrick, hebben echter aangetoond dat de onderbouwing van de 'nieuwe' klimaatgeschiedenis uitermate gammel is.


Er kleven heel veel problemen aan temperatuurmetingen, dat hebben we in hoofdstuk 2 wel kunnen zien. Toch staat het vast dat de aarde de afgelopen eeuwen warmer is geworden. Gletsjers begonnen zich rond 1850 terug te trekken en doen dat nog steeds. Maar is deze opwarming uniek in de recente geschiedenis van de aarde? Uit de geschiedenisboekjes weten we bijvoorbeeld dat de Vikingen zich rond het jaar l000 eerst op IJsland en later op Groenland vestigden. Ze bedreven gedurende enkele eeuwen landbouw op Groenland. In diezelfde periode was er wijnbouw in Engeland. De periode van pakweg 950 tot 1250 staat sinds jaar en dag dan ook bekend als de 'warme middeleeuwse periode'. Begin vijftiende eeuw werd het kouder op Groenland. De Vikingen waren gedwongen om het land te verlaten. Ook in Europa werd het koud, getuige de vele winterlandschappen van schilders in de eeuwen daarna. Er werd geregeld geschaatst op de Theems. Deze koudeperiode zou duren van ongeveer 1300 tot 1850 en wordt 'de kleine ijstijd' genoemd. Het is inmiddels ook bekend dat de kleine ijstijd van 1300 tot 1850 samenviel met een geringe activiteit van de zon. Het aantal zonnevlekken op de zon is een maat voor die activiteit en die wordt sinds 1600 bijgehouden. Rond 1700 werd het 'muisstil' op de zon. Er was jarenlang geen zonnevlek te bespeuren. Na die periode werd de zon steeds actiever. Is er wellicht een verband tussen zonneactiviteit en temperatuurschommelingen (zie ook hoofdstuk 5)?


Is de huidige opwarming uniek? Dat is een belangrijke kwestie omdat het een indruk geeft van de schommelingen die het klimaat van nature al ondergaat. Als het klimaat inderdaad erg gevoelig is voor de uitstoot van broeikasgassen, dan moet het klimaat vroeg of laat uitstijgen boven deze natuurlijke schommelingen en dus 'unieke' temperatuurwaarden bereiken. Deze kwestie is de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een van de meest omstreden onderwerpen in het klimaatdebat. Het IPCC 'herschreef' geleidelijk het geaccepteerde beeld van de klimaatgeschiedenis, namelijk dat van afwisselende warme- en koudeperiodes, en stelde dat die schommelingen uit het verleden in het niet vielen bij de huidige opwarming. Dat opzienbarende nieuwe inzicht werd vervolgens ter discussie gesteld door enkele critici. Het werd een strijd van David tegen Goliath. Twee op het oog onbeduidende buitenstaanders tegen- over het IPCC.


Weg met die warme middeleeuwen! Warm rond het jaar 1000, koud rond 1700 en daarna weer opwarming. Dat was lang het algemeen geaccepteerde beeld onder klimaatonderzoekers. Kijk ook eens naar de grafiek (zie afbeelding 4) uit het eerste IPCC-rapport (1990). Klimaatsceptici laten dit plaatje nog altijd graag zien in presentaties. De herkomst was lange tijd onduidelijk. Later bleek dat de grafiek de temperatuurgeschiedenis van Engeland weergeeft. Het was dus merkwaardig om dat op te voeren als reconstructie van het hele mondiale klimaat.


45 Maar het illustreert in ieder geval wél dat IPCC-auteurs rond 1990 nog van mening waren dat het rond het jaar 1000 minstens zo warm was als nu. Zonder een duidelijke verklaring voor die warme periode is het moeilijker hard te maken dat er nu een unieke opwarming is door de uitstoot van broeikasgassen. De behoefte aan goede informatie over de afgelopen duizend jaar werd daarom steeds groter.



Afbeelding 4: Schematische weergave van de mondiale temperatuurverandering. Bron: eerste IPCC-rapport, 1990.


Maar hoe pak je zoiets aan? Directe temperatuurmetingen zijn er pas op grote schaal vanaf 1850. Langer geleden beschikken onderzoekers alleen maar over indirecte temperatuurmetingen. Die indirecte metingen worden proxy's genoemd, een begrip dat nog vaak zal terugkomen. Veelgebruikte proxy's zijn boomringen, ijskernen, koralen en sedimentlagen op de bodem van de oceaan. Uit de breedte van boomringen (jaarringen) kun je bijvoorbeeld informatie halen over de temperatuur in dat jaar. Hoe breder de ring, hoe warmer het was, is het idee. In het ideale geval zijn proxy's goed te dateren en ook nog eens een goede maat voor de temperatuur. In de praktijk bestaan zulke ideale gevallen echter niet. Aan iedere proxy kleven flink wat onzekerheden. Met die onzekerheden in hun achterhoofd, zijn onderzoekers de proxy's, wat oneerbiedig gezegd, op een hoop gaan gooien. Deze aanpak leidde geleidelijk aan tot een herschrijving van de geschiedenis. Een eerste opvallende studie, van de Britse onderzoeker Keith Briffa, concludeerde in 1995 dat het jaar 1032 het koudste jaar van het millennium was geweest. Een opmerkelijke conclusie, want 1032 viel midden in de 'warme middeleeuwen'. In 1995 publiceerde aardwetenschapper David Deming van de University of Oklahoma een temperatuurreconstructie van Noord-Amerika aan de hand van boringen in gesteente. Deming concludeerde dat Noord-Amerika de afgelopen 150 jaar iets was opgewarmd. Niet erg


46 wereldschokkend, maar Deming slaagde er wél in om het werk in het wetenschappelijke topblad Science1 gepubliceerd te krijgen. Later maakte Deming bekend dat hij daarna een e-mail had ontvangen van een invloedrijke klimaatonderzoeker die schreef: 'We moeten zien af te komen van de warme middeleeuwse periode' (zie ook het kader hieronder).


Overpeck en Climategate David Deming heeft nooit bekend willen maken wie de afzender van de opzienbarende e-mail was met de boodschap 'We moeten zien af te komen van de warme middeleeuwse periode'. Maar de naam die circuleert, is Jonathan Overpeck van de University of Arizona. Overpeck komt veelvuldig voor in de Climategate-e-mails en hij was coordinating lead author van het hoofdstuk over paleoklimatologie (de geschiedenis van het klimaat) in het vierde IPCC-rapport. Een aantal Climategate-e-mails gaat daadwerkelijk over deze kwestie. Overpeck mailt collega's dat hij het zich oprecht niet meer herinnert of hij het was. Maar veel problemen lijkt hij ook niet met de formulering te hebben, want in een e-mail in 20052 schrijft hij aan lead authors Keith Briffa en Tim Osborn dat hij het gevoel heeft niet de enige te zijn die de warme middeleeuwse periode de genadeklap wil geven. Sceptici en leken bleven immers maar naar deze periode verwijzen als natuurlijke variant van de huidige opwarming. En dat is pure onzin, aldus Overpeck.


De geboorte van de hockeystick Het is aannemelijk dat sommige wetenschappers graag af wilden van de warme middeleeuwse periode. Een doorbraak was een artikel in 1998 in Nature.3 Op basis van honderden proxy's, het merendeel boomringen, hadden de Amerikaanse onderzoekers Michael Maan, Ray Bradley en Malcolm Hughes een reconstructie gemaakt van de temperatuur op het noordelijk halfrond vanaf het jaar 1400. Het resultaat was een grafiek (afbeelding 5) die, vanwege zijn vorm, spoedig bekend zou komen te staan als 'de hockeystick'. Vanaf 1400 was er nauwelijks sprake van grote klimaatschommelingen. Tot 1900. Dit is de steel van de ijshockeystick. Na 1900 schiet de grafiek ineens de lucht in. Dit stuk vertegenwoordigt het blad van de hockeystick. In 1999 breidden de drie auteurs hun reconstructie verder uit naar het jaar 1000 met een artikel in Geophysical Research Letters.4 De steel werd er nog langer door en de suggestie die van de grafiek uitging, werd alleen maar sterker. Namelijk dat een vrij stabiel klimaat in de twintigste eeuw wreed verstoord is. De grafiek werd samengevat met de claim dat 1998 het warmste jaar van het millennium was. Niet het blad maar vooral de lange steel van de hockeystick baarde opzien onder onderzoekers. Dat de temperatuur in de twintigste eeuw omhoog gaat, weten we ook wel uit directe temperatuurmetingen (hoe onzeker die ook zijn). Maar dat het klimaat van nature zo 'stabiel' is, dat was het nieuwe inzicht dat de auteurs presenteerden. We zullen verderop zien dat dit 'inzicht' cruciaal is voor de broeikastheorie. Want als natuurlijke factoren nauwelijks tot schommelingen in het klimaat leiden, dan kan de recente opwarming bijna alleen maar verklaard worden door broeikasgassen. Dit bruggetje naar de broeikastheorie slaan Mann, Bradley en Hughes ook in hun Nature-artikel. Met bekende klimaatfactoren zoals de zon, vulkanen en broeikasgassen is de gereconstrueerde grafiek volgens hen goed te verklaren. CO2 is de dominante factor in de twintigste eeuw. Zo slaan de auteurs twee vliegen in een klap. Het algemeen geaccepteerde beeld van de recente klimaatgeschiedenis werd volledig op zijn kop gezet. De warme middeleeuwen en de kleine ijstijd zijn hooguit regionale fenomenen geweest, want gemiddeld over het hele noordelijk halfrond zijn ze onzichtbaar En de dramatische opwarming sinds 1900, die komt door de


47 uitstoot van broeikasgassen.



Afbeelding 5: Reconstructie van de temperatuur op het noordelijk halfrond gebaseerd op proxy's zoals boomringen en koralen. De reconstructie loopt tot 1980. De lijn die verder loopt tot 1998 is de gemeten temperatuur met thermometers. Bron: GRL 1999.


'David' McIntyre De twee artikelen van Mann, Bradley en Hughes maakten internationaal furore. Hoewel Michael Mann een nieuwkomer in de wetenschappelijke wereld was (hij promoveerde in 1998), werd hij aangesteld als lead author van het hoofdstuk over paleoklimatologie in het derde IPCCrapport (2001). In dat hoofdstuk en ook elders werd de hockeystick prominent naar voren geschoven. In totaal verscheen de grafiek zeven keer in verschillende delen van het rapport, waaronder de belangrijke Samenvatting voor beleidsmakers. Je kunt gerust stellen dat het IPCC van de hockeystick een icoon maakte. Dit icoon werd vervolgens als instrument ingezet om de wereld ervan te overtuigen dat er iets met ons klimaat aan de hand is. Dit was ook de manier waarop de Canadees Stephen McIntyre in aanraking kwam met de hockeystick. In Canada verspreidde de overheid in 2002 huis-aan-huisbrochures om burgers te overtuigen van de noodzaak van het Kyoto-verdrag. Canada had dat verdrag nog niet geratificeerd. McIntyre wist dat de Vikingen rond het jaar l000 naar Groenland waren gegaan en vroeg zich af hoe men wist dat 1998 het warmste jaar van het millennium was. McIntyre studeerde wiskunde aan de University of Toronto en was daarna altijd werkzaam geweest in de mijnbouw. Die achtergrond zou mede bepalen waarom McIntyre later zo is


48 gebotst met de gemeenschap van klimaatonderzoekers. Zijn tegenstanders zouden hem in de hoek drukken van 'de industrie' en daarmee suggereren dat hij er financieel belang bij zou hebben om twijfel te zaaien over de ernst van het klimaatprobleem. Maar juist doordat hij uit de industrie kwam, was McIntyre gewend aan strenge regels voor het openbaar maken van gegevens. Die regels zijn nodig omdat er veel geld gemoeid is met mijnbouwprojecten. Als een bedrijf denkt dat er ergens winbare hoeveelheden delfstoffen in de bodem zitten, dan worden er investeerders gezocht. Er volgt een proces dat vergelijkbaar is met de uitgifte van aandelen. Er is een zogenoemd due diligence-pakket beschikbaar met alle belangrijke informatie rond zo'n project, waaronder geologische gegevens. Bedrijven zijn juridisch verplicht om daarin ook ongunstige informatie te vermelden. McIntyre had jarenlang zulke pakketten beoordeeld en wist daarom hoe belangrijk het is om naar de oorspronkelijke data te kijken en niet alleen naar de grafieken die bedrijven je voorschotelen. Vaak zijn er enkele data die het eindresultaat sterk beïnvloeden en hij vroeg zich af of dat bij de hockeystick ook het geval was. Zijn intuïtie zou hem niet bedriegen, maar er was nog een lange weg te gaan voordat hij daar definitief achter was.5


Napluizen McIntyre zocht op internet naar een soort due diligence-pakket achter de hockeystick-studie, maar kon niets vinden. Begin 2003 besloot hij daarom een e-mail te sturen naar Michael Mann met de vraag waar hij alle data die gebruikt waren voor de twee hockeystick-artikelen kon vinden. Mann antwoordde dat er een server moest zijn met alle data, maar dat hij vergeten was waar precies. Daarna liet een collega van Mann weten dat die server er niet was, maar dat hij de gegevens voor McIntyre bij elkaar kon zoeken. Op dat moment realiseerde McIntyre zich dat er waarschijnlijk nooit iemand naar de originele gegevens achter de hockeystick had gekeken. Dit intrigeerde hem zo dat hij besloot het zelf te gaan doen. Het zou uiteindelijk bijna twee jaar duren voordat McIntyre erachter was wat Mann, Bradley en Hughes precies gedaan hadden. Via een internetforum voor klimaatsceptici was McIntyre in contact gekomen met zijn landgenoot Ross McKitrick, die we in hoofdstuk 2 al voorbij hebben zien komen in verband met zijn kritiek op temperatuurmetingen. De twee besloten samen te gaan werken. McIntyre deed voornamelijk het speurwerk, McKitrick hielp bij het schrijven van wetenschappelijke artikelen. McIntyre begon de meetseries (vooral uit boomringen) één voor één na te pluizen en te vergelijken met de versies die gearchiveerd waren (onder andere in de International Tree Ring Data Base, ITRDB). De gegevens van Mann bleken te wemelen van de fouten. Series waren bijvoorbeeld gekoppeld aan een verkeerde locatie, om onduidelijke redenen afgebroken, gaten in series waren opgevuld met data van andere jaren en ook waren veelvuldig verouderde versies gebruikt. McIntyre schoonde de dataset op en deed de berekeningen opnieuw. Dat leverde een totaal ander resultaat op dan de oorspronkelijke hockeystick (afbeelding 6). Mchityre en McKitrick publiceerden deze grafiek in 2003 in het blad Energy & Environment.6 Het blad staat bekend als een 'toevluchtsoord' voor sceptici en wordt om die reden door de klimaatgemeenschap met argusogen bekeken.




49 Afbeelding 6: Mclntyre en McKitrick slagen er in 2003 nog niet in om het werk van Mann te reproduceren. Zij gebruiken opgeschoonde data en komen met name rond 1400 tot hogere waarden. Bron: Energy & Environment 2003.


Velen (zowel sceptici als alarmisten) beschouwden de grafiek als een alternatieve temperatuurreconstructie van McIntyre en McKitrick. Dat was het echter niet! Het enige wat de twee Canadezen duidelijk wilden maken, is dat het niet lukte om met de opgeschoonde gegevens de hockeystick-grafiek te reproduceren. Met de ongecorrigeerde gegevens van Mann lukte het hen wél om de hockeystick te reproduceren. Dat suggereerde dus dat de fouten in de data bepalend waren voor het eindresultaat. De publicatie in Energy & Environment leidde tot een storm aan berichten in de media. Mann kreeg vragen van journalisten en moest natuurlijk reageren op de kritiek. Hij beweerde dat Mclntyre en McKitrick de verkeerde rekenmethode en de verkeerde dataset gebruikt hadden. Dat tweede argument was vreemd omdat McIntyre de data van (een medewerker van) Mann had gekregen. Mann verwees naar een site bij de University of Virginia, waar hij inmiddels werkzaam was. Daar zouden de juiste data staan. Dit was de eerste keer dat McIntyre van deze site hoorde en het zou uiteindelijk de sleutel zijn tot de oplossing. De precieze rekenmethodiek van Mann was op dat moment nog steeds een raadsel voor Mclntyre en McKitrick. Mclntyre struinde de site van Mann helemaal af en vond een computerprogramma dat hij grondig analyseerde. Mann gebruikte (onder meer) een bekende statistische techniek (Principal Component Analysis). Hiervoor moet je alle data eerst standaardiseren en daarvoor heb je onder meer het gemiddelde van die data nodig. Uit het op de site gevonden computerprogramma bleek echter dat Mann niet het gemiddelde van alle data had berekend, maar slechts het gemiddelde van de data in de periode 1902-1980. Deze op het eerste gezicht onschuldige afwijking van de procedure bleek enorme gevolgen te hebben voor het eindresultaat, de temperatuurgrafiek.


50 Als gevolg daarvan pikt het computerprogramma van Mann de hockeysticks er als het ware uit! Het komt erop neer dat de klimaatreconstructie van Mann een hockeystick oplevert, vrijwel ongeacht welke historische temperatuurgegevens hij in zijn model stopt. McIntyre en McKitrick ontdekten bovendien dat als gevolg van de afwijkende standaardisering één boomsoort, een stekelden uit een berggebied in Californië, het meeste gewicht kreeg in de reconstructie. Deze ene boomsoort bepaalde dus grotendeels de temperatuur van het hele noordelijk halfrond!


Stekeldennen McIntyre en McKitrick hadden nu uiteraard meer dan genoeg stof voor een artikel en stuurden dat begin 2004 naar Nature. Mann en zijn collega's werd gevraagd te reageren. Ze stelden dat de temperatuurgrafiek niet alleen afhing van de stekelden uit Californië (de meetreeks waar McIntyre zich vooral op had gericht), maar dat ook veertien andere meetreeksen op basis van boomringen belangrijk waren. McIntyre herkende deze reeksen. Het betrof allemaal stekeldennen (de Engelse naam is bristlecone pines). Deze stekeldennen, die op grote hoogte groeien en die wel duizenden jaren oud kunnen worden, laten alle een flinke groeispurt zien in de 20e eeuw. Onderzoekers schreven al eerder dat die groeispurt niet verklaard kan worden door de gestegen temperatuur.7 Ironisch genoeg heeft ook Mann in 1999 toegegeven dat deze reeksen niet betrouwbaar zijn en zijn collega Hughes noemde de groei van de stekeldennen 'een mysterie'. Nu echter beweerde Mann dat juist deze reeksen cruciaal waren voor zijn grafiek. Op de site van Mann had McIntyre inmiddels ook een bestandsmap gevonden met de intrigerende naam BACKT0_1400-CENSORED. Die map bleek berekeningen te bevatten zonder de veertien stekeldenreeksen. Die berekeningen leken op de resultaten van McIntyre en McKitrick, dus met hogere temperatuurwaarden in de veertiende eeuw. Mann wist dus wel degelijk hoe gevoelig zijn resultaten waren voor de ongeschikte informatie uit de stekeldennen, maar hij had dat niet gemeld in Nature. McIntyre en McKitrick hadden de puzzel nu grotendeels opgelost, maar het mocht niet baten. Hun Nature-artikel werd namelijk na een lang proces op een tamelijk bizarre manier afgewezen. Eerst moesten ze hun artikel inkorten tot slechts 800 woorden en vervolgens werd het afgewezen omdat 800 woorden te kort zou zijn om recht te doen aan de complexiteit van het onderwerp.8


Michael Mann werd door Nature wel verplicht om een correctie te schrijven bij zijn oorspronkelijke hockeystick-artikel. Toen de correctie in juli 2004 werd gepubliceerd, bevatte deze echter een onaangename verrassing voor McIntyre en McKitrick. Mann had namelijk nog een zin mogen toevoegen: 'Geen van deze fouten beïnvloedt onze eerder gepubliceerde resultaten.' Uit de afgewezen publicatie van McIntyre en McKitrick bleek dat de fouten juist wél een grote invloed hadden op het eindresultaat. Mclntyre beklaagde zich bij Nature over de toegevoegde zin en vroeg hen de zin alsnog te verwijderen. Tevergeefs. Mclntyre en McKitrick waren zo boos over de gang van zaken bij Nature dat ze besloten hun artikel en de bijbehorende informatie op internet te plaatsen. Dit is ongebruikelijk, maar ze zagen geen andere manier meer om zichzelf te verdedigen (ze kregen uiteindelijk toestemming van Nature om dat te doen overigens). Want Mann begon ondertussen aan wie het maar wilde horen te vertellen dat het Nature-artikel van de Canadezen was afgewezen, daarmee suggererend dat hun kritiek totaal ongefundeerd was.


Natuurwetenschap & Techniek


51 Dankzij alle informatie die McIntyre en McKitrick op het web hadden gezet, kwam ik eind 2004 met de Canadezen in contact toen ik een verhaal schreef over de hockeystick voor het populairwetenschappelijke maandblad Natuurwetenschap & Techniek (NVVT). Aanleiding was een kritische publicatie over de hockeystick in Science9 van de Duitse klimaatonderzoeker Hans von Storch. Hij en McIntyre/McKitrick zouden later strijden om de eer wie de hockeystick 'gebroken' had. Mijn artikel in NWT ging vooral over de afwijkende manier waarop Mann de eerder genoemde statistische techniek (Principal Component Analysis) had gebruikt. We schakelden de hulp in van Mia Hubert van de Katholieke Universiteit Leuven, een deskundige op het gebied van statistiek. Zij las de oorspronkelijke studie van Mann en het artikel van McIntyre en McKitrick (dat inmiddels bij een ander tijdschrift, Geophysical Research Letters, was ingediend). Het kostte Hubert als specialist enige dagen studie, maar toen bevestigde ze dat McIntyre en McKitrick gelijk hadden. Ook Von Storch bevestigde dat de kritiek van de Canadezen terecht was. Ik legde Michael Mann per e-mail enkele zeer specifieke vragen 10 voor, onder andere over de berekeningen die hij in de verdachte map BACKT0_1400-CENSORED had gedaan. Mann antwoordde binnen het uur. Opmerkelijk was dat hij begon met een fikse aanval op de personen Mclntyre en McKitrick (zie kader 'Mann: McIntyre en McKitrick worden niet serieus genomen'). Inhoudelijk gezien had Mann ook nog een verrassing in petto, die in het verdere verloop van het debat een grote rol zou spelen. Hij schreef ons dat zijn reconstructie een belang- rijke statistische test met verve doorstond. Mclntyre ontdekte later dat Mann hier loog. Mann wist dat de reconstructie de betrokken test niet doorstond, waarmee de reconstructie in feite betekenisloos werd. Deze kwestie speelde later een sleutelrol in de strijd tussen de Canadezen en Wahl en Ammann, twee Amerikaanse onderzoekers die het werk van Mclntyre en McKitrick probeerden te weerleggen. We komen daar later op terug.


Mann: Mcintyre en McKitrick worden niet serieus genomen Mann benadrukte in zijn e-mail aan NWT dat McIntyre en McKitrick niet serieus genomen werden door de wetenschappelijke gemeenschap. En hij drukte mij op het hart dat ik me niet moest laten beetnemen door de vele mythes die de ronde deden over de hockeystick en die verspreid werden door sceptici, rechtse denktanks en door lobbygroepen van de fossiele- brandstoffenindustrie. Mann liet ons ook weten dat het Britse populairwetenschappelijke weekblad New Scientist een artikel over Mclntyre en McKitrick had afgeblazen na ruggespraak te hebben gehouden met een aantal klimaatonderzoekers. De vermeende nauwe banden van McIntyre en McKitrick met de olie-industrie zouden daarbij een rol hebben gespeeld. McIntyre en McKitrick hebben naar aanleiding van de beschuldigingen in deze e-mail van Mann later nog een klacht ingediend11 bij de University of Virginia, waar Mann destijds werkte. Ze kregen nooit antwoord. En dat zegt misschien wel meer over de aard van het hockeystick-debat dan de nogal botte en agressieve manier waarop Mann zijn opponenten heeft bejegend.


Het artikel van McIntyre en McKitrick was inmiddels door Geophysical Research Letters geaccepteerd voor publicatie en met die steun in de rug publiceerde NWT in februari 2005 een stevig getoonzet verhaall2 over de queeste van McIntyre en McKitrick. Een vertaling verscheen dezelfde dag in de Canadese krant de National Post.13 Er was waardering voor het verhaal. Zo won het artikel de eerste editie van de Glazen Griffioen,14 een aanmoedigingsprijs voor jonge wetenschapsjournalisten. Maar er was ook


52 kritiek in de media Het verhaal zou eenzijdig zijn en we zouden te veel partij hebben gekozen voor de Canadezen. Internationaal werd het artikel van McIntyre en McKitrick in Geophysical Research Letters massaal opgepikt. Nature en Science wijdden er nieuwsartikelen aan Half februari plaatste de Wall Street Journal een verhaal op de voorpagina15 waarin zowel Mclntyre als Mann aan het woord kwam. In het stuk was Mann zo onvoorzichtig om te zeggen dat hij niet van plan was om zijn softwareprogramma's vrij te geven omdat dat zou betekenen dat hij bezweek voor de 'intimidatietactieken' van zijn opponenten. Dit ene zinnetje zou het begin inluiden van een hele nieuwe episode in het hockeystick-debat en zou leiden tot twee Amerikaanse panels die de hockeystick-controverse gingen onderzoeken.


De politiek reageert De eerste die reageerde op de uitlatingen van Mann in de Wall Street journal, was de Republikeinse afgevaardigde Joe Barton van het House Energy & Commerce Committee. Hij verzocht Mann zijn computerprogramma vrij te geven. Hij stelde Mann een paar zeer specifieke vragen die duidelijk geïnspireerd waren door de kritiek van McIntyre en McKitrick en daarnaast vroeg hij Mann, Bradley en Hughes om nog veel meer data en gegevens over hun financiering. De wetenschappelijke wereld reageerde als door een wesp gestoken. De grootste organisatie van wetenschappers in de wereld, de American Association for the Advancement of Science (AAAS), en ook de National Academy of Sciences (NAS) waren woedend over de bemoeienis van de politiek met de wetenschap. Ook in Nature verscheen een vernietigend hoofdredactioneel over de actie van Barton. Let wel: de klimaatgemeenschap was niet verontwaardigd over het feit dat Mann zijn softwareprogramma niet wilde vrijgeven; men was wél verontwaardigd dat de politiek zich met de wetenschap durfde te bemoeien. Joe Barton was overigens niet onder de indruk van de kritiek. Hij zette de ervaren statisticus Edward Wegman met twee andere statistici aan het werk om de controverse tussen McIntyre en McKitrick en Mann te onderzoeken. Zijn politieke opponenten stelden ook een onderzoek in, dat werd uitgevoerd door de NAS. Dit panel bestond voornamelijk uit klimaatonderzoekers, onder wie enkele die banden hadden met Mann. Uiteindelijk zouden beide panels, dat van Barton en dat van de NAS, veel van Mclntyres en McKitricks kritiek bevestigen. Zo bevestigde het NAS-panel16 dat de manier waarop Mam-i de Principal Component Analysis gebruikt had, verkeerd was. Ook erkende het NAS-panel dat de hockeystick zwaar leunde op de stekeldennen en dat die boomsoort onbetrouwbaar was als temperatuurindicator en dus vermeden zou moeten worden. Vervolgens presenteerde het NAS-panel echter een aantal andere 'onafhankelijke' reconstructies die de hockeystick zouden bevestigen. Deze andere reconstructies leunden echter mede op... stekeldermen! De bevestiging van de kritiek van McIntyre en McKitrick was zo diep verstopt in het rapport, dat de media het niet oppikten. Zij zagen het rapport als een eerherstel voor de hockeystick. 'Panel bevestigt hockeystick', maakte Nature ervan. Het rapport van Edward Wegman,17 dat een paar weken na dat van het NAS-panel verscheen, was veel explicieter in het bekritiseren van de hockeystick. Manns conclusie dat 1998 het warmste jaar van het millennium is, kan niet onderbouwd worden met zijn analyse, is een van de conclusies van het rapport.


Een nieuwe oorlog Het artikel van Mclntyre en McKitrick was ruim op tijd gepubliceerd om meegenomen te


53 kunnen worden in het vierde IPCC-rapport dat in 2007 zou verschijnen. Het IPCC zag zich opgezadeld met een enorm dilemma. De kritiek van Mclntyre en McKitrick erkennen, zou betekenen dat het IPCC toegaf in het derde rapport een blunder te hebben begaan. Maar de kritiek volledig negeren was ook ondenkbaar, omdat de IPCC-auteurs zich realiseerden dat sceptici het onderwerp nauwgezet zouden volgen. Het beste zou natuurlijk zijn als er in de literatuur een artikel verscheen dat het werk van McIntyre en McKitrick zou weerleggen. Precies dit zou gebeuren. In mei 2005 reisden Mclntyre en McKitrick af naar Washington om een presentatie te geven over de hockeystick voor een politieke denktank. Diezelfde dag stuurde de University Corporation for Atmospheric Research (UCAR) in Boulder, Colorado, een persbericht18 de wereld in met als strekking dat de kritiek van McIntyre en McKitrick weerlegd was in twee wetenschappelijke artikelen. De artikelen waren geschreven door Caspar Ammann van UCAR en Eugene Wahl. Het persbericht kun je gerust opvatten als een oorlogsverklaring aan het adres van de Canadezen. Normaal gesproken sturen universiteiten en instituten een persbericht de deur uit in de week dat een artikel verschijnt in een wetenschappelijk tijdschrift. In dit geval waren de artikelen echter niet verschenen maar pas ingestuurd naar twee wetenschappelijke tijdschriften. De twee artikelen moesten het hele review-proces nog doorlopen en de kans bestond dus dat de artikelen afgewezen zouden worden. Het werd het begin van opnieuw een opmerkelijke strijd, die inhoudelijk werd verloren door Ammann en Wahl.


Maar toch ook weer niet! Want met veel kunst- en vliegwerk slaagden zij er uiteindelijk wel in om hun artikelen gepubliceerd te krijgen. Pas ver na de deadline van het IPCC-rapport, maar het IPCC verwees er toch naar.19 In een van de artikelen,20 in het blad Climatic Change, introduceerden Wahl en Ammann bovendien een nieuwe statistische test, die nergens in de statistische dan wel klimatologische literatuur beschreven is.21 Volgens deze volstrekt onbekende test zou Manns reconstructie statistisch gezien toch deugen. McIntyre constateerde22 echter dat Wahl en Ammann het werk van hem en McKitrick juist volledig bevestigden. Het enige verschil is dat McIntyre en McKitrick stellen dat de reconstructie van Mann in vroege periodes (rond 1400) statistisch gezien niet meer houdbaar is. Dat is een vrij technische kwestie, maar de implicaties zijn dat de reconstructie daar betekenisloos is. Een andere interpretatie is dat de onzekerheidsmarges rond de reconstructie daar oneindig groot worden! Je kunt dus op basis van de boomringgegevens geen enkele zinvolle uitspraak meer doen over de temperatuur op het noordelijk halfrond in de betrokken periode. Om dit argument van McIntyre en McKitrick te tackelen, bedachten Wahl en Ammann daarom de genoemde, volstrekt nieuwe statistische test waarmee de reconstructie 'gered' zou zijn. Wahl en Ammann gebruiken daarbij nog steeds de omstreden stekeldennen. Sterker nog, deze reeksen zijn hard nodig om de reconstructie statistisch gezien overeind te houden. Wahl en Ammann zijn er uiteindelijk dus in geslaagd om twee artikelen in de officiële wetenschappelijke literatuur te krijgen waarmee de hockeystick 'gered' was en waar voortaan aan gerefereerd kon worden. Dat deze artikelen voor veel insiders totaal niet overtuigend waren, deerde het 'hockeyteam' niet. Het belangrijkste doel was bereikt, de 'weerlegging' van Mclntyre en McKitrick in de officiële literatuur. Het vierde IPCC-rapport verwees naar de artikelen alsof de kritiek van Mclntyre en McKitrick daarmee weerlegd was. De originele hockeystick van Mann kon gewoon weer getoond worden in het vierde IPCC-rapport. Ditmaal wel aanzienlijk minder prominent dan in het derde IPCC-rapport. De claim dat 1998 het warmste jaar van het millennium was, werd vervangen


54 door de nieuwe claim dat de tweede helft van de twintigste eeuw de warmste periode was in de afgelopen 1300 jaar. De huidige opwarming is dus nog altijd uniek volgens het IPCC.


Climategate en de hockeystick Het definitieve vierde IPCC-rapport maakt maar heel summier melding van de controverse rond de hockeystick. McIntyre en McKitrick worden wel genoemd, maar er wordt in de verste verte geen recht gedaan aan hun kritiek. Zo staat er ten onrechte dat McIntyre en McKitrick in hun poging de hockeystick te reproduceren, data zouden hebben weggelaten. In 2008 werden, na enig aandringen van de kant van McIntyre, de commentaren op het tweede conceptrapport online23 gezet, zodat iedereen kon zien welke commentaren ingestuurd waren en wat daarmee gedaan was. Uiteraard bestudeerde Mclnytre wat Keith Briffa als lead author met het artikel van Wahl en Ammann gedaan had. Het viel hem op dat Wahl en Ammann zelf helemaal geen commentaren hadden ingestuurd. Dat was vreemd, gezien hun nauwe betrokkenheid bij het hockeystick-debat. Bij het doorlezen van een van Briffa's antwoorden over het Wahl en Ammann-artikel herkende McIntyre echter passages uit het artikel van Wahl en Ammann dat pas veel later zou verschijnen en dat op dat moment nog niet eens ingediend was bij een tijdschrift. Dat betekende dat waarschijnlijk Wahl of Ammann informatie had doorgespeeld aan lead author Briffa buiten het officiële review-proces van het IPCC om. Dat was tegen de regels van het IPCC. Uit een Climategate-e-mail uit juli 2006 24 blijkt dat het Wahl is geweest die het artikel aan Briffa heeft gestuurd. Maar dat kon niemand uiteraard weten voordat de Climategate-e-mails in november 2009 het web op werden geslingerd. De Brit David Holland besloot in mei 2008 om bij de Climate Research Unit (CRU), Briffa's werkgever, alle correspondentie op te vragen die Briffa had ontvangen en verstuurd rond hoofdstuk 6 van het IPCCrapport. Hij beriep zich daarbij op de Britse wet voor vrijheid van informatie, de Freedom of Information Act. Enkele weken later werd dit verzoek afgewezen25 omdat de informatie 'vertrouwelijk' zou zijn. Een vreemd argument, als je bedenkt dat het IPCC altijd pocht met het open en transparante review-proces.26 In de Climategate-e-mails kunnen we lezen dat Briffa, Jones en andere leden van het 'hockeyteam' zich zorgen maakten over de aanvragen van Holland. Het leidde tot een van de bekendste Climategate-e-mails27 waarin Phil Jones Michael Mann en ook Wahl en Ammann oproept om alle e-mailcorrespondentie rond het vierde IPCC-rapport te wissen. Hij schrijft dat Briffa dat ook zal doen. Het weggooien van informatie die onder de Freedom of Information Act valt, is strafbaar. De e-mails geven geen uitsluitsel of Jones, Mann, Wahl, Ammann en Briffa daadwerkelijk hun correspondentie vernietigd hebben. In de onderzoeken die tot dusverre na Climategate zijn gehouden, hebben Mann en Jones verklaard niets weggegooid te hebben. Niemand lijkt tot dusverre echter de servers van hun instituten onderzocht te hebben, iets wat je wel zou verwachten van onafhankelijke panels die bekijken of er bij CRU werkelijk iets oneerbaars is gedaan. De belangrijkste onderzoekscommissie, die van Muir Russell, had toestemming om niet alleen de Climategate-e-mails te bekijken maar ook andere e-mails van CRU. Hij liet deze kans om 'tijdsredenen' echter lopen.28


Andere reconstructies: zuivere koffie? Hoewel het IPCC de reconstructie van Mann dus nog altijd niet heeft laten vallen, lijken klimaatonderzoekers die iets verder van het debat af staan nu toch wel te beseffen dat de originele hockeystick niet helemaal zuivere koffie is. De meeste klimaatonderzoekers beschouwen de huidige opwarming echter nog wel als uniek.


55 De voornaamste verdediging van de 'hockeystick' is dat diverse andere onafhankelijke reconstructies ook min of meer een hockeystick opleveren. Ter ondersteuning daarvan laat het IPCC-rapport een grafiek zien waarin een tiental reconstructies door elkaar heen afgebeeld wordt. Op het eerste gezicht is het vrij overtuigend dat er zoveel andere onafhankelijke studies zijn gedaan die ook suggereren dat het nu warmer is dan in het jaar 1000. Na het debacle van de originele hockeystick is het natuurlijk wél legitiem om te vragen hoe die andere reconstructies tot stand zijn gekomen. McIntyre heeft al die studies de afgelopen jaren aan een 'audif onderworpen. Dat wil zeggen, hij bestudeerde de proxy's (de indirecte temperatuurmetingen) die zijn gebruikt, voor zover die gearchiveerd waren of voor zover de auteurs bereid waren hem de data te sturen. De vraag is wanneer je eigenlijk kunt spreken van een onafhankelijke reconstructie. Je verwacht dat de auteurs onafhankelijk zijn en daarnaast dat de data onafhankelijk zijn, waarbij het laatste het belangrijkste is. Beide blijken niet op te gaan. De statisticus Wegman laat in 2006 in zijn rapport (zie ook paragraaf: 'De politiek reageert') zien dat de gemeenschap van paleoklimatologen bestaat uit een kleine groep onderzoekers die nauw met elkaar verbonden zijn, met Mann als belangrijkste spin in het web. Mann publiceerde zijn hockeystick met Bradley en Hughes, maar hij publiceerde ook andere 'onafhankelijke' reconstructies met Jones (in 2003) en met Rutherford, Osborn, Bradley, Briffa, Hughes en Jones (in 2005). Dit zijn allemaal prominente leden van het 'hockeyteam'. Maar veel belangrijker is de vraag of de data in verschillende reconstructies onafhankelijk van elkaar zijn. We zagen bij de originele hockeystick al dat één omstreden boomsoort in één Amerikaans berggebied, de stekelden, van doorslaggevend belang was voor het eindresultaat. Zoals gezegd analyseerde McIntyre de afgelopen jaren de data achter alle gepubliceerde klimaatreconstructies. Een aantal proxy's met hockeystick-vorm blijkt telkens weer gebruikt te worden. Naast de Amerikaanse stekelden zijn dat onder andere boomringen uit de gebieden Polar Urals en Yamal in Siberië en uit Tornetrask in Zweden. Deze meetreeksen blijken hun stempel te drukken op vrijwel alle onafhankelijke klimaatreconstructies en maken de conclusie mogelijk dat het nu warmer is dan in de middeleeuwen. Zoals eerder genoemd, publiceerde Keith Briffa in 1995 een artikel in Nature waarin hij beweerde dat 1032 het koudste jaar van het millennium was. McIntyre ontdekte dat boomringen uit de Polar Urals Briffa's reconstructie domineerden in de elfde eeuw. In 2002 kwamen er echter nieuwe, meer recente gegevens vrij over de Polar Urals die Briffa's data tegenspraken. Zouden deze nieuwe gegevens van de Zwitserse onderzoeker Jan Esper ingebouwd worden in Briffa's reconstructie, dan was de elfde eeuw niet langer de koudste maar juist verreweg de warmste eeuw van het millennium! Esper zelf gebruikte de bijgewerkte Polar Urals-data in 2002 en daarna nooit meer. Andere reconstructies bleven zonder opgaaf van redenen altijd de oude versie gebruiken. Briffa zelf stapte in een reconstructie uit 2000 over van de Polar Urals op Yamal, een gebied dat 100 kilometer verwijderd is van de Polar Urals (daarover later meer). McIntyre laat op zijn blog zien29 dat de geactualiseerde versie van de Polar Urals een spectaculair warmere elfde eeuw oplevert. 'Dankzij' Yamal is de reconstructie echter warmer in de twintigste eeuw. Zulke spectaculaire veranderingen door het weglaten dan wel toevoegen van slechts één proxy zijn uiteraard zeer alarmerend. Het betekent dat de reconstructies zeer gevoelig zijn voor individuele meetreeksen en dus dat het eindresultaat allerminst betrouwbaar is. De zogenoemde Tornetrask-proxy laat een warme middeleeuwen zien en een daling in de twintigste eeuw. In 1992 corrigeert Briffa deze data, resulterend in een warme twintigste eeuw ten opzichte van de middeleeuwen. In alle daaropvolgende studies worden de door Briffa


56 aangepaste Tornetrask-data gebruikt. In 2008 actualiseerde de Zweedse onderzoeker Hakan Grudd de Tornetrask-data. Zijn reeks laat weer een middeleeuwen zien die warmer is dan de twintigste eeuw.


Yamal Ten slotte nog wat meer over Yamal, de reeks die Briffa vanaf 2000 gebruikte ter vervanging van de Polar Urals. McIntyre heeft vanaf 2006 geprobeerd de data van deze Siberische boomringen te verkrijgen, eerst bij Briffa en toen die weigerde bij een aantal tijdschriften. Geen van de wetenschappelijke bladen was echter van mening dat Briffa zijn data moest vrijgeven. In 2008 gebruikte Briffa de Yamal-data opnieuw in een artikel in het blad Phil Trans B. Daar bleek een redacteur te zitten die een verzoek van McIntyre om de data te laten archiveren wel uiterst serieus nam In het najaar van 2009, bijna tien jaar nadat de data voor het eerst in klimaatreconstructies gebruikt werden, maakte Briffa de Yamal-reeks openbaa De resultaten waren opzienbarend. De Yamal-reeks van Briffa laat vooral aan het eind van de twintigste eeuw een spectaculaire groei zien.30 Maar uit de gearchiveerde data bleek dat deze extreme hockeystick gebaseerd was op zeer weinig boommonsters. Normaal gesproken gebruiken onderzoekers per gebied het gemiddelde van tientallen boommonsters. Bij Yamal waren er in 1990 nog maar tien en in 1995 zelfs nog maar vijf monsters over. Veel te weinig. Elders vulde Briffa de data, als hij boommonsters tekort had, aan met gegevens uit andere gebieden, soms honderden kilometers verder weg. McIntyre liet op zijn blog ziens31 dat er ook bij Yamal andere data beschikbaar waren. Met die 34 andere monsters erbij verdween de spectaculaire hockeystick volledig. Een verontrustend resultaat, zeker gezien het feit dat Briffa jarenlang weigerde om zijn data openbaar te maken. Briffa reageerde32 enkele weken later op de kritiek van Mclntyre. Hij merkte onder andere op dat Yamal nauwelijks gebruikt is in andere reconstructies, een punt dat Mclntyre vervolgens bestreed.33 Briffa liet ook weten dat de recente omstreden stijging van Yamal niet was meegenomen in het vierde IPCC-rapport, omdat de Yamal-reeks daar in 1985 was afgebroken. Dit was opmerkelijke informatie omdat het IPCC-rapport nergens melding maakt van deze afbreking. Zelfs met de stijging tot 1985 behoorde de Yamal-reeks al tot de meest uitgesproken hockeysticks. Met de data bijgewerkt tot 2000 ZOU de Yamal-reeks de grafiek af zijn gevlogen. We zullen zo meteen zien dat dit niet de eerste keer was dat een reconstructie werd afgebroken in het IPCC-rapport zonder dat de lezer daarover verwittigd werd.


Kersentaart maken Beweren Mclntyre en McKitrick nu eigenlijk dat ze kunnen bewijzen dat de middeleeuwen warmer waren dan nu in plaats van kouder? Nee, hun standpunt is dat de tot nu toe gebruikte data, en dan vooral boomringen, niet goed genoeg zijn om daar duidelijke temperatuurgegevens uit te halen. De gepubliceerde reconstructies zijn het resultaat van cherry picking, het selecteren van een aantal meetreeksen die het wereldbeeld van de onderzoekers bevestigen. Om dit argument kracht bij te zetten selecteerden Mdrityre en McKitrick een paar meetreeksen waarmee ze geen 'kersentaart' (cherry picking) maar een 'appeltaart' (apple picking) maakten.34 Dit werd een reconstructie met warme middeleeuwen en een relatief koude twintigste eeuw. Hun 'reconstructie' voldeed aan dezelfde statistische eisen als andere gepubliceerde reconstructies. Nemen Mclntyre en McKitrick deze reconstructie dan serieuzer dan andere reconstructies? Nee, hun punt is louter dat je met een uitgekiende selectie van data zo ongeveer elk willekeurig eindresultaat kun verkrijgen. De conclusie kan zijn dat boomringen gewoon ongeschikt zijn als historische thermometer.


57 Maar voor de gemeenschap van paleoklimatologen, die vele jaren van hun carrière hebben gestopt in boomringreconstructies, is dat een bittere pil waar men nog niet aan lijkt te willen. Een andere, veelbelovende, aanpak is om in een gebied te kijken naar meerdere ecologische indicatoren, zoals het voorkomen van soorten en het verschuiven van de boomgrens. Zowel in Californië35 als in Siberië36 is dit gedaan en beide studies concludeerden dat de middeleeuwen maar liefst 3 graden warmer waren dan nu. In beide gebieden lag de boomgrens rond het jaar duizend enkele honderden meters hoger dan nu. McIntyre ziet meer in dit soort gedetailleerde gebiedsstudies dan in de verwoede pogingen om uit problematische proxy's toch een goede temperatuurreconstructie te halen. Als expert reviewer van het vierde IPCC-rapport vroeg hij dan ook om de studie die in Californië was uitgevoerd, op te nemen in het rapport. De IPCC-auteurs wezen zijn verzoek af.37


Nog een probleem... Wie ondanks alle hierboven gemelde problemen nog altijd gelooft in de vele 'onafhankelijke' reconstructies die zouden aantonen dat het nu warmer is dan rond het jaar 1000, heeft nog één probleem op te lossen: het zogenoemde divergentieprobleem bij boomringen. Een studie van Briffa uit 1999, gebaseerd op bijna 400 boomringreeksen, laat vanaf ongeveer 1960 geen temperatuurstijging zien, maar juist een daling. De boomringen en de temperatuur lopen dus uiteen (vandaar de term divergentie). Dit is een fundamenteel probleem omdat het erop wijst dat het veronderstelde simpele verband tussen boomringen en temperatuur niet bestaat. Als de boomringen de temperatuur nu niet volgen, waarom zouden ze dat in andere warme periodes dan wel gedaan hebben? Dit probleem is bekend bij paleoklimatologen, maar er wordt nauwelijks over gepubliceerd. Briffa besloot in latere publicaties om zijn reconstructie in 1960 af te breken. Ik vroeg Briffa een paar jaar geleden per e-mail hoe hij de daling na 1960 verklaarde. Hij antwoordde dat er wat hem betreft geen reconstructie was na 1960. In een van de weinige artikelen38 die wél op het probleem ingaan, stelde Briffa dat de daling vermoedelijk veroorzaakt is door menselijke vervuiling En aangezien vervuiling door de mens vóór 1900 geen rol speelde, hadden de boomringen er toen geen last van. Deze totaal ongefundeerde veronderstelling is kritiekloos geaccepteerd door het 'hockeyteam' en verder lijkt men het probleem vooral zo veel mogelijk te willen negeren. McIntyre ontdekte dat de reconstructie van Briffa in het derde IPCCrapport eveneens afgebroken was in 1960. Deze afbreking was niet gemeld in het rapport. In de eerste conceptversie van het vierde rapport werd het divergentieprobleem niet genoemd. McIntyre wees de auteurs hierop39 en drong erop aan dat Briffa's reconstructie volledig getoond zou worden. Zijn verzoek werd afgewezen. Het laten zien van de temperatuurdaling na 1960 (gereconstrueerd op basis van boomringen) was volgens de auteurs van het paleo-hoofdstuk 'ongepast'.


Hide the decline In verreweg de bekendst geworden Climategate-e-mail40 (uit 1999) schrijft Phil Jones dat hij Mikes truc gebruikt om de genoemde daling te verbergen ('to hide the decline'). Die truc is niets anders dan wat het IPCC in zowel het derde als het vierde rapport zou doen: het niet tonen van Briffa's reconstructie na 1960. Na het uitbreken van Climategate was de klimaatgemeenschap er als de kippen bij om de truc uit te leggen als iets onschuldigs.41 Het zou gewoon een slimme manier zijn om een probleem te tackelen, het was bovendien bekend jargon onder wetenschappers. Er werd echter geen enkele wetenschappelijke referentie gegeven waarin het woord 'truc' op deze manier wordt gebruikt.


58 Toch was de klimaatgemeenschap zeer welwillend om de verklaring van Jones en Mann te accepteren. Ook de panels die Climategate tot nutoe onderzochten, namen de uitleg van Jones en Mann klakkeloos over. Maar de truc is niets anders dan het niet laten zien van ongunstige data. In de mijnbouwwereld waar McIntyre uit komt, is zoiets strafbaar. In de wetenschap gelden blijkbaar minder strenge regels. Omdat de regels niet streng zijn, kun je wetenschappers ook niet beschuldigen van fraude. Maar McIntyre vraagt zich wel hardop af of die spelregels niet aangescherpt moeten worden nu wetenschappelijke klimaatartikelen via het IPCC het fundament worden voor verregaand internationaal klimaatbeleid.


Geloofwaardigheid IPCC Dat brengt ons tot slot bij de lessen die we kunnen trekken uit het hockeystick-debat. Het onderuithalen van de hockeystick betekent nog niet dat broeikasgassen geen effect hebben. Stephen McIntyre zelf is de eerste om dat te erkennen.42 Zelfs als je zou kunnen aantonen dat de middeleeuwen wel degelijk warmer waren dan nu, hoeft dat nog niet veel te betekenen. Het is mogelijk dat de opwarming destijds van natuurlijke oorsprong was, terwijl de huidige opwarming veroorzaakt is door CO2. Dus het einde van de hockeystick betekent zeker niet het einde van het klimaatdebat, zoals sommige sceptici suggereren. McIntyre ging daarin zelfs zo ver dat hij als expert reviewer aanraadde het hele hockeystick-gedeelte te schrappen als dat volgens het IPCC onbelangrijk was voor de grotere vraag of CO2 wel of geen probleem is. Maar de auteurs wezen die suggestie af. Aanhangers van de broeikastheorie willen het hockeystick-debat graag achter zich laten omdat het niet relevant zou zijn voor de CO2- kwestie. Dit klinkt redelijk, maar de logische vraag is dan: als de hockeystick niet relevant is voor de goede zaak, waarom werd de grafiek dan zo prominent gebruikt in het IPCC-rapport? Wetenschappelijk gezien was de hockeystick misschien niet zo relevant, maar politiek gezien des te meer. De hockeystick werd telkens weer ingezet als 'promotiemateriaal' om wetenschappers, politici en burgers te doordringen van de ernst van het klimaatprobleem. Hoe kon dit gebeuren als nu blijkt dat de hockeystick eigenlijk niet relevant is?


Om zijn geloofwaardigheid terug te winnen, had het IPCC onmiddellijk in actie moeten komen. Hoe kon het gebeuren dat we één reconstructie zo prominent naar voren schoven? Was het verantwoord dat Michael Mann, de eerste auteur van het hockeystick-artikel, ook lead author van het betreffende IPCC-hoofdstuk was? Wat hebben we gedaan om er zeker van te zijn dat de grafiek klopte? Hebben we net als Mclntyre en McKitrick de data bekeken achter de studie? Was de grafiek reproduceerbaar? Het IPCC had zelf een onafhankelijke statisticus kunnen inhuren om te beoordelen of de critici een punt hadden. Het had Mann en Mclntyre om de tafel kunnen brengen om te kijken waarover overeenstemming was en waarover niet. Het had, alvorens te gaan roepen dat de hockeystick bevestigd werd door diverse andere reconstructies, kunnen onderzoeken hoe onafhankelijk deze studies eigenlijk waren en of niet dezelfde problemen een rol speelden als bij de hockeystick van Mann. Het IPCC had Mann op het matje kunnen roepen toen hij tegen de journalist van de Wall Street Journal zei dat hij zijn softwareprogramma niet zou vrijgeven. Het IPCC had hem kunnen dwingen om onmiddellijk al zijn data en computerprogramma's netjes te archiveren en het had een memo kunnen laten uitgaan naar alle IPCC-medewerkers dat dergelijk gedrag onacceptabel was binnen het IPCC. Dat onderzoekers al hun data en programma's moesten archiveren en zo


59 niet, dat artikelen niet opgenomen zouden worden in het rapport. Het IPCC had ten slotte lessen kunnen trekken voor het vierde IPCCrapport. Het had de hoogste prioriteit moeten krijgen dat juist dit deel van het rapport een zo objectief mogelijke weergave was van de controverse, omdat men kon verwachten dat alle ogen van de sceptici erop gericht zouden zijn. Waar nodig, had het IPCC fouten uit het derde rapport expliciet kunnen benoemen. Maar zoals we gezien hebben in dit hoofdstuk, deed het IPCC niets. Het IPCC verkeert nog steeds in de ontkenningsfase. Het ontkent dat er überhaupt iets fout is gegaan rond de hockeystick en andere reconstructies. Als er niets fout is gegaan, hoef je ook niets te onderzoeken en hoef je niets te veranderen in de organisatie.


IPCC-logica En dus was het logisch dat opnieuw een prominent lid van het 'hockeyteam', Briffa, lead author werd van het paleo-hoofdstuk in het vierde IPCC-rapport. En was het logisch dat de hockeystick van Mann nog steeds werd getoond en dat heikele zaken als het divergentieprobleem nauwelijks besproken werden en dat Briffa's reconstructie opnieuw in 1960 werd afgebroken. En dus was het logisch dat het IPCC opnieuw concludeerde dat de huidige opwarming uniek is in de afgelopen 1300 jaar. Pas na Climategate en de ontdekking van enkele fouten in het IPCCrapport liep het imago van het IPCC ernstige deuken op. IPCC-wetenschappers zijn daar zeer verontwaardigd over en in diverse landen, waaronder Nederland, zijn er open brieven gepubliceerd in kranten en op websites waarin IPCC'ers ageren tegen dit negatieve beeld en waarin ze benadrukken dat de hoofdconclusies van het IPCC-rapport nog fier overeind staan. Een van die hoofdconclusies is nog altijd de hockeystick, ofwel de claim dat de huidige opwarming uniek is. Zoals we gezien hebben, is die conclusie op zijn zachtst gezegd omstreden, zo niet aantoonbaar onwaar. Als de klimaatwetenschap het IPCC belangrijk vindt, als de po- litiek het IPCC wil blijven beschouwen als belangrijkste informatiebron voor klimaatbeleid, dan is meer zelfreflectie onder wetenschappers op zijn plaats. Het IPCC lijkt te hopen dat problemen zoals die met de hockeystick vanzelf uit de aandacht zullen verdwijnen. Dat doen ze niet. Sceptici zijn terecht boven op de hockeystick gedoken en zullen dat blijven doen zolang het IPCC de problemen niet zelf oplost. Het 'breken' van de hockeystick bewijst niet dat CO2 geen probleem is, het bewijst echter wel dat het IPCC een groot probleem heeft.




60 HOOFDSTUK 4


Komt de recente opwarming door CO2? De basis van de broeikastheorie is weinig omstreden. CO2 is een broeikasgas en als er meer van in de atmosfeer komt, stijgt de temperatuur op aarde. Maar hoeveel? En is nu ook echt bewezen dat het grootste deel van de opwarming door CO2 veroorzaakt is? Het IPCC denkt van wel, maar volgens critici is het bewijs gebaseerd op een cirkelredenering. Het IPCC neemt aan dat natuurlijke invloeden op het klimaat, zoals van de zon en vulkaanuitbarstingen, gering zijn en stopt deze aanname in zijn klimaatmodellen. Deze modellen zijn vervolgens alleen maar kloppend te krijgen met een forse bijdrage van CO2.


De aarde is sinds pakweg 1850 enigszins opgewarmd. Wetenschappers debatteren echter nog heftig over de vraag hoeveel warmer het precies is geworden. Het IPCC stelt ook dat de huidige opwarming uniek is in de recente geschiedenis van de aarde, maar die claim is zeer omstreden. Twijfels dus. Dat neemt echter niet weg dat meer CO2 in de atmosfeer wel degelijk voor problemen zou kunnen zorgen. CO2 is immers een broeikasgas en kan de aarde dus opwarmen. Hoog tijd om het vizier te richten op de broeikastheorie.


Keihard Een van de argumenten die je vaak hoort in het klimaatdebat, is dat het broeikaseffect keiharde wetenschap is en dat het derhalve onbegrijpelijk is dat sceptici het door de mens versterkte broeikaseffect ontkennen. Het simpelste antwoord op die vraag is dat serieuze sceptici (vooral diegenen die publiceren in de wetenschappelijke literatuur) die keiharde fysica helemaal niet ontkennen. Er is op dit punt dus geen debat! Sceptici betwisten uitsluitend de mate van opwarming die CO2 kan veroorzaken. Het IPCC gaat uit van een opwarming van zo'n 3 graden in 2100. Sceptici denken dat het 1 graad of zelfs minder kan zijn. De aardse broeikas werkt anders dan een glazen broeikas waarin paprika's of tomaten geteeld worden. Een glazen broeikas warmt op door de zon (net als de aarde) en doordat de warme lucht niet weg kan stromen. Op aarde kan de warme lucht die ontstaat door de opwarming door de zon, wél opstijgen en dit vormt de basis voor het weer. De aarde als geheel kan echter geen warmte verliezen door stroming, zoals een verwarmd huis in de winter warmte verliest aan zijn omgeving. De enige manier waarop de aarde kan opwarmen en afkoelen is via straling. De zon verwarmt de aarde met zijn zonnestraling. Het opgewarmde aardoppervlak en ook de atmosfeer zendt straling uit, geen zichtbare straling zoals de zon, maar infrarode straling Het uitgangspunt van de broeikashypothese is dat het Systeem Aarde altijd streeft naar evenwicht tussen de inkomende zonnestraling en de uitgaande infrarode straling.


Broeikasgassen (voornamelijk waterdamp en CO2) vangen de infrarode straling van het aardoppervlak en van de atmosfeer in, en stralen die weer in alle richtingen uit. Omhoog richting heelal, maar ook terug naar het oppervlak. Het idee is dat broeikasgassen 'een deken' vormen die ervoor zorgt dat een deel van de uitgezonden straling niet weg kan. Als gevolg hiervan is het aardoppervlak naar schatting 33 graden warmer dan als we een atmosfeer zouden hebben zonder broeikasgassen. Dankzij het 'natuurlijke' broeikaseffect is de aarde dus een leefbare planeet. De vergelijking met een deken kan overigens, net als de vergelijking met een broeikas,


61 verwarring geven. Een deken waaronder je slaapt, houdt warmte vast. De deken waar het hier om gaat, houdt straling vast. Straling-sbroeikas en stralingsdeken zouden eigenlijk betere benamingen zijn, maar dat klinkt nu eenmaal niet zo lekker.


Op een bepaalde hoogte in de atmosfeer verdwijnt er meer straling het heelal in dan er vastgehouden wordt. Op die manier herstelt het systeem de balans met de inkomende zonnestraling. Die hoogte is zo'n 7 á 8 kilometer in de tropen en lager daarbuiten. In eerste instantie is dus niet de uitstraling van het aardoppervlak van belang, maar de uitstraling op die hoogte van ongeveer 8 kilometer. De vraag is nu wat er gebeurt als de CO2-concentratie stijgt, zoals op dit moment onbetwist het geval is. Men gaat ervan uit dat de 'deken' van broeikasgassen daardoor dikker wordt. Dus zal de uitstraling naar het heelal vanaf een grotere hoogte plaatsvinden. Hoger betekent echter kouder en kouder betekent dat de broeikasgassen minder energiek stralen. Het idee is nu dat de hogere laag zal moeten opwarmen tot dezelfde temperatuur als de laag van waaruit de straling eerst de atmosfeer verliet. Pas dan zal het evenwicht tussen inkomende en uitgaande straling hersteld zijn. En als dat gebeurt, zullen ook alle luchtlagen daaronder warmer worden en ten slotte het aardoppervlak en de oceanen. Ergo, de aarde warmt op!


Water en wolken Het is dus juist dat de aarde in theorie warmer wordt bij een stijging van broeikasgassen. Wel meteen een paar kanttekeningen daarbij. De broeikasdeken bestaat niet alleen uit CO2 maar ook uit waterdamp en wolken. Er is veel meer waterdamp (bijna 2 procent van de atmosfeer) dan CO2. De CO2-concentratie is de laatste eeuwen aantoonbaar toegenomen. Over waterdamp weten we echter veel minder, zeker als we teruggaan in de tijd. Het meeste water bevindt zich in de tropen, dicht bij het oppervlak. Hoger in de atmosfeer neemt de hoeveelheid waterdamp snel af en ook buiten de tropen. Aan de polen is het kurkdroog. Antarctica is een ijswoestijn. Stel nu dat de hoeveelheid waterdamp, om wat voor reden dan ook, is afgenomen in de periode dat CO2 is toegenomen, dan is de broeikasdeken helemaal niet dikker geworden en hoeven we geen opwarming te verwachten. De meeste klimaatonderzoekers verwachten overigens het tegenovergestelde, dus dat er meer waterdamp in de atmosfeer zal komen als gevolg van de opwarming door CO2. Deze kwestie, meer of minder waterdamp, is cruciaal voor het klimaatdebat, waarover meer later in dit hoofdstuk.


Dat wolken ook deel uitmaken van de broeikasdeken, maakt het er allemaal niet eenvoudiger op. Wolken hebben namelijk meerdere functies. Ze koelen enerzijds doordat ze straling van de zon weerkaatsen, maar ze vangen ook infrarode straling van de aarde in en dragen daarmee bij aan het broeikaseffect. En wolken spelen ook nog eens een rol bij convectie, het omhoog transporteren van warme lucht, waaruit vervolgens neerslag kan ontstaan. Zonder convectie zou het aardoppervlak ondraaglijk warm zijn. Convectie is dus een belangrijk koelmechanisme voor de aarde. Warme lucht wordt naar boven getransporteerd en kan daar door infrarode straling uit te zenden, energie afstaan aan het heelal. Het totale effect van het wolkendek op dit moment is koelend, maar het gaat erom hoe dat bij een veranderend klimaat (door de stijging van CO2) zal wijzigen. Gaan de wolken minder, of juist extra koelen bij een warmer wordende aarde? Dat blijkt een cruciale vraag te zijn waarop nog niemand het antwoord weet. De klimaatmodellen van het IPCC suggereren echter dat wolken extra opwarming zullen geven, boven op het effect van CO2. Over die kwestie gaat een deel van de strijd tussen het IPCC en sceptici.


62 Een laatste kanttekening. Het versterkte broeikaseffect zal zich in eerste instantie hoog in de atmosfeer afspelen. Het is vervolgens de vraag of de opwarming op 8 kilometer hoogte gelijk zal zijn aan de opwarming aan het aardoppervlak. Wie geregeld in de bergen vertoeft, weet dat de temperatuur met ongeveer 6 graden per kilometer hoogtestijging afneemt. Als dit getal bij een toename van CO2 gelijk zou blijven, dan zou het aardoppervlak net zoveel opwarmen als de laag op 8 kilometer. Maar het is ook mogelijk dat dit verandert, dus dat de afkoeling per kilometer hoogtestijging toeneemt. Dan zou je aan het aardoppervlak niet eens zoveel van het versterkte broeikaseffect merken! Klimaatmodellen verwachten inderdaad een veel sterkere opwarming in de atmosfeer dan aan het oppervlak, vooral in de tropen. Ook dit heeft tot een fel debat onder wetenschappers geleid (zie pagina 122).


Eén graad Celsius Hoeveel warmer moet het nu worden om het evenwicht met de binnenkomende zonne-energie te herstellen? Dat is te berekenen. Je hebt daarvoor eerst getalsmatige schattingen nodig van hoe lucht infrarode straling absorbeert bij verschillende golflengten, temperaturen en druk. Die schattingen verkrijgen onderzoekers uit laboratoriumexperimenten. Vervolgens gebruik je die informatie in een vrij eenvoudig computermodel van de atmosfeer dat berekent hoe infrarode straling tussen verschillende lagen van de atmosfeer omhoog en omlaag gaat, terwijl de zon het aardoppervlak verwarmt en de warmte van vlak boven het aardoppervlak omhoog getransporteerd wordt. Dit soort modellen kun je laten becijferen wat het effect van een verdubbeling van de CO2-concentratie in de atmosfeer is. Uit die berekeningen rolt steeds een getal in de orde van 1 °C. Omdat warmte omhoog getransporteerd wordt, zullen hogere luchtlagen meer opwarmen dan het oppervlak. De theoretische opwarming aan het aardoppervlak bedraagt maar zo'n halve graad.1


De CO2-concentratie bedraagt op dit moment 390 ppm. Van iedere miljoen moleculen in de lucht zijn er dus 390 CO2-moleculen. Dat is zo'n 40 procent hoger dan de 280 ppm aan het begin van de Industriële Revolutie, eind achttiende eeuw. Wanneer de CO2-concentratie de dubbele waarde van 560 ppm zal bereiken, hangt uiteraard af van onze uitstoot van broeikasgassen en van de mate waarin de oceanen en de biosfeer de extra CO2 in de atmosfeer weten op te nemen. Maar aannemelijk is dat de verdubbeling ergens tussen 2050 en 2100 bereikt zal worden. Een deel van de verwachte opwarming door een verdubbeling van de CO2-concentratie moet al hebben plaatsgevonden. Richard Lindzen, een hoogleraar aan MIT in Boston en 's werelds bekendste klimaatscepticus, schat zelfs dat zo'n 75 procent van het opwarmende effect al heeft plaatsgevonden. Het effect van nog meer CO2 in de atmosfeer wordt namelijk steeds kleiner. Een veel gemaakte vergelijking hierbij is het schilderen van je ramen. De eerste laag verf zal veel licht tegenhouden, de tweede laag minder en op een gegeven moment zal een extra laag verf nauwelijks nog extra licht tegenhouden. Er is dan een verzadigingspunt bereikt.


Versterking of verzwakking? Over de theoretische 1 graad opwarming is weinig discussie tussen aanhangers van de broeikastheorie en sceptici. Maar wacht even, hoor ik u denken, 1 graad opwarming, dat is toch niet zo dramatisch? Is alle heisa daarom begonnen? Nee, want het IPCC komt met veel hogere voorspellingen voor een verdubbeling van de CO2-concentratie. De meest waarschijnlijke range is 2 tot 4,5 graden opwarming, aldus het


63 IPCC, met een beste schatting van 3 graden. Deze extra opwarming, boven de theoretische opwarming van 1 graad door 'alleen' CO2, is het gevolg van zogenoemde feedbacks. De theoretische berekening gaat alleen uit van het directe temperatuureffect van CO2. Daarbij wordt aangenomen dat alle andere processen in het klimaat hetzelfde blijven. Maar in de praktijk zal dat niet gebeuren. Zodra CO2 stijgt, zal de temperatuur een klein beetje stijgen en daardoor kunnen andere processen in het klimaat ook veranderen. Een logisch gevolg van opwarming is bijvoorbeeld dat er meer water zal verdampen uit de oceanen. Waterdamp is zelf een belangrijk broeikasgas en dus zal de extra waterdamp in de atmosfeer tot nog meer opwarming leiden. In dat geval zou waterdamp een positieve feedback zijn, het werkt versterkend. Meer waterdamp zou ook kurmen betekenen dat er meer wolken ontstaan. Het effect van wolken op het klimaat is, zoals gezegd, complex. Wolken die laag hangen, weerkaatsen zonlicht en werken daardoor koelend. Hoge wolken echter, vangen net als broeikasgassen infrarode straling in, en werken daardoor opwarmend. Stel nu dat de opwarming door CO2 de hoeveelheid lage wolken zou vergroten, dan zou dat een negatieve feedback zijn. Die extra wolken dempen immers het opwarmende effect van CO2 Maar als er juist meer hoge wolken ontstaan, dan werkt de verandering van wolken als een positieve feedback en kunnen we extra opwarming verwachten. Er zijn nog meer mogelijke feedbacks in het ldimaat aanwezig. Door de opwarming kan de sneeuw- en ijsbedekking op aarde afnemen. Sneeuw en ijs reflecteren zonlicht enorm goed (daarom draag je een bril tijdens het skiën), veel beter dan water en land. Als drijvend zee-ijs smelt en plaatsmaakt voor water, dan neemt de weerkaatsing van zonlicht af. Dat geeft extra opwarming. Weer een (mogelijke) positieve feedback. Dit is een van de redenen waarom je zoveel alarmerende berichten hoort van wetenschappers over de afname van zee-ijs rond de Noordpool.


Broeikasgassen kunnen zelf trouwens ook als feedback opereren. Een warmere oceaan houdt minder CO2 vast. Bij een warmer wordend klimaat beginnen de oceanen dus CO2 uit te scheiden. Methaan, dat een veel krachtiger broeikasgas is dan CO2, zou vrij kunnen komen als de permanent bevroren bodem (permafrost) smelt in Siberië, Canada en Alaska. Extra broeikasgassen in de atmosfeer betekenen dus extra opwarming. Er zijn kortom nogal wat potentiële feedbacks aanwezig in het klimaat. Alleen als je die allemaal in de vingers hebt, kun je iets zeggen over het toekomstige verloop van het klimaat. Het IPCC gebruikt ongeveer twintig klimaatmodellen om de toekomst te verkennen. In al die modellen opereren waterdamp en wolken als een positieve feedback. Ze dragen bij aan extra opwarming boven op het directe effect van CO2. Daarom voorspellen de modellen geen opwarming van 1 graad, maar van 3 graden of meer. We komen later uitgebreider terug op de rol van de feedbacks. Het is belangrijk om te beseffen dat het klimaatdebat niet gaat over de directe invloed van CO2 maar over de rol van feedbacks. Bekende sceptici zoals Richard Lindzen en Roy Spencer denken - in tegenstelling tot de modellen - dat er juist negatieve feedbacks werkzaam zijn en dat de opwarming van CO2 hierdoor gedempt wordt. Er zou dan maar 0,5 graad opwarming overblijven. Het totale effect van CO2 - het directe effect plus de feedbacks - is dan zo klein ten opzichte van de natuurlijke schommelingen in het klimaat, dat het onmeetbaar wordt. Aanhangers van de broeikastheorie hebben gelijk als ze zeggen dat de fysica achter het broeikaseffect keihard is. Als je CO2 in een laboratorium aan metingen onderwerpt, dan absorbeert het infrarode straling Daarom verwachten we enige opwarming van het klimaat. Hoeveel opwarming is echter onduidelijk, want daarvoor moet je eerst alle feedbacks in het


64 klimaat goed begrijpen. De keiharde fysica uit het lab biedt dus weinig garanties voor de praktijk. Voor een (dramatische) opwarming van 3 graden of meer zijn er positieve feedbacks nodig. Er zijn verschillende mogelijke positieve feedbacks, waarvan waterdamp en wolken waarschijnlijk de belangrijkste zijn De cruciale vraag is of die positieve feedbacks ook echt werkzaam zijn in het klimaat en zo ja, hoe groot ze zijn Daarover gaat het klimaatdebat. Of beter gezegd: daarover zou het moeten gaan.


Bewijzen Is het door de mens versterkte broeikaseffect eigenlijk direct meetbaar in het klimaat? Broeikasgassen houden infrarode straling vast. Een toename van broeikasgassen zou dus samen moeten gaan met een afname van infrarode straling die onze planeet verlaat. Stel nu dat je een satellietmissie op touw zet om het versterkte broeikaseffect te bewijzen. Je zal dan langdurig, ten minste enkele decennia, moeten meten hoeveel infrarode straling de aarde verlaat. Een toename van CO2 in die periode zou moeten leiden tot extra invang van infrarode straling. Vanaf de jaren tachtig worden zulke metingen ook daadwerkelijk uitgevoerd. De resultaten laten zien dat het door mensen versterkte broeikaseffect onmogelijk op deze manier gemeten kan worden. De schommelingen in uitgaande infrarode straling zijn namelijk veel groter dan het effect dat we proberen te meten. In een jaar zoals 1998 nam de temperatuur op aarde flink toe (door het klimaatfenomeen El Nirio). De warmere aarde straalt dan meer infrarode straling uit. Veel meer dan de verwachte afname aan infrarode straling door CO2. Door deze flinke natuurlijke schommelingen, en gegeven de meetfouten in de satellietmetingen, is het simpelweg onmogelijk om het 'broeikassignaal' uit de metingen te destilleren. Toch stelt het IPCC in het vierde IPCC-rapport dat de huidige opwarming vrijwel zeker door broeikasgassen veroorzaakt is. Hoe heeft het IPCC dat dan bewezen?




65 Afbeelding 7: De klimaatmodellen kunnen de recente opwarming alleen 'verklaren' met een flinke bijdrage van broeikasgassen. Natuurlijke invloeden zoals de zon en vulkaanuitbarstingen zouden vanaf 1970 volgens de modellen tot afkoeling geleid moeten hebben. Bron: IPCC.


Welnu, het bewijs van het IPCC is samengevat in afbeelding 7. Als de klimaatmodellen alleen gevoed worden met de bekende natuurlijke invloeden op het klimaat (de belangrijkste zijn de zon en vulkaanuitbarstingen), dan voorspellen ze een daling van de temperatuur vanaf 1970. Dat klopt dus niet met de waargenomen temperatuur op aarde. Maar als de modellen vervolgens ook 'menselijke' factoren meenemen (vooral broeikasgassen en luchtverontreiniging), dan ontstaat er wel een goede overeenkomst met de waargenomen temperatuur. Ergo, de broeikasgassen moeten wel een belangrijke rol spelen in de recente klimaatgeschiedenis. Het IPCC concludeerde dat het voor 90 procent zeker is dat de recente opwarming door de mens komt. Dat getal van 90 procent is overigens niet berekend, het is gebaseerd op zogenoemd expert judgement. Het is dus de waarschijnlijkheid die een groep experts, in dit geval een groep van ongeveer vijftig wetenschappers, aan de bewering hangt.


De grafiek op pagina 112 wordt vaak getoond als bewijs voor de menselijke bijdrage aan de recente opwarming van de aarde. Toch kun je heel wat vraagtekens plaatsen bij de kracht van


66 dit bewijs door het IPCC. Ten eerste staat of valt het bewijs natuurlijk met de aanname dat zowel de waargenomen mondiale temperatuur als de modellen betrouwbaar genoeg zijn. In hoofdstuk 2 hebben we al gezien hoeveel problemen er kleven aan temperatuurmetingen met weerstations. Juist de recente opwarming, die dus nu gekoppeld wordt aan CO2, blijkt 'vervuild' door economische factoren,2,3 en daardoor is de opwarming in werkelijkheid waarschijnlijk kleiner. Daarmee zou de overeenkomst tussen de modellen en de observaties in deze periode dus minder sterk worden. Daarom is het ook zo kwalijk dat het IPCC de kritiek op de mondiale temperatuurgrafieken heeft genegeerd (zie pagina 69). Een tweede aanname is dat de modellen goed genoeg zijn om een realistisch beeld van het klimaat te schetsen Klimaatmodelleurs stoppen aannames over zowel natuurlijke als menselijke klimaatverandering in hun model. Ze leggen dus aan het model op wat de invloed kan zijn van de zon, vulkaanuitbarstingen, broeikasgassen en luchtverontreiniging. Veranderingen in de zon hebben volgens het IPCC bijvoorbeeld nauwelijks invloed op het klimaat. Deze aanname van het IPCC is nog zeer omstreden. Meer daarover in het volgende hoofdstuk, waarin alternatieve verklaringen voor de recente opwarming aan bod komen.


Cirkelredenering Modellen die gevoed worden met de aanname dat veranderingen in de zon weinig invloed hebben, laten uiteraard nauwelijks natuurlijke klimaatschommelingen zien. Welke opwarming dan ook kan dan vrijwel alleen maar veroorzaakt worden door broeikasgassen. De opwarming tussen 1910 en 1940, die ongeveer net zo groot was als de opwarming tussen 1970 en 2000, vond plaats in een periode waarin broeikasgassen nog weinig invloed hadden. De piek in 1940 wordt door de modellen van het IPCC niet goed gesimuleerd, vooral voor de ocea- nen (de rechterfiguur in afbeelding 7). Dit duidt erop dat de modellen natuurlijke invloeden op het klimaat mogelijk onderschatten. De 'bewijsvoering' in het IPCC-rapport is een cirkelredenering. De IPCC-onderzoekers nemen aan dat natuurlijke invloeden gering zijn en stoppen dat in hun modellen. Ze stoppen tevens in hun modellen dat het klimaat opwarmt onder invloed van broeikasgassen. Vervolgens doen ze een simulatie en concluderen: 'Hé, de opwarming tussen 1970 en 2000 kunnen we alleen verklaren met broeikasgassen. Ergo, de mens warmt de aarde op.' Sceptici zoals Richard Lindzen en Roy Spencer hebben gewezen op deze cirkelredenering en ook op de tekortkoming ervan. Tegelijkertijd maakt het IPCC nauwelijks woorden vuil aan de opwarming tussen 1910 en 1940. In het rapport4 schrijft het IPCC dat de opwarming tussen 1910 en 1940 0,35 graden bedroeg en dat de latere opwarming vanaf de jaren zeventig met 0,5 graden groter was. Maar inspectie van de getoonde temperatuurgrafiek laat toch echt zien dat de opwarming tussen 1910 en 1940 ook ongeveer 0,5 graden bedroeg en dus even groot is als in de recente periode van opwarming. Onderzoeker Phil Jones gaf dat begin 2010 ook toe in een interview met de BBC.5 Elders in het rapport6 schrijft het IPCC als verklaring dat de zon waarschijnlijk wat krachtiger werd in de periode tussen 1910 en 1940, dat er toen weinig vulkaanactiviteit was (grote vulkaanuitbarstingen leiden tot tijdelijke afkoeling) en dat de concentratie aan CO2 begon te stijgen. Dat is nogal summier voor een kwestie die zo essentieel is. Er zijn diverse gebieden in het hoge noorden, Noord-Amerika, Alaska, Groenland en Scandinavië, waar het rond 1940 net zo warm was als nu. Als je de opwarming in die periode niet goed kunt verklaren, dan lijkt het nogal voorbarig om te concluderen dat je voor de huidige opwarming geen andere verklaring hebt dan de broeikasgassen.



67 De afkoeling na 1940 En dan is er nog een probleempje. Hoewel het gebruik van fossiele brandstoffen, en dus de uitstoot van broeikasgassen, na de Tweede Wereldoorlog goed op gang begon te komen, stegen de temperaturen op aarde aanvankelijk niet; ze daalden. In de jaren negentig was dit een groot probleem voor de klimaatmodellen. Gevoed met de stijgende concentratie aan broeikasgassen, voorzagen deze modellen opwarming en geen afkoeling. En ook voor de periode na 1970, toen de aarde wel warmer werd, voorspelden de modellen meer opwarming dan er optrad. In het tweede IPCC-rapport (1995) kwam het IPCC met een verklaring. Door luchtverontreiniging zou een deel van het inkomende zonlicht geblokkeerd worden en dat leidt tot afkoeling. Vóór 1970 overstemde deze afkoeling door zogenoemde aerosolen (zwevende luchtverontreinigingsdeeltjes, vooral zwaveldioxide) nog het opwarmende effect van de broeikasgassen. Na 1970 werd het opwarmende effect van de broeikasgassen zo sterk dat de aarde begon op te warmen, ondanks de aanwezigheid van koelende aerosolen.


Deze verklaring wordt nog steeds uitgedragen door het IPCC. In het vierde IPCC-rapport presenteerde het IPCC een tabel met factoren die het klimaat beïnvloeden (afbeelding 8). Positieve factoren leiden tot opwarming, negatieve factoren tot afkoeling. Factoren die tot opwarming leiden, zijn uiteraard CO2 en enkele andere broeikasgassen, methaan, stikstofoxide (lachgas), halonen en ook ozon. De aanwezigheid van aerosolen is volgens het IPCC veruit de belangrijkste factor die tot afkoeling leidt. Onderzoekers maken trouwens nog onderscheid tussen het directe en het indirecte aerosoleffect. Het directe effect houdt in dat aerosolen zonlicht weerkaatsen, waardoor een deel van het zonlicht teruggekaatst wordt: de ruimte in. Dat leidt tot afkoeling. Het indirecte effect is dat aerosolen invloed hebben op de samenstelling van wolken. De wolken zouden er witter door worden en meer zonlicht weerkaatsen, wat eveneens tot afkoeling zou leiden. Ook de levensduur van wolken kan erdoor veranderen.




68 Afbeelding 8: Opwarmende (rechts van het midden) en afkoelende factoren, zoals vermeld in het laatste IPCC-rapport. Afkoeling is vrijwel uitsluitend veroorzaakt door aerosolen, aldus het IPCC. De invloed op de stralingsbalans wordt uitgedrukt in watt per vierkante meter. Bron: IPCC.


Beide effecten zijn vanaf het begin af aan heel onzeker geweest en ook het IPCC erkent dat deze processen nog altijd niet goed begrepen zijn.


69 Het opvoeren van aerosolen als compenserende factor voor broeikasgassen riep onmiddellijk weerstand op onder sceptici. CO2 verspreidt zich heel snel over de aarde; het broeikaseffect zou dus overal gelijk moeten zijn. De afkoeling door aerosolen is echter redelijk regionaal. Dit omdat aerosolen gemiddeld slechts zo'n week in de atmosfeer blijven en dan uitregenen. Luchtverontreiniging zit vooral op het noordelijk halfrond, waar zich de grote industriële landen bevinden. Op het zuidelijk halfrond heb je sowieso veel minder land en ook minder industrie. Je zou dus verwachten dat het zuidelijk halfrond, waar de aerosolen het broeikaseffect veel minder konden compenseren, sneller zou opwarmen dan het noordelijk halfrond. Het omgekeerde is echter gebeurd; het noordelijk halfrond is sterker opgewarmd dan het zuidelijk halfrond.


Om een mondiale afkoeling door aerosolen te krijgen die zo groot is als het IPCC beweert, zou je sowieso regionaal forse afkoeling verwachten. En dan vooral in de industriële gebieden waar de aerosolen vrijkomen. Maar zo'n regionale forse afkoeling, in het Europa of Noord-Amerika van de jaren zeventig (toen de luchtverontreiniging nog groot was) of in het Azië van nu, zien we helemaal niet. Sterker nog, onderzoekers Patrick Michaels en Ross McKitrick (zie pagina 69) zien het tegenovergestelde, dus relatief meer opwarming in industriële gebieden. Voor dit laatste probleem bestaat echter een tweede 'reddende' verklaring. In de gebieden met veel luchtverontreiniging zouden ook veel roetdeeltjes (dat zijn ook aerosolen) vrijkomen. Roet ontstaat bij de verbranding van bijvoorbeeld steenkool of hout. Roet in de atmosfeer weerkaatst het zonlicht niet, maar absorbeert het juist. Dit geeft dus opwarming van de atmosfeer. Boven India, waar ontzettend veel roet vrijkomt, is dit proces ook daadwerkelijk waargenomen. IPCC heeft roet (black carbon) wel opgenomen bij de opwarmende factoren, maar alleen via het indirecte effect dat roet heeft op sneeuw en ijs. Roetdeeltjes in de sneeuw absorberen zonlicht en dragen op die manier bij aan het smelten van sneeuw en ijs. De directe opwarmende rol van roet in de atmosfeer wordt weliswaar vermeld in het IPCCrapport,7 maar het opwarmende effect zou relatief klein zijn. Na het laatste IPCC-rapport verscheen er echter een wetenschappelijk artikel8 van de bekende klimaatonderzoeker Veerabhadran Ramanathan die stelt dat de invloed van roet veel groter is. De bijdrage van roet zou ruim de helft van het effect van CO2 uitmaken en net zo groot zijn als het effect van de broeikasgassen methaan, lachgas en halonen samen. Dit zou betekenen dat het totaal van de opwarmende factoren aanzienlijk groter is.


Dit is heel belangrijke informatie. Het betekent namelijk dat de opwarming die al heeft plaatsgevonden, over meer factoren verdeeld moet worden. Als een deel van de waargenomen opwarming toe te schrijven is aan roet in de atmosfeer, dan is een kleiner deel toe te schrijven aan CO2. Dat kan er dus op duiden dat het klimaat minder gevoelig is voor CO2. Terwijl het opwarmende effect van roet dus op het lijstje opwarmende factoren moet, lijkt het afkoelende effect van aerosolen almaar kleiner te worden. Dat wil zeggen, kleiner dan de balken in afbeelding 8 suggereren. In 2009 publiceerde de Noor Gunriar Myhre een artikel in Science,9 waarin hij de koeling door het directe aerosoleffect naar beneden bijstelde. Het indirecte aerosoleffect lijkt ondertussen helemaal op de helling te staan. De Amerikaanse klimaatonderzoeker Graeme Stephens van Colorado State University is nauw betrokken bij twee belangrijke satellietmissies van NASA: CloudSat en Calipso. Deze twee satellieten vliegen vlak achter elkaar aan en geven een ongekend scherp driedimensionaal beeld van wolken en aerosolen. Uit de metingen blijkt volgens Stephens dat het indirecte aerosoleffect


70 vrijwel nul is.10 De invloed van aerosolen moet met de artikelen van Myhre en de me- tingen van NASA dus fors naar beneden bijgesteld worden. De balken in afbeelding 8 zijn dus waarschijnlijk een stuk korter dan het IPCC in het vierde rapport nog dacht.


Wat betekenen die veranderingen nu voor het klimaatdebat en de rol van broeikasgassen? Voor wie zich zorgen maakt over opwarming door broeikasgassen zijn ze uitermate goed nieuws. Onderzoekers dachten dat het opwarmende effect van CO2 gemaskeerd werd door aerosolen. Dat maskerende effect van aerosolen lijkt nu echter fors lager dan gedacht. Het had daarom al veel warmer moeten zijn dan het is!11 Dat behoeft enige uitleg. Een cruciale vraag voor onderzoekers is hoe gevoelig het klimaat is voor CO2 en andere broeikasgassen (de Engelse vakterm is climate sensitivity). Als we weten hoe gevoelig het klimaat is voor broeikasgassen, zullen we een veel preciezere inschatting kunnen maken van de toekomstige opwarming. De klimaatgevoeligheid is gedefinieerd als de mate van opwarming bij een verdubbeling van de CO2-concentratie. De marge die het IPCC aanhoudt, is nog altijd ruim: 2 tot 4,5 graden, met een beste schatting van 3 graden. Nu is de CO2-concentratie al met 40 procent gestegen, maar ook de concentraties van andere broeikasgassen, methaan, lachgas en halonen zijn al flink gestegen. Door het gezamenlijke effect van die broeikasgassen verwachten onderzoekers op dit moment al een opwarming van 2 graden. Tenminste, uitgaande van de door het IPCC veronderstelde klimaatgevoeligheid van 3 graden. In werkelijkheid bedraagt de opwarming slechts 0,8 graden (of zelfs minder, vanwege de kritiek op de temperatuurmetingen). Het IPCC vult dit gat tussen 0,8 en 2 graden op met de afkoeling door aerosolen. Maar zoals we hierboven aangaven, koelen aerosolen waarschijnlijk veel minder dan tot nu toe gedacht. Daarmee is het gat tussen 0,8 en 2 graden opeens onverklaarbaar. Tenzij... je uitgaat van een veel lagere klimaatgevoeligheid! Want met een lagere klimaatgevoeligheid verwacht je minder opwarming door broeikasgassen. Dat is goed nieuws natuurlijk, want in dat geval zal ook de toekomstige toename van broeikasgassen minder opwarming veroorzaken dan de klimaatmodellen nu aangeven.


Eensgezind? In het tweede IPCC-rapport werd de rol van aerosolen voor het eerst geïntroduceerd om te verklaren waarom de wereld niet méér was opgewarmd dan je op basis van broeikasgassen zou verwachten. Alle twintig klimaatmodellen die het IPCC meeneemt, zijn in staat om de mondiale temperatuur in de twintigste eeuw (min of meer) te reproduceren. Maar hoe doen ze dat? En welke rol spelen de aerosolen daarbij? Dat blijkt een meer dan interessante vraag, die ook leefde onder klimaatonderzoekers. Jeff Kiehl van NCAR in Boulder, Colorado, publiceerde in 2007 een artikel12 waarin hij laat zien dat de uitkomsten van de modellen in grote mate afhangen van twee factoren. De ene is het afkoelende effect van aerosolen en de andere is de gevoeligheid van het klimaat voor broeikasgassen. Daarmee kunnen de modellen de 'juiste' uitkomst produceren. Modellen met een hoge klimaatgevoeligheid, die het klimaat dus sterk laten opwarmen door de toename in broeikasgassen, gebruiken een forse afkoeling door aerosolen om de temperatuur in de twintigste eeuw goed te kunnen simuleren. En modellen met een lage klimaatgevoeligheid gebruiken minder afkoeling van aerosolen om de temperatuur te reproduceren. Modellen leveren dus hetzelfde antwoord -- de temperatuur op aarde in de twintigste eeuw -- om heel verschillende redenen! Waarom is dit relevant voor de klimaatdiscussie? Welnu, er is uiteraard maar één werkelijke


71 klimaatgevoeligheid. Dus hoewel verschillende modellen het juiste antwoord produceren, komt uiteindelijk maar één combinatie van klimaatgevoeligheid en aerosolen in de buurt van de werkelijkheid. Recente wetenschappelijke resultaten duiden op een kleinere afkoeling door aerosolen dan werd gedacht. Dit zou betekenen dat modelsimutaties met een hoge klimaatgevoeligheid en een forse afkoeling door aerosolen niet aannemelijk zijn. Maar klimaatmodelleurs lijken juist een voorliefde te hebben voor modellen met een hoge klimaatgevoeligheid. Let nu op wat er gebeurt als je zo'n model met een hoge klimaatgevoeligheid doortrekt naar de toekomst. In scenario's gaat men er doorgaans vanuit dat luchtverontreiniging in de komende eeuw vrijwel volledig zal verdwijnen omdat ook ontwikkelingslanden vroeg of laat gebruik zullen maken van schonere technologie. De afkoelende werking van aerosolen zal dus geleidelijk aan wegvallen en de broeikasgassen kunnen dan ongehinderd hun werk doen: opwarmen! Een klimaat met een hoge klimaatgevoeligheid zal in dat geval een spectaculaire opwarming genereren. Het vierde IPCC-rapport was er verre van open over dat de modellen zulke verschillende aannames hanteren om de mondiale temperatuur te kunnen reproduceren. Afbeelding 7 suggereert vooral een grote mate van overeenstemming tussen de modellen. Die overeenstemming blijkt, bij nader inzien, het gevolg van het goed instellen van twee 'knoppen' in het model, de klimaatgevoeligheid enerzijds en de invloed van aerosolen anderzijds. De goede overeenstemming tussen de modellen en de observaties en de modellen onderling kan buitenstaanders de indruk geven dat de modellen op één lijn zitten. Die indruk lijkt niet gerechtvaardigd. Het was misleidend om dat niet duidelijker uit te leggen aan beleidsmakers. Een goede test zou zijn als alle modellen gevoed zouden worden met dezelfde set van opwarmende en afkoelende factoren en dat dan bekeken zou worden welke modellen het goed en welke het minder goed doen. Zo'n test is wel voorgesteld, maar nog niet uitgevoerd.


Hot spot Laten we eens aannemen dat de modellen inderdaad zo 'afgesteld' zijn dat ze de mondiale temperatuur zo goed mogelijk reproduceren. Dit zou ten koste kunnen gaan van het goed simuleren van andere aspecten van het klimaat. Hoe goed scoren de modellen daarop? Dit brengt ons onmiddellijk bij het volgende verhitte debat. Simulaties met klimaatmodellen tussen 1900 en 2000 laten zien dat de toegenomen concentratie aan broeikasgassen moet leiden tot een zeer karakteristieke hot spot in de tropen.13 Tussen 8 en 12 kilometer hoogte in de tropische troposfeer zou de temperatuur twee- tot driemaal sterker gestegen moeten zijn dan aan het aardoppervlak. Dit wordt gezien als 'een vingerafdruk' van het broeikaseffect. Dit is een specifieke opwarming die de modellen verwachten door de toename in CO2 en de bijbehorende versterking doordat er extra waterdamp in de hogere troposfeer komt. De modellen geven aan dat de zon diezelfde opwarming niet veroorzaakt kan hebben. Een unieke kans dus om het broeikaseffect te bewijzen met observaties! Er zijn satellietwaarnemingen vanaf 1979 waarmee de temperatuur van verschillende lagen in de troposfeer berekend wordt (zie ook hoofdstuk 2). Daarnaast zijn er metingen met weerballonnen vanaf 1958. Er zijn dus twee onafhankelijke meetreeksen waarin de vingerafdruk van het broeikaseffect zichtbaar zou moeten zijn Alle ogen zijn dus gericht op deze meetreeksen. Maar er lijkt in de tropen geen spoor van een hot spot te bekennen. De tropische troposfeer warmt wel op, maar eerder minder dan het aardoppervlak dan meer. De klimaatsceptische onderzoeker David Douglass vergeleek in 2007 de uitkomsten van 22 klimaatmodellen met verschillende meetreeksen van weerballonnen en satellieten.14 Aan het


72 aardoppervlak komen de uitkomsten van de modellen (zoals we al eerder zagen) goed overeen met de metingen. Maar zodra we omhoog gaan, beginnen modellen en metingen uit elkaar te lopen. Op to kilometer hoogte, waar de modellen een opwarming van 0,3 graad per decennium verwachten, meten de weerballonnen slechts zo'n 0,1 graad per decennium. De satellietme- tingen blijven ook onder de modelresultaten. De belangrijkste conclusie van Douglass en collega's is dan ook dat de klimaatmodellen niet overeenkomen met de metingen. Hoewel het artikel behoorlijk kritisch was, zal het toch menig lezer ontgaan zijn wat de implicaties waren van hun resultaten. Zo rept het stuk met geen woord over de term 'vingerafdruk'. Het is voor sceptici vaak moeilijk om heel expliciet te worden over eventuele sceptische consequenties (dat wil zeggen dat het effect van CO2 wel eens kan meevallen) van je onderzoek, want dat vergroot de kans dat je artikel wordt afgewezen. Fred Singer, een van de meest activistisch ingestelde klimaatsceptici ter wereld en coauteur van de studie, besloot dan ook een persbericht15 de wereld in te sturen waarin de implicaties van hun artikel nog wat explicieter werden gemaakt. Daarin liet hij Douglass zeggen dat het waargenomen patroon van opwarming niet de karakteristieke vingerafdruk van het broeikaseffect laat zien. De onvermijdelijke conclusie, aldus Douglass, is dat de menselijke bijdrage niet significant is en dat de toename in CO2 en an- dere broeikasgassen een verwaarloosbare invloed heeft gehad op de opwarming. Een grote groep mainstream klimaatonderzoekers onder aanvoering van Ben Santer zette de tegenaanval in.16 Douglass zou niet alle relevante meetreeksen van weerballonnen gebruikt hebben, in het bijzonder de reeks Raobcore 1.4, die wel goed overeenkomt met de modellen. (Volgens Douglass was de reeks Raobcore 1.4 overigens onbetrouwbaar en dus bewust niet meegenomen.) Bovendien vinden critici dat Douglass en zijn collega's zowel de onzekerheden in de modellen als in de observaties onderschatten. Met grotere onzekerheidsmarges is er nog steeds 'overlap' tussen de modellen en de observaties en zijn de verschillen dus niet significant, aldus Santen Stephen Mclntyre en Ross McKitrick, die eerder kritiek hadden op de temperatuurmetingen en op de hockeystick, verbaasden zich er op hun beurt weer over dat Santer zijn analyse in 1999 liet eindigen, terwijl het inmiddels eind 2008 was. Waarom heeft Santer geen metingen tot en met 2007 gebruikt, vroeg McIntyre zich af. Santer zelf verantwoordt deze keuze in het artikel door erop te wijzen dat de meeste modelsimulaties in 1999 eindigen. Goed, schrijft McIntyre, maar er zijn modelsimulaties beschikbaar die later eindigen; CO2 is blijven stijgen. Dus waarom niet, hoe dan ook, je analyse uitbreiden en kijken wat dat oplevert?


McIntyre en McKitrick besluiten de analyse te doen en het resultaat laat zich bijna raden. De verschillen tussen de modellen en observaties zijn wel statistisch significant als je exact dezelfde analyse als Santer deed: laat doorlopen tot en met 2007.17 In januari 2009 dienden ze hun artikel in bij de International Journal of Climatology. Het artikel werd echter afgewezen.18 McIntyre en McKitrick waren toen gedwongen een iets gewijzigde methodiek te gebruiken, maar toonden ook daarmee aan dat de verschillen tussen de modellen en de observaties statistisch significant zijn. De hot spot in de tropen is er niet, althans niet in de periode 1979-2007 waarover de analyse plaatsvond. Het artikel van Mclntyre en McKitrick werd in juli 2010 gepubliceerd.19 Een reactie van de klimaatgemeenschap is er dus nog niet, maar die zal ongetwijfeld gaan komen. Wat betekent deze felle academische strijd nu voor het broeikasdebat? Richard Lindzen wijst er in een artikel uit 200720 op, dat uit het ontbreken van de hot spot een limiet volgt voor de bijdrage van CO2 aan de recente opwarming. De theorie en de modellen geven immers aan dat


73 de opwarming op to kilometer in de tropen twee tot drie keer zo sterk moet zijn als aan het oppervlak. Die verhouding tussen oppervlak en atmosfeer is wat Lindzen betreft plausibel. Dus vervolgens kan uit de trend op to kilometer 'berekend' worden wat de bijdrage is geweest van CO2 aan de recente opwarming. Hoog in de troposfeer was er een opwarming van zo'n 0,1 graden per decennium. Als we die opwarming volledig toeschrijven aan CO2en andere broeikasgassen (wat niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn) en delen door respectievelijk twee en drie, dan houden we een opwarming over aan het oppervlak van tussen de 0,033 en 0,05 graad per decennium. Lindzen merkt op dat deze cijfers de hoofdconclusie van het laatste IPCC-rapport net merendeel van de opwarming sinds 1950 is veroorzaakt door broeikasgassen') tegenspreken.


De oceanen warmen niet op Roger Pielke sr. van de University of Colorado, die al jarenlang kritiek heeft op het IPCC, wijst op zijn blog Climate Science21 nog op een andere indicatie dat klimaatmodellen de opwarming door broeikasgassen fors overschatten. Als ergens meer energie in komt dan eruit gaat, dan moet die warmte ergens blijven. De oceanen vormen, in het geval van de aarde, verreweg het grootste reservoir voor die warmteopslag. Er zijn schattingen gemaakt hoeveel warmte de oceanen opnemen en dit kun je vervolgens omrekenen naar een schatting van de huidige onbalans in het stralingsevenwicht van de aarde. Een van de schattingen is afkomstig van James Hansen van NASA, een fanatieke aanhanger van de broeikastheorie (zijn schatting bedroeg 0,85 watt per vierkante meter). Die schatting was gedaan voor het jaar 1999. Er zijn echter sterke aanwijzingen (zie pagina 75) dat de oceanen sinds 2003 helemaal geen warmte meer opnemen. Dat zou helemaal niet moeten kunnen! Volgens Pielke duidt dit erop dat de feedbacks in het klimaatsysteem niet positief zijn, maar juist negatief. Ze dempen het directe effect van de broeikasgassen zodat de uiteindelijke onbalans in het stralingsevenwicht van de aarde kleiner wordt. In alle klimaatmodellen die het IPCC voor het laatste IPCC-rapport gebruikte, domineren echter de positieve feedbacks waardoor de modellen een fikse opwarming in de eenentwintigste eeuw voorzien. Pielke komt via deze alternatieve route dus tot dezelfde conclusie als Lindzen, namelijk dat de observaties -- in dit geval de warmteopname door de oceanen -- erop wijzen dat er negatieve feedbacks in het klimaat zitten die de directe effecten van broeikasgassen dempen.


Critici zien dus diverse redenen waarom de klimaatgevoeligheid lager is dan het IPCC veronderstelt. Een lage klimaatgevoeligheid duidt op de aanwezigheid van negatieve feedbacks in het klimaat. Het IPCC gaat echter uit van positieve feedbacks. Het klimaatdebat gaat dus over de vraag: Hoe groot is de klimaatgevoeligheid? Verwant aan die vraag is of de feedbacks positief of negatief zijn. De sterkste positieve feedback in de modellen is waterdamp. Het IPCC stelt in het laatste rapport dat de totale hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer gestegen is met 1,2 procent per decennium tussen 1988 en 2004. Dit is dus een relatief korte periode. De auteurs merken ook op dat de hoeveelheid waterdamp in de hogere troposfeer, waar het bijdraagt aan het versterkte broeikaseffect, moeilijk te meten is. In een opiniestuk in Science22 uit 2009 schrijven Andrew Dessler en Steven Sherwood dat het moeilijk was om het feedbackeffect van waterdamp met metingen te toetsen en dat het effect daarom controversieel was. Maar, schrijven de twee opgetogen, die controverse is voorbij nu er nieuwe metingen zijn en een beter theoretisch begrip. Volgens hen staat het vast dat waterdamp


74 een positieve feedback is en dat daardoor een forse opwarming te verwachten is. Volgens Dessler en Sherwood zijn de klimaatmodellen goed in staat om de toename van waterdamp boven in de troposfeer te reproduceren. Bovendien is nu bij diverse gebeurtenissen, zoals tijdens een El Niño of na de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo in 1991, gezien dat waterdamp zich gedraagt als een positieve feedback. Dat wil zeggen dat tijdens een El Nijl° hogere oceaantemperaturen leiden tot meer verdamping, en dat versterkt de opwarming. Na de uitbarsting van de Pinatubo gebeurde het omgekeerde, een afname van waterdamp versterkte de afkoeling. Wel erkennen Dessler en Sherwood dat de meetreeksen nog te kort zijn om de precieze reactie van waterdamp door de toename van broeikasgassen te meten.


De lezer vraagt zich zo langzamerhand wellicht vertwijfeld af of klimaatonderzoekers het überhaupt over iets eens kunnen worden. Ik vrees dat het antwoord ontkennend is, zolang meetreeksen vrij kort zijn en de vraagstukken complex, zoals in het geval van de feedback door waterdamp en wolken. Bedenk ook dat waterdamp en wolken met elkaar samenhangen. En, schrijft Roger Pielke st op zijn blog in een reactie op Dessler,23 om het netto-effect van de waterdampfeedback te kunnen bepalen moeten we ook rekening houden met de twee andere fases: water en ijs. Onze kennis daarover is zeer beperkt, aldus Pielke.


Kinninmonth Een andere kwestie is welke waterdamp er nu het meest toe doet. De meeste aandacht gaat uit naar waterdamp hoog in de troposfeer, daar waar het broeikaseffect zich het sterkst zou moeten manifesteren. Maar de gepensioneerde Australische klimaatonderzoeker William Kinninmonth, die tijdens zijn loopbaan hoofd was van het National Climate Center in Australië, stelt juist dat de onderste laag van de atmosfeer veel belangrijker is. Een hogere concentratie aan broeikasgassen, CO2 en waterdamp leidt daar tot extra straling op het aardoppervlak en dus tot hogere temperaturen. Kinninmonth meent een verklaring gevonden te hebben voor het feit dat in klimaatmodellen de waterdampfeedback zo sterk positief is. In theorie is de relatie tussen waterdamp en temperatuur goed bekend. Bij iedere graad opwarming neemt de verdamping met 7 procent toe. Satellietmetingen hebben bevestigd dat de toename in de aardse atmosfeer 6 procent is, dicht bij de theoretische relatie. De kleine afwijking komt doordat er op land grote droge gebieden zijn met weinig verdamping. Maar nu komt het. Klimaatmodellen komen met hun uitkomsten helemaal niet in de buurt van die 6 procent verdamping, maar veel lager, tussen de 1 en de 3 procent.24 In eerste instantie verwacht je dat minder verdamping in de modellen tot minder waterdamp in de atmosfeer en dus tot minder opwarming zou moeten leiden. Maar Kinninmonth legt uit dat dat niet het geval is.


De mate van verdamping heeft namelijk niet of nauwelijks invloed op de totale hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer. De totale hoeveelheid waterdamp wordt voornamelijk bepaald door de temperatuur, aldus Kinninmonth. In een op internet wijdverbreid artikel25 (niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift overigens) maakt Kinninmonth duidelijk dat aan het aardoppervlak geldt dat de energie die nodig is voor de verdamping, veel zwaarder weegt dan de extra infrarode straling van waterdamp naar het aardoppervlak. De gevolgen hiervan zijn groot. Als de verdamping toeneemt met 6 procent per graad Celsius, zoals de satellietmetingen nu aangeven, dan zal een verdubbeling van de CO2-concentratie volgens het onderzoek van Kinninmonth gepaard gaan met een opwarming aan het aardop-


75 pervlak van slechts 0,6 °C. Dit is dus het directe effect van CO2 plus het effect van waterdamp. Samen dus een zeer bescheiden effect. Maar nemen we het gemiddelde van de uitkomsten van de klimaatmodellen, 2 procent toename van de verdamping per graad Celsius, dan levert dat al een opwarming van 1,7 °C op. En de ondergrens van de klimaatmodellen, 1 procent toename van verdamping per graad Celsius, geeft zelfs ruim 3 °C opwarming aan het aardoppervlak. Er is dus een hele sterke positieve waterdampfeedback, althans volgens de modellen. Die sterke opwarming in de modellen is echter niet het gevolg van een hogere concentratie aan waterdamp hoger in de atmosfeer, maar van een onrealistisch lage verdamping aan het oppervlak.


Waar staan we nu? De broeikashypothese is op zichzelf een aannemelijke en weinig omstreden hypothese. CO2 is een broeikasgas en een stijging zal ertoe leiden dat de aarde warmer wordt. Het debat begint bij de kwestie hoeveel de aarde zal opwarmen. De modelsimulaties voor de komende eeuw in het IPCC-rapport suggereren een opwarming van tussen de 1,5 en 6 graden, met een beste schatting van zo'n 3 graden.26 Dat zou een forse opwarming zijn met ongetwijfeld grote gevolgen voor ijskappen, zeespiegel en veel andere aspecten van het klimaat. Een groot deel van deze opwarming komt echter niet door CO2 maar door positieve feedbacks, vooral waterdamp en wolken. Juist over deze feedbacks is nog ontzettend veel onduidelijkheid. Of het werkelijk tot 3 graden opwarming of meer zal komen, is nog zeer de vraag. De modellen weten de wereldtemperatuur in de twintigste eeuw weliswaar min of meer te reproduceren, maar maken daarbij gebruik van een tamelijk willekeurige afkoeling door aerosolen. Zonder afkoeling door dit soort stofdeeltjes zijn alle modellen veel te gevoelig voor CO2 en zouden ze meer opwarming produceren dan er in de twintigste eeuw heeft plaatsgevonden. Recent onderzoek wijst er echter op dat het afkoelende effect van aerosolen aanzienlijk kleiner is dan tot nu gedacht. Het is zelfs niet uit te sluiten dat aerosolen een opwarmend effect hebben, vooral als gevolg van roetdeeltjes in de lucht en neergeslagen op sneeuw en ijs. Deze nieuwe inzichten impliceren dat er veel meer opwarming had moeten plaatsvinden dan er heeft plaatsgevonden. De conclusie kan zijn dat het klimaat veel minder gevoelig is voor broeikasgassen dan de modellen nu aannemen. Dit is de mening van een aantal ervaren klimaatsceptici zoals Richard Lindzen en William Kinninmonth. Zij denken dat er negatieve feedbacks werkzaam zijn en dat een verdubbeling van de CO2-concentratie slechts 0,5 graad opwarming zal geven, waarvan we een deel bovendien al achter de rug hebben. Deze opwarming is zo gering dat ze wegvalt in de ruis van natuurlijke klimaatschommelingen en dus onmeetbaar is. Het IPCC heeft de InterAcademy Council (IAC), de vereniging van academies van wetenschappen (waarvan de Nederlandse wetenschapper Robbert Dijkgraaf covoorzitter is), in maart 2010 gevraagd de procedures van het IPCC te onderzoeken.27 Tijdens een hoorzitting van het onderzoekspanel van het IAC in Montreal noemde scepticus John Christy28 de houding van de klimaatgemeenschap 'fantasieloos'. Een fragment: 'Ik realiseer me dat zo'n aanbeveling [om het IPCC grondig te hervormen, red.] tot consternatie leidt onder hen die het proces tot nu toe gecontroleerd hebben en die oprecht geloven dat "de wetenschap eruit is", omdat ze tevreden zijn met gemakkelijke en fantasieloze antwoorden op moeilijke vragen. Waarom rapporteert het IPCC niet over (en waarom investeren financieringsorganisaties niet in) belangrijk onderzoek over de interne dynamische processen van het klimaatsysteem? Dat soort processen is op dit moment onvoldoende vertegenwoordigd in klimaatmodellen, terwijl het aangetoond is dat ze een belangrijke bron


76 zijn voor de variatie die we in het klimaat zien. Waarom moeten we zo fantasieloos zijn dat we het gewoon opgeven en beweren dat niets anders dan de toegenomen concentratie aan broei- kasgassen het merendeel van de opwarming in de laatste vijftig jaar verklaart?' In het volgende hoofdstuk zullen we laten zien dat het IPCC misschien 'fantasieloos' is, maar de wetenschappelijke literatuur zeker niet. Er is een enorme rijkdom aan theorieën over de recente klimaatverandering en we zullen de belangrijkste tegen het licht houden.




77 HOOFDSTUK 5


Kan de opwarming veroorzaakt zijn door iets anders dan CO2? De meeste klimaatonderzoekers en ook het IPCC denken dat de aarde vooral opwarmt door de uitstoot van broeikasgassen. Het aantal wetenschappers dat de IPCCconsensus niet steunt, is echter groter dan men denkt. Maar waar het IPCC al twintig jaar dezelfde boodschap uitdraagt - het is CO2! - bestaat er onder de 'twijfelaars' een grote diversiteit aan opvattingen. Sommige twijfelaars gaan een eind mee met het IPCC, maar denken dat het klimaat helemaal niet zo gevoelig is voor CO2. Andere denken dat het klimaat van nature grillig is, of dat veranderingen in de zon grote invloed hebben. Weer andere denken dat de mens wel degelijk een belangrijke invloed heeft, maar dat CO2 daarbij niet de belangrijkste factor is.


Wie het klimaatdebat oppervlakkig volgt, kan de indruk krijgen dat er twee kampen zijn. Het overgrote deel van de klimaatonderzoekers denkt dat de aarde opwarmt door onze uitstoot van broeikasgassen. Een zeer kleine minderheid denkt dat het de zon is. Zon versus broeikasgassen is de klassieke tegenstelling in het klimaatdebat. Maar de werkelijkheid is veel complexer en genuanceerder dan deze tegenstelling tussen broeikas- en zonaanbidders. Van alle wetenschappers die de invloed van de zon bestuderen op het klimaat, is het merendeel ervan overtuigd dat de recente opwarming sinds 1970 niet door de zon komt maar door broeikasgassen. Zij accepteren dus de IPCC-conclusies. Een deel van de zononderzoekers ziet wel een veel grotere rol voor de zon dan het IPCC. Binnen die groep zononderzoekers zijn er weer verschillende stromingen. Zo denken sommige onderzoekers dat je alleen maar naar de totale hoeveelheid zonnestraling hoeft te kijken en andere dat er een connectie is tussen zonneactiviteit en wolkenvorming. Er is kortom ook een flink debat gaande tussen onderzoekers over hoe de zon het klimaat beïnvloedt. Eén groep sceptici zit dus op het spoor van een veel grotere invloed van de zon dan door het IPCC wordt aangenomen. Maar er zijn ook sceptici die om heel andere redenen denken dat het IPCC ernaast zit. Sommigen denken dat het effect van CO2 veel kleiner is dan het IPCC beweert en dat er dus helemaal geen klimaatprobleem is.


's Werelds bekendste klimaatscepticus, de eerder genoemde Richard Lindzen van MIT, zit in deze groep. Hij accepteert dat externe factoren (zoals broeikasgassen) het klimaat kunnen veranderen en dat er feedbacks zijn die deze veranderingen vervolgens kunnen versterken of verzwakken. Volgens Lindzen wijzen waarnemingen echter in de richting van een lage gevoeligheid van het klimaat voor CO2 en dus is er geen sprake van een klimaatcrisis. Dit betekent tevens dat de belangrijkste feedbacks samen (waterdamp en wolken) wel negatief moeten zijn. Ze dempen dus het opwarmende effect van broeikasgassen. Lindzen publiceerde hier in 2001 over en lanceerde de zogenoemde iris-hypothese, waarover later meer. Hij krijgt steun van Roy Spencer van de University of Alabama in Huntsville. Deze bekende klimaatscepticus heeft daarnaast een eigen invalshoek. Hij meent dat de onderzoekers van het IPCC bij hun analyse van feedbacks oorzaak en gevolg verward hebben. Ze hebben volgens hem niet ingezien dat de hoeveelheid wolken op aarde spontaan kan veranderen en dat dit grote invloed kan hebben op eventuele opwarming. De laatste jaren is er ook steeds meer aandacht voor de rol van de oceanen. Er is inmiddels een


78 aantal 'oscillaties' (klimaatschommelingen) bekend in de oceanen. De afwisseling tussen El Niño en La Niña in de Grote Oceaan is verreweg de bekendste. Deze cyclus heeft een periode van tussen de drie en zeven jaar en de effecten ervan op de mondiale temperatuur zijn flink, getuige ook de piek die optrad in 1998 toen er sprake was van een zeer sterke El Niño. Klimaatonderzoekers zijn bekend met deze pieken en dalen en zullen ervoor proberen te corrigeren. De periodes van El Niño en La Niña duren te kort om een langere periode van opwarming te verklaren. Er zijn naast El Niño en La Niña echter ook andere oscillaties aanwezig, zoals de Atlantic Multidecadal Oscillation (AMO) en de Pacific Decadal Oscillation (PDO). Vooral de PDO maakt de laatste jaren furore onder sceptici omdat de warme en koude fases van de PDO sterk lijken op de opwarming en afkoeling op aarde in de twintigste eeuw. PDO lijkt gekoppeld aan El Niño en La Niña. Tijdens warme fases van de PDO treden er meer El Niño's op en tijdens koude fases meer La Niña's. Een PDO-cyclus duurt ongeveer zestig jaar, maar de periodes duren niet altijd even lang. Dit maakt de oscillaties ook lastig voorspelbaar. De grote vraag die door het IPCC nog niet eens gesteld is, luidt nu: Hoeveel heeft de PDO bijgedragen aan de opwarming tussen 1970 en 2000?


Drie verklaringen voor het klimaat Roger Pielke sr. publiceerde in 2010 een stuk in Eosi waarin hij drie hypotheses over het klimaat beschreef die volgens hem momenteel in omloop zijn, en waarvan er maar één waar kan zijn. Deze drie luiden, enigszins vrij vertaald:


1. De menselijke invloed op het klimaat is zeer gering. Natuurlijke invloeden domineren klimaatveranderingen. In de komende decennia zal dat niet veranderen. 2. Hoewel natuurlijke klimaatverandering zonder meer belangrijk is, heeft de mens een belangrijke invloed op het klimaat. Die invloed bestaat onder meer uit 002. Het merendeel van menselijke invloeden op klimaatverandering zal de komende decennia van belang blijven. 3. Hoewel natuurlijke klimaatverandering zonder meer belangrijk is, heeft de mens een belangrijke invloed op het klimaat, waarvan de uitstoot van broeikasgassen de belangrijkste is. De nadelige gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen op klimaatverandering zal de komende decennia de grootste zorg zijn.


De tweede en derde hypothese gaan er allebei vanuit dat de mens op dit moment een belangrijke invloed heeft op het klimaat. De laatste hypothese is uiteraard die van het IPCC en in de beleving van velen de enige 'ware'. Pielke zelf is echter aanhanger van de tweede hypothese. Ja, broeikasgassen zijn belangrijk, maar er is nog een aantal andere menselijke invloeden op het klimaat, waaronder de grote veranderingen die wij hebben aangebracht in het landschap, aerosolen (luchtvervuilende deeltjes), roet dat neerkomt op sneeuw en ijs, en stikstofuitstoot. Klimaatsceptici zoals Lindzen en Spencer en ook zonaanhangers vallen onder hypothese 1. Is het waar dat 99 procent van de wetenschappers achter de 'IPCC-hypothese' staat? Vermoedelijk niet. In samenwerking met Roger Pielke sr. stuurde ik de drie hypotheses per e-mail naar een paar honderd 'fellows' van de American Geophysical Union (AGU). AGU-fellow is een soort eretitel voor gelouterde onderzoekers. Helaas was de respons laag, zeker nadat een van fellows de AGU op de hoogte bracht, waarna de voorzitter van de AGU onmiddellijk alle fellows een e-mail stuurde met de boodschap dat mijn enquête 'illegaal' zou zijn. Ongeveer 80 procent van de respondenten koos voor de IPCC-hypothese, 10 procent voor hypothese 1 en 10 procent voor hypothese 2.


79 Dat een meerderheid van de wetenschappers de broeikashypothese 'aanhangt' zegt op zichzelf weinig over de waarschijnlijkheid dat deze hypothese de beste is. Er bestaat een behoorlijke sociale druk om het met deze hypothese eens te zijn. Het is niet toevallig dat het vooral gearriveerde dan wel gepensioneerde wetenschappers zijn die openlijk kritiek durven uiten. Je hoort zelden jonge ambitieuze onderzoekers die nog geen vaste aanstelling hebben aan een universiteit, openlijk kritiek uiten op de broeikashypothese.


Wolken en de iris-hypothese Terug naar de kern van het klimaatdebat. In het vorige hoofdstuk is uitgelegd dat een verdubbeling van de CO2-concentratie een theoretische opwarming geeft van ongeveer 1 graad en dat vrijwel iedereen zich daarachter kan scharen. Deze theoretische opwarming is echter niet aangetoond met waarnemingen en dat zal waarschijnlijk ook nooit gebeuren. Het effect van extra CO2 is namelijk een kleine vermindering van de uitgaande infrarode straling Zo klein dat dit effect wegvalt in de natuurlijke schommelingen. Het is dus onmogelijk om de afname van infrarode straling door extra broeikasgassen direct te meten vanuit een satelliet. Een ander probleem is dat een verandering van CO2 onmiddellijk een heel scala aan veranderingen in het klimaat teweeg kan brengen, de feedbacks. Er is geen simpele truc waarmee je het directe effect van broeikasgassen kunt scheiden van de feedbacks.


NASA meet sinds 1985 vanuit satellieten de infrarode straling die de aarde verlaat. Na 2000 volgde een tweede missie, CERES (Clouds and the Earth's Radiant Energy System). Ook de weerkaatste straling van de zon wordt gemeten. NASA constateerde een krachtige piek in de uitgaande infrarode straling na de krachtige El Niño in 1998. Daarnaast mat NASA een enorme uitschieter bij het weerkaatste zonlicht in 1992. Die was een gevolg van de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo in 1991, waarbij grote hoeveelheden zwavel werden uitgestoten. Dit leidde tot een mondiale afkoeling van zo'n halve graad. Het effect was na twee jaar weer verdwenen. Het waren onder andere deze metingen die Lindzen in de jaren negentig aan het denken zetten. De klimaatmodellen voorspelden veel minder uitgaande infrarode straling dan de metingen. Dat wees er volgens Lindzen op dat de modellen iets misten. In 2001 vatte hij zijn ideeën samen in wat hij zelf de iris-hypothese2 noemde. Net zoals de iris in je ogen kleiner en groter wordt, afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar licht, schommelt volgens Lindzen de hoeveelheid energie die de tropen verlaat. Als het warm is, wordt de 'iris' groter en verliest de atmosfeer meer straling als het kouder is, gebeurt het omgekeerde. In de tropen stijgt warme vochtige lucht op en vormt zogenoemde cumuluswolken. Daaruit valt veel neerslag. Hoog in de atmosfeer waaiert een deel van de ontstane ijskristallen uit. Hieruit ontstaat vervolgens een ander type wolken (cirrusbewolking). Ook daaruit kan neerslag vallen. Deze wolken hebben een broeikaswerking, ze vangen infrarode straling in. Lindzens hypothese is nu dat door opwarming van de oceanen in de tropen, de cumuluswolken efficiënter zullen uitregenen. Er zullen dan minder cirruswolken ontstaan en meer infrarode straling kan de aarde ontsnappen. Opwarming leidt dus tot een verandering in wolken, die vervolgens afkoeling tot gevolg heeft. Het artikel van Lindzen leverde veel reacties op uit de klimaatgemeenschap.3 Het grootste bezwaar was dat de studie gebaseerd was op een relatief klein gebied in het westelijk deel van de Grote Oceaan en de metingen een relatief korte periode bestreken (twintig maanden). Maar Lindzen gaf niet op. Hij realiseerde zich dat er betere metingen nodig waren. Hij kwam uit bij een radarstation op het eilandje Kwajalein, ten noordoosten van Australië en Indonesië. Deze radarmetingen kunnen onderscheid maken tussen neerslag die valt uit cumuluswolken en de neerslag die valt uit de ijzige cirruswolken. De metingen gaan dag en nacht door en


80 bestrijken een gebied met een straal van 150 kilometer. De nieuwe metingen lijken Lindzens iris-hypothese te bevestigen. Lindzen was echter heel voorzichtig en sprak van een eerste stap op weg naar een mogelijk mechanisme voor een negatieve feedback. Verstandig, want onderzoek van Hui Su in 2008 4 relativeerde zijn resultaten aanzienlijk.


Lindzen kreeg in 2007 wel weer bijval5 van onder andere Roy Spencer en John Christy, de twee onderzoekers die bekend zijn vanwege hun temperatuurmetingen van de troposfeer, de onderste laag van de dampkring. Zij deden een uitgebreide analyse van temperatuurschommelingen in de tropen en de samenhang met wolken, neerslag en straling. Al hun metingen komen van satellieten. Ze vonden net als Lindzen een afname van cirrusbewolking in warme periodes. De temperatuurschommelingen die Spencer en Christy onderzochten, duurden slechts één tot twee maanden. Het is dus onduidelijk in hoeverre de resultaten zijn door te trekken naar langere periodes. In een begeleidend persbericht6 van de University of Alabama in Huntsville legt Spencer uit wat het belang van hun studie is: 'De broeikastheorie stelt dat opwarming van de aarde gepaard zal gaan met meer neerslag. Iedereen ging er gewoon vanuit dat meer neerslag meer hoge bewolking betekent. (...) Er zijn belangrijke gaten in ons begrip van neerslagsystemen en de interacties daarvan met het klimaat. Ten minste 80 procent van het natuurlijke broeikaseffect wordt veroorzaakt door waterdamp en wolken, en die staan grotendeels onder controle van neerslagsystemen. Zolang we niet begrijpen hoe zulke systemen veranderen bij opwarming, denk ik niet dat we kunnen weten hoeveel van onze huidige opwarming door de mens veroorzaakt is. Zonder die kennis kunnen we met geen enkele zekerheid het toekomstige klimaat voorspellen.' 'Ik weet dat sommige modelleurs zullen zeggen dat deze resultaten interessant zijn, maar dat ze vermoedelijk niet van toepassing zijn op de opwarming van de aarde op de lange termijn', aldus Spencer. 'Maar het gaat hier om een fundamenteel natuurlijk afkoelingsproces in de atmosfeer. Laten we eens kijken of de klimaatmodellen dit in orde kunnen krijgen.'


Kip en ei Er is nog een lange weg te gaan om de iris-hypothese aan te tonen en te bewijzen dat ditzelfde wolkenmechanisme de opwarming van de aarde door broeikasgassen afzwakt (en dus een negatieve feedback is). Een positieve feedback door wolken is echter óók niet aangetoond. Zo nu en dan verschijnen er wel artikelen die suggereren dat er bewijs is voor een positieve wolkenfeedback. Zoals een artikel van Amy Clement in Science.7 De studie concludeerde dat boven het noordoostelijke deel van de Grote Oceaan de hoeveelheid lage wolken de afgelopen vijftig jaar is afgenomen. Lage wolken worden geacht vooral koelend te werken, omdat ze zonlicht weerkaatsen. De afname aan bewolking ging gepaard met hogere temperaturen. Dus een positieve wolkenfeedback? In het artikel zijn de auteurs heel wat voorzichtiger. Slechts twee van de onderzochte klimaatmodellen wisten de waargenomen veranderingen enigszins te simuleren en dat waren ook nog eens de twee uiterste, namelijk het meest en het minst gevoelige model voor CO2. Roy Spencer reageerde op zijn blog8 op de studie. Een logisch bezwaar van hem was dat de onderzoekers maar naar een klein deel van de oceanen hadden gekeken. De waargenomen veranderingen zouden ook in andere oceanen moeten optreden. We hebben geen idee of dat het geval is. Zijn tweede bezwaar is een kip-of-eikwestie. Hoe weten de onderzoekers dat de opwarming een afname van lage bewolking veroorzaakte en niet andersom? Spencer heeft sterke aanwijzingen dat klimaatonderzoekers zich massaal hebben laten foppen door deze kwestie van oorzaak en


81 gevolg, met als resultaat dat het lijkt alsof het klimaat heel gevoelig is voor broeikasgassen (later meer daarover). Er is dus weinig tot geen bewijs dat wolken fungeren als een positieve feedback. Toch voorspellen alle belangrijke klimaatmodellen extra opwarming door veranderingen in wolken. De redenering van de klimaatgemeenschap lijkt te zijn dat de feedback door wolken wel positief moet zijn omdat alle modellen dit laten zien. Een zeer onbevredigende situatie natuurlijk, want het is zeker niet uit te sluiten dat alle modellen ernaast zitten. Klimaatonderzoekers en ook het IPCC erkennen dat wolken het slechtst begrepen onderdeel van het klimaat zijn en dat modellen heel veel moeite hebben met het simuleren van wolken. Het IPCC stelt zelfs dat de onzekerheden in wolken de totale marge van onzekerheid in klimaatgevoeligheid verklaren.


De illusie van een gevoelig klimaat Roy Spencer wijdt zijn boek The Great Global Warming Blunder9 (2010) vrijwel volledig aan de analyse van klimaatgevoeligheid. Hij is van mening dat klimaatonderzoekers een enorme blunder hebben begaan. Toen Spencer voor het eerst vernam dat klimaatmodellen uitgaan van positieve wolkenfeedbacks, vroeg hij aan een aantal modelleurs wat voor bewijs ze daarvoor hadden. Ze vertelden hem over waarnemingen dat tijdens warme jaren het wolkendek op aarde kleiner was. Spencer vroeg vervolgens hoe ze wisten dat de opwarming de afname aan wolken veroorzaakte, in plaats van andersom, dus dat de afname aan wolken de opwarming veroorzaakte. Inmiddels is hij erachter dat ze dat niet wisten. Door geen rekening te houden met de mogelijkheid dat het wolkendek van nature schommelingen kan vertonen en dat die veranderingen in de temperatuur veroorzaken, hebben klimaatonderzoekers volgens Spencer de illusie gekregen dat er sterke positieve feedbacks werkzaam zijn. In het vorige hoofdstuk lieten we de IPCC-tabel zien (pagina 116) van externe invloeden op de aarde. Natuurlijke schommelingen in wolkenbedekking staan daar niet tussen. Het IPCC gaat er namelijk vanuit dat dergelijke schommelingen willekeurig zijn en op termijn zullen uitmid- delen. Bij de analyse van acht jaar aan satellietmetingen zijn spontane wolkenveranderingen volgens Spencer echter helemaal niet te verwaarlozen. Ze veroorzaken volgens hem veranderingen in de temperatuur en niet omgekeerd.


Het is niet vanzelfsprekend dat deze oorzaak-gevolgrelatie de analyse van klimaatgevoeligheid in de war schopt. Spencer en zijn collega Danny Braswel10 toonden het effect aan met een eenvoudig, maar veelgebruikt klimaatmodel. Ze legden aan dit model een sterk negatieve feedback op; het model was dus vrij ongevoelig voor een toename van broeikasgassen. Ze deden een simulatie met dit model en bepaalden vervolgens met de traditionele methode wat de gevoeligheid van hun model was. De opgelegde gevoeligheid kwam er niet uit. Integendeel, volgens de traditionele analysemethode zou de feedback van hun model sterk positief zijn, terwijl ze juist een negatieve feedback aan hun model hadden opgelegd. Er gaat dus iets fout en Spencer en Braswell zijn er vrijwel zeker van dat spontane fluctuaties in de wolkenbedekking de analyse van klimaatgevoeligheid in de war schoppen. Spencer en Braswell denken dat ze het probleem kunnen omzeilen en dat ze uit de beste satellietmetingen die we hebben, de eerder genoemde CERES-metingen, toch de klimaatgevoeligheid kunnen afleiden. Hun analyse suggereert dat er een sterke negatieve feedback werkzaam is in het klimaat. Dat zou betekenen dat een verdubbeling van de CO2-concentratie niet meer dan 05 °C opwarming zou geven. Deze waarde ligt ver buiten de range die het IPCC voor waarschijnlijk houdt,


82 namelijk 2 tot 4,5 °C.


Het negeren door het IPCC van natuurlijke schommelingen in wolkenbedekking als oorzaak voor klimaatverandering is volgens Spencer de achilleshiel van de consensus dat de mens de aarde opwarmt. Door spontane veranderingen in wolken te negeren, hebben onderzoekers geconcludeerd dat het klimaat heel gevoelig is voor broeikasgassen. Vervolgens heb je geen natuurlijke klimaatverandering meer nodig om de opwarming van de laatste vijftig tot honderd jaar te verklaren. Maar dat is een cirkelredenering. Het IPCC concludeert aan het eind van het liedje datgene wat ze aanvankelijk aan aannames had gebruikt. Spencer heeft met het eenvoudige computermodel ook onderzocht of veranderingen in wolkenbedekking de opwarming in de twintigste eeuw kunnen verklaren. Hij doet dit op basis van een veronderstelde koppeling tussen wolkenbedekking en 'oscillaties' in de oceanen, zoals El Niño en de Pacific Decadal Oscillation. Daarom eerst een uitleg over die oscillaties en de mogelijke rol die ze spelen bij klimaatverandering.


Natuurlijke patronen Het klimaat zit vol met zogenoemde oscillaties. Dit zijn steeds terugkerende patronen (in bijvoorbeeld temperatuur) in de oceanen of in de atmosfeer. El Niño en La Niña zijn al geruime tijd bekend, maar sommige oscillaties, zoals de Pacific Decadal Oscillation (PDO), zijn pas zeer recent ontdekt. Het was nota bene een bioloog die de PDO in 1996 voor het eerst beschreef in een wetenschappelijk artikel.11 Hij ontdekte dat de toe- en afname van de zalmpopulatie bij Alaska te maken had met veranderingen van de zeewatertemperatuur. Net als bij El Niño (warm) en La Niña (koel) kent de PDO een koude en een warme fase. In de warme fase is het westelijke deel van de Grote Oceaan (ten noorden van 20 graden noorderbreedte) vrij koel en het oostelijke deel vrij warm. In dat geval warmt Alaska flink op. In de koude fase gebeurt het omgekeerde. De totale cyclus duurt een jaar of zestig, maar daar kun je de klok niet op gelijk zetten. Waarom zou de PDO, die optreedt in het noordelijke deel van de Grote Oceaan, van belang zijn voor de mondiale temperatuur? Dat is inderdaad de grote vraag. Het op en neer gaan van de PDO vertoont in ieder geval een frappante gelijkenis met het op en neer gaan van de mondiale temperatuur. Tussen 1920 en 1945 verkeerde de PDO in een warme fase, van 1945 tot 1975 in een koude fase en daarna weer in een warme fase. Dit zijn ook de periodes waarin de aarde respectievelijk opwarmde, afkoelde en toen weer opwarmde.


Anastasios Tsonis en Kyle Swanson van de University of WisconsinMilwaukee publiceerden de afgelopen jaren twee artikelen12 waarvan de laatste de prikkelende titel had Has the climate recently shifted? Ze tonen aan dat de recente sprongen in het klimaat waarschijnlijk een natuurlijke oorzaak hebben. En recent, namelijk in 2001, gebeurde dat volgens hen weer en de consequentie kan zijn dat het klimaat tot 2020 of zelfs 2030 zal afkoelen (of niet of nauwelijks opwarmen). Swanson en Tsonis, twee wiskundigen, deden een ingewikkelde netwerkanalyse, waarin ze vier oscillaties meenamen. Ze kwamen tot de conclusie dat als de oscillaties 'synchroon' gaan lopen en 'gekoppeld' raken, het gehele mondiale klimaat naar een nieuwe toestand springt. Het is nog volstrekt onduidelijk wat 'synchroon lopen' en 'gekoppeld zijn' nou precies betekenen in het klimaat, maar met hun analyse kwamen Swanson en Tsonis in 2007 tot de conclusie dat de oscillaties gezamenlijk het klimaat in de twintigste eeuw drie keer flink opgeschud hebben: in 1910, 1940 en in 1976. Die laatste gebeurtenis staat bekend als de Great Pacific Climate Shift


83 en was vooral goed zichtbaar in weerballonmetingen. In een vervolgartikel in 2009 13 werd daar een nieuwe sprong in zool aan toegevoegd. De sprongen gaan volgens de auteurs gepaard met een forse verandering in de wereldwijde temperatuur en met een verandering in El Niño en La Niña. Dus na de sprong in 1976 (en ook na 1910) treden er plots meer en sterkere El Niño's op met de super El Niño van 1998 als hoogtepunt. Na 1940 breekt juist een koelere periode aan met meer La Niña's. Sinds 2001 zien we vooralsnog hetzelfde: meer La Niña's en soms, zoals in 2008, een behoorlijk sterke die de temperatuur flink deed dalen. Hoe zijn de bevindingen van Swanson en Tsonis nu te rijmen met het versterkte broeikaseffect? In een interview14 zei Tsonis: 'Als we niet begrijpen wat natuurlijk is, dan denk ik niet dat we veel kunnen zeggen over het effect van de mens. Onze interesse is om eerst de natuurlijke variabiliteit van het klimaat te begrijpen en dan van daaruit verder te gaan. We waren erg opgetogen toen we ons realiseerden dat veel van de veranderingen in de afgelopen eeuw, van warmer naar kouder en omgekeerd, alle van natuurlijke oorsprong waren.' Hij voegde er nog aan toe dat de huidige trend van stabiele of zelfs dalende temperaturen wel eens een aantal decennia kan aanhouden, totdat de volgende trendbreuk optreedt. Tsonis klinkt hier dus behoorlijk sceptisch. In hun artikel schrijven ze echter ook meerdere malen dat er vermoedelijk een menselijke broeikasopwarming bestaat, boven op de door hen beschreven natuurlijke processen.


De klimaatsprong rond 1976 was al langer bekend. Deze sprong is vooral te zien in de temperatuurmetingen van de troposfeer. Helaas vond de sprong net plaats voordat de satellietmetingen startten. Maar in de metingen met weerballonnen is de sprong goed te zien. Een artikel van Peter Thorne15 van het Britse Hadley Centre stelt dat er sinds 1958 weliswaar opwarming is in de troposfeer, maar dat die opwarming vrijwel volledig het gevolg is van een stapsgewijze verandering in het midden van de jaren zeventig. In de troposfeer, daar waar het broeikaseffect zich zou moeten manifesteren, zien we de afgelopen vijftig jaar geen opwarming, met uitzondering van een sprong in 1976. Dit valt moeilijk te rijmen met een geleidelijke toename van CO2. Aan het aardoppervlak is de temperatuursprong in 1976 niet zozeer te zien als een sprong, maar meer als een overgang van een koelere naar een warmere periode. De opwarming tussen 1910 en 1940 is overigens vrijwel niet te onderscheiden van de opwarming tussen 1976 en 2000. Over de opwarming tussen 1910 en 1940 wordt opmerkelijk weinig gepubliceerd. Eigenlijk weet nog niemand goed hoe die te verklaren is. Zoals gezegd, schrijft het IPCC alleen de recente opwarming sinds 1976 toe aan broeikasgassen.


Hoe kijkt een klimaatonderzoeker die overtuigd is van het 'menselijke' broeikaseffect hier nu tegenaan? Die zal erop wijzen dat de PDO gewoon op en neer gaat en dat je daarom geen langetermijnopwarming verwacht. Zo'n trend is er echter wel. De temperatuurpiek in 2000 ligt immers ongeveer 0,5 graad hoger dan de piek in 1940. Deze stijging is dan het gevolg van broeikasgassen. Denk dan echter aan de problemen van temperatuurmetingen op land. Er is veel bewijs dat de recente opwarming op basis van temperatuurmetingen groter lijkt dan ze in werkelijkheid is (zie hoofdstuk 2). Dat zou de piek van 2000 dus naar beneden brengen en daarmee dichter bij de piek van 1940. Dit bewijst eens te meer hoe jammer het is dat de kwaliteit van de temperatuurmetingen zo belabberd is. De meeste onderzoekers houden hier overigens totaal geen rekening mee en dat geldt ook voor Swanson en Tsonis die met geen woord reppen over zelfs maar mogelijke problemen met temperatuurmetingen. Hoe dichter de piek van 2000 bij


84 die van 1940 komt, des te aannemelijker het wordt dat natuurlijke oscillaties van het klimaat - in de oceanen en de atmosfeer - een veel grotere rol spelen dan gedacht.


Los daarvan blijft een heel legitieme vraag hoeveel de warme fase van de PDO nu heeft bijgedragen aan de recente opwarming. Zoals we eerder lieten zien, verklaren de IPCC-modellen de recente opwarming door een combinatie van broeikasgassen en aerosolen. Het IPCCrapport suggereert dat natuurlijke factoren zoals de zon en vulkanen in de periode na 1976 eerder tot afkoeling zouden hebben geleid dan tot opwarming. Oscillaties wordt in de modellen nog geen enkele rol toegedicht. Geen van de modellen is ook in staat de oscillaties goed te simuleren. De belangstelling voor de PDO en andere oscillaties is wel groeiende. Dat komt vooral doordat er de laatste tien jaar zo weinig schot zit in de opwarming van de aarde. Zoals we eerder lieten zien, is de mondiale temperatuur sinds 2001 niet of nauwelijks gestegen en het recordjaar 1998 is nog altijd niet gebroken. Het jaar 2010 maakt een kans vanwege een krachtige El Nirio; maar het zal nog een spannende finish worden, want in de zomer van 2010 ging El Niño over in een La Niña, wat de temperaturen waarschijnlijk weer zal drukken. De opwarming van het afgelopen decennium blijft hoe dan ook achter bij de verwachtingen van de klimaatmodellen, die een toename van 0,2 graden per tien jaar 'voorspellen'. Onderzoekers beginnen deze stagnatie toe te schrijven aan oscillaties als de PDO. Het idee is dan dat de koude fase van de PDO het opwarmende effect van broeikasgassen tijdelijk maskeert. Vroeg of laat zal de opwarming weer beginnen. Maar dat roept natuurlijk een logische vraag op: Als de huidige stagnatie van de opwarming mede veroorzaakt is door de koude fase van de PDO, hoeveel heeft diezelfde PDO dan bijgedragen aan de opwarming tussen 1976 en 2000?


Commotie over temperatuur Een studie die veel aandacht heeft gekregen, is een Nature-artikel16 van Noel Keenlyside en Mojib Latif (universiteit van Kiel). Uit hun artikel rolde onder meer de conclusie dat de mondiale temperatuur de komende tien jaar wel eens niet kan toenemen door natuurlijke variaties in de Atlantische en Grote Oceaan. Latif, een ervaren onderzoeker die ook bij IPCC-rapporten betrokken was, besprak de resultaten tijdens een bijeenkomst van de World Meteorological Organisation (WMO) in Genève in 2009. Een journalist van New Scientist pikte het nieuws op17 en dat bracht wat commotie teweeg, vooral omdat de journalist Latif min of meer in de mond legde dat de stagnatie zelfs twee decennia zou kunnen duren. Latif gaf later aan dat zijn 'voorspellingen' nog veel te onbetrouwbaar zijn om langer dan een decennium vooruit te kijken. Hoe dan ook, nóg een decennium geen opwarming is koren op de molen van klimaatsceptici.


Global dimming De artikelen van Swanson en Tsonis rakelden ook andere heikele kwesties op, zoals de afkoeling na 1940. Het IPCC schrijft de daling van toen nog altijd toe aan een toename van luchtverontreiniging. Swanson en Tsonis stellen echter dat de overgang naar afkoeling in 1940 en de overgang naar opwarming in 1976 werden veroorzaakt door (een koppeling van) diverse natuurlijke oscillaties in de oceanen. Dat idee werd alleen maar aannemelijker nadat ze in hun tweede artikel18 een trendbreuk in 2001 hadden gedetecteerd. Sinds de jaren zeventig is de hoeveelheid aerosolen (zeker in Europa en Noord-Amerika) afgenomen en de huidige stagnatie van de mondiale temperatuur kan dus moeilijk verklaard worden door weer een nieuwe toename van aerosolen te veronderstellen. Zo lijken de twee


85 artikelen van Swanson en Tsonis de klimaatwereld behoorlijk op zijn kop te zetten.


De aanwijzingen stapelen zich op dat het afkoelende effect van aerosolen mondiaal gezien vrij klein is. Dit lijkt echter weer in strijd met een opkomend onderzoeksgebied waarin aerosolen juist een prominente rol spelen. Het gaat om een fascinerend fenomeen dat global dimming wordt genoemd. De Japanse onderzoeker Atsumu Ohmura (ETH Zürich) ontdekte eind jaren tachtig dat de hoeveelheid zonlicht die het aardoppervlak bereikt, sinds de jaren vijftig flink was afgenomen. De afname aan zonlicht werd op meerdere continenten waargenomen en is inmiddels onomstreden. In de jaren tachtig keerde de dalende trend en begon de hoeveelheid zonlicht aan het oppervlak weer toe te nemen. Dat omgekeerde fenomeen werd vervolgens door Martin Wild, een collega van Ohmura, global brightening genoemd. Voor de duidelijkheid, zowel global dimming als global brightening hebben niets te maken met veranderingen in de zon. Het gaat om veranderingen in het klimaat die ervoor zorgen dat minder zonlicht het aardoppervlak bereikt. Logische kandidaten die de dimming veroorzaken, zijn uiteraard aerosolen en wolken. Mondiaal was de afname in de hoeveelheid zonnestraling 4 tot 6 procent tussen 1960 en 1990. Het is duidelijk dat het hier om een belangrijk fenomeen gaat. Het betekent dat er schommelingen in de hoeveelheid zonlicht voorkomen die op die tijdschaal vele malen groter zijn dan het effect van broeikasgassen. Na het lezen van de special in de Journal of Geophysical Research over global dimming en global brightening19 (2010) ben je als lezer wijzer, maar ook verwarder. In Europa en in de Verenigde Staten lijkt het aannemelijk dat dimming en brightening iets te maken hebben met aerosolen, want als je alleen naar wolkenloze dagen kijkt, dan nog was er een afname aan zonlicht op de grond in de periode van dimming. Dit moet dan wel te maken hebben met een toename aan aerosolen. Rond 1985 keert de trend zich, in de periode dat westerse landen serieus werk maken van het terugdringen van luchtverontreiniging. De brightening na 1985 heeft waarschijnlijk fors bijgedragen aan de opwarming in Europa. Zo is Nederland de laatste vijftig jaar veel meer opgewarmd dan de rest van de wereld. Het KNMI-weerstation in De Bilt noteerde sinds 1950 een opwarming van 15 graden. Wereldwijd bedroeg de opwarming zo'n 0,6 graden. De opwarming in De Bilt verliep dus 2,5 keer zo snel als mondiaal gemiddeld. Geert Jan van Oldenborgh van het KNMI schat in een verhaal dat ik schreef voor het maandblad Natuurwetenschap & Techniek,20 dat de afname in luchtverontreiniging sinds 1985 grofweg de helft van de opwarming in Nederland verklaart. De Zwitserse onderzoeker Rolf Philipona21 komt voor Duitsland en Zwitserland tot soortgelijke cijfers.


Het lijkt dus zeker dat aerosolen in West- en ook Oost-Europa een directe rol hebben gespeeld bij dimming en brightening. Maar wat te denken van Nieuw-Zeeland? Ook daar is dimming en brightening waargenomen. Volgens een artike122 in de special kan dat onmogelijk verklaard worden door aerosolen. Daarvoor is er te weinig luchtverontreiniging geweest in Nieuw-Zeeland. Wat dan wel? Andere metingen, namelijk hoeveel uur per jaar de zon schijnt, wijzen erop dat de hoeveelheid bewolking er flink varieerde over periodes van decennia. In een ander artike123 vat Wild het onderzoek van de afgelopen twintig jaar samen. Er is bewijs voor de rol van wolken, maar er is ook en misschien wel meer bewijs voor de rol van aerosolen. Een complicerende factor daarbij is dat aerosolen naast hun directe invloed op zonlicht ook effect hebben op de eigenschappen en de levensduur van wolken. De verblijftijd van aerosolen in de atmosfeer is relatief kort (een dag of tien); toch komen ze overal terecht. Wild sluit daarom niet uit dat zelfs in ver afgelegen streken (zoals de poolgebieden) aerosolen een rol hebben gespeeld bij dimming en brightening.


86 Ongeacht de oorzaak blijft het bestaan van het fenomeen dimming en brightening een feit. De hoeveelheid zonlicht aan het oppervlak schommelt behoorlijk op een tijdschaal van decennia. Hoe goed zijn de klimaatmodellen eigenlijk in staat om dit te simuleren? Ook daarover schreef Wild een artike124 en de resultaten vergroten het vertrouwen in de modellen niet. De modellen simuleren te veel opwarming in de periode van dimming en te weinig in de periode van brightening. Wild en Ohmura hebben er in belangrijke mate aan bijgedragen dat de fenomenen global dimming en global brighterting op de kaart staan. Hierdoor is er meer aandacht gekomen voor de enorme fluctuaties in zonlicht over periodes van decennia. Dimming heeft bijgedragen aan afkoeling; brightening aan opwarming. Welk deel van de opwarming sinds 1976 aan brightening is toe te schrijven, is niet bekend, maar het heeft ongetwijfeld bijgedragen. Naast de natuurlijke oscillaties in de oceanen en de atmosfeer is er dus nog een factor om rekening mee te houden. Voor Wild is het bestaan van global dimming en global brightening overigens geen reden om te twijfelen aan het door de mens versterkte broeikaseffect. De dimming en de brightening heffen elkaar min of meer op, dus hun netto-effect op de mondiale temperatuur is gering geweest, denkt Wild. De opwarming over de langere termijn van een eeuw is goed te rijmen met het versterkte broeikaseffect. Maar hij beaamt wel dat de onderzoeksgemeenschap te weinig aandacht heeft gehad voor de toename en afname van zonlicht aan het aardoppervlak. Hoewel Wild zeker geen klimaatscepticus is, wijken zijn onderzoeksresultaten wel enigszins af van het standaardbeeld dat het IPCC ons voorschotelt. Het IPCC erkent wel dat er bepaalde fluctuaties bestaan in het klimaat. Het gaat dan om het weer, dat grillig is, en om kortdurende fenomenen zoals El Niño en La Niña. Langer dan een jaar of tien kan de chaotische invloed van 'het weer' op 'het klimaat' niet duren. Op een tijdschaal van meer dan tien jaar krijgt de onderliggende klimaattrend de overhand, is de algemene opvatting. Daarom is het heel interessant wat er de komende jaren zal gebeuren. Er heeft nu zo'n tien jaar geen opwarming plaatsgevonden, terwijl de toename van broeikasgassen een stijgende klimaattrend zou moeten geven. Er zijn ook onderzoekers die een stap verder gaan en die zich afvragen of de opwarming in de twintigste eeuw niet grotendeels veroorzaakt kan zijn door oscillaties. En dat brengt ons terug bij Roy Spencer, de onderzoeker die meent dat zijn collega's bij het analyseren van klimaat- gevoeligheid op basis van satellietmetingen, oorzaak en gevolg met elkaar verward hebben. Die verwarring wekt de illusie dat het klimaat hypergevoelig is voor CO2, aldus Spencer. Is het mogelijk dat de Pacific Decadal Oscillation (PDO) een verandering in wolkenbedekking veroorzaakt en is het mogelijk dat zo'n verandering een groot deel van de temperatuurontwikkeling in de twintigste eeuw kan verklaren? vroeg Spencer zich af. Het resultaat van zijn onderzoek (met een eenvoudig maar geaccepteerd klimaatmodel) was dat de PDO via een verandering van wolkenbedekking 75 procent van de temperatuurverandering in de twintigste eeuw kan 'verklaren'. De piek rond 1940 en ook de afkoeling daarna werd vrij goed gesimuleerd. In het laatste deel van de eeuw blijft de berekende opwarming wat achter bij de waargenomen opwarming. Het werk van Spencer is nog pril25, maar tegelijk zijn de mogelijke consequenties groot. Spencer vindt in ieder geval dat het IPCC er verstandig aan zou doen om veel meer rekening te gaan houden met natuurlijke klimaatvariaties.


De zon In dit hoofdstuk spelen veranderingen in de hoeveelheid zonlicht die het aardoppervlak bereikt, een rol. Tot dusver namen we daarbij voor het gemak even aan dat de zon zelf constant is, dat


87 wil zeggen dat de hoeveelheid straling die we van de zon ontvangen, min of meer constant is. Een afzonderlijke vraag is natuurlijk of de zon zelf wel constant is, en zo nee, wat voor invloed veranderingen in de zon hebben op het klimaat. Honderden onderzoekers hebben zich de afgelopen decennia over die vragen gebogen, maar een eenduidig antwoord is er nog lang niet Zijn zononderzoekers klimaatsceptischer dan andere klimaatonderzoekers? Ja en nee. Ja, in de zin dat er wellicht wat meer klimaatsceptici te vinden zijn in deze groep. Nee, in de zin dat ook binnen deze groep het merendeel neigt naar de IPCC-conclusie dat de recente opwarming door broeikasgassen komt en niet door de zon. Er zijn diverse populairwetenschappelijke boeken verschenen die een lans breken voor de invloed van de zon op het klimaat. De bekendste recente boeken zijn Unstoppable Global Warming, Every 1500 Years26 van de bekende klimaatscepticus Fred Singer en Dennis Avery en The Chilling Stars van Henrik Svensmark en wetenschapsjournalist Nigel Calder. Verder is er de Britse documentaire The Great Global Warming Swindle27 (zie kader 'Zwendel'). Het boek van Singer en Avery probeert hard te maken dat er cycli in het klimaat zitten die toe te schrijven zijn aan de zon, waaronder de 1500-jarige cyclus die in de jaren tachtig ontdekt is door Willi Dansgaard en Hans Oeschger28 en die later bevestigd is in Science door Gerard Bond.29


Zwendel The Great Global Warming Swindle moet gezien worden als een reactie op de film An Inconvenient Truth van Al Gore, die vele politici wereldwijd doordrong van de ernst van het klimaatprobleem, onder wie premier Balkenende. The Swindle laat eerst gerenommeerde klimaatsceptici aan het woord, zoals Lindzen en Christy, die hun nuanceringen plaatsen bij het broeikasverhaal. In het tweede deel van de documentaire wordt vervolgens vrij stellig gebracht dat het overduidelijk is wat de werkelijke reden is van klimaatverandering, namelijk de zon. Door de zon heel stellig op te voeren als dé oorzaak van de opwarming van de aarde is The Swindle, net als An Inconvenient Truth, een propagandafilm geworden. Jammer, want een groot deel van de film is zeer de moeite waard en ook het behandelen van de zon is natuurlijk legitiem. Het is de stelligheid die broeikasaanhangers terecht op de kast kreeg. De film kreeg mede als gevolg daarvan een stortvloed van kritiek over zich heen van klimaatonderzoekers.


Er zijn zeker klimaatsceptici die in de zon de belangrijkste kandidaat zien als alternatief voor broeikasgassen. Dat neemt niet weg dat het merendeel van de zononderzoekers toch neigt naar de broeikashypothese. 'Neigt' betekent in dit geval dan vooral dat ze menen de recente opwarming tussen 1975 en 2000 niet aan de zon toe te kunnen schrijven en dus CO2 voor die periode een waarschijnlijkere kandidaat vinden. Het IPCC heeft in het vierde rapport de rol van de zon flink gemarginaliseerd, ook ten opzichte van eerdere IPCC-rapporten. Uit de tabel met klimaatfactoren, die we in het vorige hoofdstuk lieten zien (zie pagina 116) valt af te lezen dat het opwarmende effect van de zon volgens het IPCC minstens tien keer kleiner is dan het effect van broeikasgassen in dezelfde periode. Overigens noemt het IPCC in diezelfde tabel het wetenschappelijke begrip van de invloed van de zon 'laag'. Hoe is het mogelijk dat CO2, een relatief weinig voorkomend broeikasgas in onze atmosfeer (de concentratie is immers maar 390 moleculen op 1 miljoen luchtmoleculen) de afgelopen drie eeuwen ruim tien keer zoveel invloed op ons klimaat zou hebben gehad dan onze enige en dus belangrijkste energiebron, de zon? Welnu, dit komt doordat het IPCC ervan uitgaat dat alleen veranderingen in klimaatfactoren ertoe doen. De totale bijdrage van de zon boven in de atmosfeer is weliswaar veel groter dan de


88 totale bijdrage van CO2 in de atmosfeer (door het invangen van infrarode straling), maar de bijdrage van de zon veranderde volgens het IPCC sinds 1750 nauwelijks, terwijl het effect van CO2 behoorlijk toenam.


Willie Soon, een aan Harvard University verbonden astrofysicus en een bekende klimaatscepticus, vindt deze manier van redeneren veel te simplistisch. De zon is zó cruciaal voor diverse processen op aarde, dat je hem geen recht doet door alleen maar te kijken naar een miniem verschil in 'output', stelt hij in een telefonisch interview. Soon geeft twee voorbeelden: zonlicht kan diep doordringen in de oceanen; infrarode straling vrijwel niet. De zon speelt bovendien een belangrijke rol bij fotosynthese, het proces dat planten en bomen gebruiken voor hun energievoorziening. Zowel de oceanen als de biosfeer (de gebieden waarin leven voorkomt) spelen een belangrijke rol in het klimaat. Soon gelooft dat kleine veranderingen in de zon voldoende zijn om behoorlijk wat klimaatverandering te bewerkstelligen en hij denkt zelfs dat de zon vrijwel alle klimaatverandering in het Arctisch gebied kan verklaren, waarover later meer.


Kleine ijstijd Even een stap terug voordat we weer in het volgende verhitte debat springen. De hoofdreden waarom klimaatonderzoekers altijd hebben geloofd in een belangrijke rol voor de zon, is de overduidelijke relatie tussen de zon en de kleine ijstijd. Er zijn vele historische bronnen die aannemelijk maken dat het in deze periode, die duurde van ongeveer de veertiende tot halverwege de negentiende eeuw, behoorlijk koud was. Midden in deze periode, vanaf begin zeventiende eeuw, begonnen onderzoekers met telescopen de zon te observeren. Ze zien donkere vlekken aan het oppervlak van de zon, zonnevlekken. We weten nu dat de donkere vlekken relatief koele gebieden zijn. Daaromheen bevinden zich echter actieve gebieden die juist warmer zijn en waar de zon feller schijnt. Het blijkt dat de zon actiever is, als er meer zonnevlekken zijn. Van 1645 tot 1717 werden er echter nauwelijks zonnevlekken waargenomen op de zon. Begin negentiende eeuw was er nog een periode waarin de zon niet zo actief was. Daarna werd de zon, afgaand op het aantal zonnevlekken, steeds actiever, met als hoogtepunt pieken in 1950 en 1960. Daarna bleef de zon vrij actief. Het aantal zonnevlekken schommelt overigens ook op een veel kortere termijn behoorlijk. Dit is de elfjarige cyclus. Ongeveer iedere elf jaar is er een piek aan zonnevlekken, vijfenhalf jaar later gevolgd door een dal, waarin gedurende een korte periode geen of nauwelijks zon- nevlekken te zien zijn.


Een blik op 400 jaar aan zonnevlekmetingen is genoeg om een relatie met het klimaat te vermoeden. De genoemde periodes met weinig zonnevlekken vallen in de periode van de kleine ijstijd. De huidige tijd, met een vrij actieve zon, valt in een warme periode. Maar tussen vermoeden en hard maken zit natuurlijk een wereld van verschil. In eerste instantie zijn klimaatonderzoekers vooral geïnteresseerd in de totale hoeveelheid straling van de zon. Het hele broeikasdebat gaat immers over de vraag in hoeverre broeikasgassen de stralingsbalans van de aarde verstoren. Vanaf 1979 zijn satellieten gaan meten hoeveel straling de aarde van de zon ontvangt. Ze meten inderdaad een verschil tussen de hoeveelheid straling tijdens een zonnemaximum en tijdens een zonneminimum. Maar dit verschil tussen maximum en minimum is heel klein in vergelijking met het verwachte langetermijneffect van CO2.



89 Er zijn inmiddels drie zonnecycli gemeten. Een interessante vraag is natuurlijk of er een opwaartse dan wel een neerwaartse trend in zonneactiviteit en de hoeveelheid ontvangen zonnestraling te bespeuren valt. Met die vraag trekken we echter de eerste beerput van het zonnedebat open. Er zijn drie groepen die de totale hoeveelheid zonnestraling reconstrueren. De verschillen zijn niet groot, maar groot genoeg voor een verhit debat. De Amerikaanse onderzoeker Dick Willson ziet een opwaartse trend in zonneactiviteit. De reconstructie van de Zwitserse onderzoeker Claus Frëhlich gaat juist iets naar beneden. Een derde groep, uit België, zit ertussenin. Het zal niet verrassend zijn dat het IPCC meer ziet in Frëhlichs reconstructie. Een dalende zonneactiviteit in een periode waarin de mondiale temperatuur steeg, wijst in de richting van broeikasgassen. Dat is dan ook precies wat Frëhlich en de Britse onderzoeker Mike Lockwood in 2007 in een veelbesproken artikel30 concludeerden: de zon kan de opwarming van de afgelopen twintig jaar niet verklaren. Willson lijkt in dit debat steeds meer alleen te staan. Hij werkt sinds enige jaren wel samen met Nicola Scafetta, een atmosfeeronderzoeker verbonden aan Duke University (Durham, North Carolina). Scafetta publiceerde enkele artikelen31 gebaseerd op Willsons reconstructie en kwam op die manier tot de conclusie dat de zon tot wel 73 procent van de recente opwarming kan 'verklaren'. Over twintig jaar zullen wetenschapshistorici zich ongetwijfeld afvragen hoe er over zulke ogenschijnlijk kleine verschillen zo eindeloos getwist kon worden. Op dit moment kunnen we alleen maar zeggen: welkom bij het klimaatdebat. Het is als buitenstaander extreem moeilijk hier een oordeel over te vellen, omdat je dan tot op het niveau van de meetapparatuur en correcties in de materie moet zitten.


Keerpunt Uit de reconstructie van Fröhlich en de observatie dat de zonneactiviteit na 1950 vrij constant was, concluderen de meeste klimaatonderzoekers dat de zon weinig tot niets kan hebben bijgedragen aan de opwarming sinds 1975. Een totaal andere vraag is natuurlijk hoe groot de bijdrage van de zon is geweest tussen de kleine ijstijd en nu. Diverse groepen hebben geprobeerd de totale hoeveelheid zonnestraling sinds 1600 te reconstrueren. Omdat directe metingen uiteraard ontbreken, zoeken onderzoekers naar geschikte indirecte meetmethoden. Een logische kandidaat is het aantal zonnevlekken. Ook de (iets wisselende) lengte van de elfjarige cyclus is gebruikt. Een lange cyclus is namelijk vaak de voorbode van een laag zonnemaximum in de volgende cyclus en zou op die manier ook gerelateerd zijn aan de temperatuur Zelfs de variaties in zonlicht die zijn gemeten bij andere sterren in het Melkwegstelsel zijn meegewogen bij een aantal reconstructies. Deze reconstructies wezen op een substantieel verschil tussen 1600 en nu. De grootste verschillen in zonneactiviteit tussen toen en nu komen qua invloed in de buurt van de verwachte bijdrage van CO2.


Een artikel in 2005 van Yi-Ming Wang32 van het Naval Research Laboratory in Washington was echter een soort keerpunt. Wang gebruikte magnetische flux aan het oppervlak van de zon als indirecte meting voor de totale hoeveelheid zonnestraling Zijn reconstructie terug naar 1700 is veel vlakker dan alle eerdere reconstructies. Coauteur van Wang was Judith Lean, die heel invloedrijk is in dit veld. Lean was lead author van het IPCC-hoofdstuk waarin de zon besproken wordt. De conclusie van het laatste IPCC-rapport, dat de invloed van de zon kleiner was dan onderzoekers tot dan toe dachten, is volledig gebaseerd op het artikel van Wang en Lean. Hoewel zou kun- nen blijken dat de


90 reconstructie van Wang de beste is, lijkt het voorbarig om vrij snel na de publicatie van dit artikel alle eerdere reconstructies af te doen als achterhaald. Vooralsnog ziet het er echter niet naar uit dat Wangs reconstructie diep zal vallen, zoals met de hockeystick gebeurde. Andere recente studies komen tot soortgelijke vlakke reconstructies. Recentelijk lukte het een Zwitserse groep33 voor het eerst een reconstructie te maken ruim 9000 jaar terug in de tijd (gebaseerd op een relatie tussen het radioactieve isotoop beryllium-10 en magnetisme op de zon). Deze Zwitserse reconstructie laat zien dat gedurende de hele periode de totale hoeveelheid straling behoorlijk weinig schommelt. Dit is koren op de molen van broeikasaanhangers, maar het roept ook vragen op. Als de zon zo weinig variatie vertoont, hoe zijn natuurlijke klimaatver- anderingen dan nog te verklaren? Is het klimaat soms erg gevoelig voor kleine veranderingen van de zon? Ik legde de vraag per e-mail voor aan Jürg Beer van ETH Zürich, een van de auteurs van het Zwitserse artikel. Hij erkent in een reactie dat de verschillen in zonnestraling erg klein zijn. 'Mijn favoriete verklaring is dat het klimaat inderdaad erg gevoelig is voor de veranderingen van de zon, in het bijzonder als het gaat om veranderingen op lange tijdschalen.' Met andere woorden, Wangs reconstructie leidt niet automatisch tot broeikasalarm.


Versterkingsmechanisme Door al het gekrakeel over de totale hoeveelheid zonnestraling zou je bijna vergeten dat er wel degelijk een zee aan overtuigend bewijs is voor de invloed van de zon op het klimaat. Dat bewijs wordt overal ter wereld gevonden: in boomringen, grotten, veenlagen en zeebodems. Aan het begin van dit hoofdstuk noemden we al even het artikel van Gerard Bond in Science,34 een onderzoek dat vaak wordt aangehaald om het historische verband tussen de zon en klimaat te laten zien. Bond onderzocht de bodem van de Atlantische Oceaan op de aanwezigheid van kleine steentjes uit drijvende ijsbergen. Hoe kouder het klimaat, des te verder de ijsbergen vanuit Groenland naar het zuiden kunnen afzakken. Via de oceaanbodem vond hij zo een cyclus van ongeveer 1500 jaar. Een ander overtuigend en vaak aangehaald artikel is dat van Ulrich Neff in Nature.35 Neff onderzocht druipsteenpilaren in grotten in Oman en vond op tijdschalen van decennia tot duizenden jaren een sterk verband tussen neerslag in het gebied en zonneactiviteit. Dit duidt erop dat veranderingen in de moessonregens in het gebied samen op gaan met de zon. Ook in Nederland zijn er prachtige voorbeelden gevonden van klimaatverandering door de zon. Bekendste onderzoeker in dit verband is Bas van Geel van de Universiteit van Amsterdam. Van Geel is misschien wel de enige uitgesproken klimaatscepticus van Nederland. Zijn scepsis komt direct voort uit zijn wetenschappelijke werk, dat hem geleerd heeft dat kleine variaties in de zon grote veranderingen in het klimaat kunnen veroorzaken. In Nederland (en ook elders) gebeurde dat bijvoorbeeld rond 850 voor Christus.36 Veenlagen bij Enkhuizen en in Drenthe laten een plotselinge omslag zien van een warmer en droger naar een koeler en natter klimaat. Mossoorten die goed gedijen in zo'n vochtig en koel klimaat krijgen de overhand. Aan deze snelle klimaatverandering gaat een plotselinge toename van de isotoop koolstof-14 vooraf, een indicatie voor een plotselinge afname van zonneactiviteit. Van Geel verwijst ook vaak naar het werk van zijn Franse collega Michel Magny, die heeft laten zien dat waterstanden in Franse meren nauw samenhangen met zonneactiviteit.


De aanwijzingen uit het verleden voor een link tussen zon en klimaat zijn dus sterk. Dat betekent echter niet dat we nu weten hoe, en hoe sterk, de zon precies het klimaat verandert.


91 Van Geel is ervan overtuigd dat er versterkingsmechanismen in het klimaat aanwezig zijn, die ertoe leiden dat relatief kleine veranderingen in de zonneactiviteit relatief grote veranderingen in het klimaat kunnen veroorzaken. Omdat klimaatmodellen alleen maar de relatief kleine veranderingen in de totale hoeveelheid straling meenemen, onderschatten deze modellen de invloed van de zon, denkt Van Geel. Er is een aantal mechanismen geopperd hoe de zon het klimaat kan veranderen. Het bekendste komt van de Deense onderzoeker Henrik Svensmark die denkt dat kosmische straling de hoeveelheid lage bewolking op aarde beïnvloedt en daarmee het klimaat. De hoeveelheid kosmische straling die onze atmosfeer weet binnen te dringen, is gekoppeld aan zonneactiviteit. Een actieve zon zorgt namelijk voor afscherming van kosmische straling. De meest energierijke straling weet de onderkant van de atmosfeer te bereiken en zou daar condensatiekernen voor regendruppels vormen. Condensatiekernen zijn 'beginpunten' voor regendruppels en dus wolken. Meer zonneactiviteit geeft volgens die theorie dus minder kosmische straling en dus minder condensatiekernen. Dit zou dan leiden tot minder lage wolken en een hogere temperatuur. In hun boek The Chilling Stars schrijven Svensmark en wetenschapsjournalist Nigel Calder dat een afname van kosmische straling in de twintigste eeuw de opwarming kan verklaren. Bewijs voor de theorie is echter nog vrij zwak en de theorie is de afgelopen jaren aan de lopende band aangevallen. Net als bij de strijd tussen Willson en Frëhlich is het ook hier niet eenvoudig om uit te maken wie de beste papieren heeft. In een e-mail geeft journalist Calder wel toe dat het bewijzen van de theorie met wolkenmetingen nog niet gelukt is. Hij schrijft dit toe aan de gebrekkige kwaliteit van de wolkenmetingen en verwijst naar een artikel van Amato Evan uit 200637 dat concludeert dat er grote problemen zijn met de belangrijkste wolkendatabank.


Een andere mogelijkheid is dat de zon relatief veel invloed heeft op de stratosfeer, de luchtlaag hoog in de atmosfeer, en dat de stratosfeer die invloed vervolgens doorgeeft aan de troposfeer. Gedurende de elfjarige zonnecyclus schommelt de hoeveelheid ultraviolette straling (uv-straling) veel meer dan de totale hoeveelheid straling. Uv-straling wordt in de stratosfeer geabsorbeerd door ozon, waardoor de stratosfeer opwarmt. Meer uv leidt ook tot de aanmaak van extra ozon. Ozon is een broeikasgas en meer ozon betekent dus ook dat vanuit de stratosfeer infrarode straling naar beneden komt, naar de troposfeer. Dat deze processen optreden, is zeker. Hoe groot het effect op het klimaat is, wordt echter nog druk onderzocht. Een derde en laatste mechanisme is eigenlijk een variant op het vorige. De Amerikaanse onderzoeker Harry van Loon van NCAR in Boulder, Colorado, werkt al jaren aan de connectie tussen de zon, de stratosfeer en de troposfeer. In 2009 publiceerde hij samen met Gerald Meehl van NCAR een artikel in Science38 dat een versterkingsmechanisme blootlegt gedurende de elfjarige zonnecyclus. Tijdens een zonnemaximum warmt de stratosfeer, zoals gezegd, op doordat ozon uv-straling absorbeert. Omdat de opwarming van de stratosfeer in de tropen sterker is dan op hogere breedtegraden, veranderen de stratosferische winden en via een hele keten van processen leidt dit tot meer tropische neerslag. Tegelijkertijd veroorzaakt de extra zonnestraling tijdens een zonnemaximum een lichte opwarming in de subtropische Grote Oceaan, een gebied waar weinig bewolking voorkomt. Die extra opwarming leidt tot verdamping. Passaatwinden leiden de extra waterdamp naar het westelijk deel van de tropische Grote Oceaan, waar het eveneens bijdraagt aan sterkere regenval. Dit proces versterkt het hierboven beschreven proces, dat geleid wordt vanuit de stratosfeer. Dit versterkingsmechanisme gaat, zoals gezegd, op voor de elfjarige cyclus en zegt nog weinig


92 over het mogelijke effect van de zon op de langere termijn. Ik sprak Meehl in de zomer van 2009 in Boulder in de periode dat het Science-artikel verscheen. Meehl is zelf absoluut geen klimaatscepticus. Maar hij bekende -- met verbazing in zijn stem -- dat Van Loon er heilig van overtuigd is dat de zon belangrijker is dan broeikasgassen. Toch mooi dat twee mannen die zo verschillend in het debat staan, samen over de rol van de zon publiceren.


Willie Soon 39 probeert de stap naar het effect op langere termijn van de zon op het klimaat te maken. Hij vermoedt dat de 'volharding' waarmee de zon inwerkt op het klimaat, mede kan verklaren waarom zelfs kleine veranderingen in straling relatief grote fluctuaties aan de polen kunnen veroorzaken. Hij vergelijkt dit proces met de manier waarop ijstijden ontstaan. Kleine veranderingen in de stand en de baan van de aarde veranderen in dat geval de instraling van de zon op het noordelijk halfrond. Het effect is heel klein en het gaat heel geleidelijk, maar uiteindelijk is het genoeg om de aarde in ijs onder te dompelen. Een actievere zon leidt tot meer warmteopslag in tropische oceanen. Het warmtetransport dat op gang komt naar de pool, leidt tot veranderingen in het zee-ijs en als laatste treden er veranderingen op in de Golfstroom van de Atlantische Oceaan. Met deze drietrapsraket is er volgens hem een connectie te maken tussen de zon en klimaatschommelingen rond de Noordpool.


Naar een nieuw minimum? Ondertussen is de zon volstrekt onverwacht in een soort diepe slaap gesukkeld. De bekende Nederlandse zonnefysicus Kees de Jager noemt de zon 'zo dood als een pier'. De Jager is zich ondanks zijn leeftijd -- hij is inmiddels 89 -- zeven jaar geleden gaan buigen over de invloed van de zon op het klimaat. Hij publiceert er nog steeds over in de wetenschappelijke literatuur, vooral met zijn Argentijnse collega Silvia Duhau. De Jager trof het, want in de overgang van zonnecyclus 23 naar zonnecyclus 24 werd het opeens zeer stil op de zon. Er is altijd een periode zonder zonnevlekken tussen twee cycli. Maar dit keer duurde het minimum ontzettend lang en het aantal dagen zonder zonnevlekken is in meer dan een eeuw niet vertoond. Zonnecyclus 23 duurde daardoor veel langer dan verwacht, zo'n 12,5 jaar. Onlangs publiceerden40 De Jager en Duhau een voorspelling voor de toekomstige activiteit van de zon. De huidige zon doet hun nog het meest denken aan de zon rond 1620. De Jager en Duhau vermoeden dan ook dat de zon, net als destijds, voor langere tijd inactief kan worden. Voor de wetenschap zou dat eigenlijk een uitkomst zijn. Het biedt onderzoekers een unieke kans om met alle mogelijke meetapparatuur de inactieve zon en het klimaat te volgen. De Jager schat dat het klimaat in dat geval 0,3 graden zou kunnen afkoelen. Geheel los van een eventuele opwarming door broeikasgassen uiteraard. Een paar jaar geleden werkte De Jager mee aan een rapport van het Milieu- en Natuurplanbureau 41 over de invloed van de zon op hetklimaat. Medeauteur van het rapport was Rob van Dorland van het KNMI. Tijdens de presentatie van het rapport hielden beide auteurs een voordracht. Van Dorland eindigde zijn betoog met de woorden: `De invloed van de zon is kleiner dan we tot nu toe dachten.' Hij baseerde dat vooral op de eerder besproken reconstructie van Wang. De Jager eindigde met: 'De invloed van de zon kan wel eens veel groter zijn dan we tot nu toe dachten.' Klaas van Egmond, de toenmalige directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau, gaf in zijn eindconclusie CO2 voorlopig het voordeel van de twijfel. Van CO2 weten we immers hoe het werkt, aldus Van Egmond. Laten we hopen dat we over tien, twintig jaar meer weten over de manier waarop de zon het klimaat beïnvloedt zodat we een betere afweging kunnen maken tussen CO2 en de zon.


93 Wel menselijk, maar niet alleen CO2 Aan het begin van dit hoofdstuk noemden we al de drie klimaattheorieën die volgens Roger Pielke sr. in omloop zijn (zie pagina 132). De IPCC-hypothese hebben we uitgebreid behandeld. Tot nu toe ging dit hoofdstuk vooral over hypothese 1, die stelt dat natuurlijke factoren de grootste invloed hebben op het klimaat. In het laatste deel van dit hoofdstuk besteden we aandacht aan hypothese 2, die Pielke zelf het meest waarschijnlijk vindt. Die hypothese stelt dat CO2 een belangrijke 'menselijke' klimaatfactor is, maar niet de enige en ook niet de dominante.'42 Voor de duidelijkheid, Pielke ontkent het effect van broeikasgassen dus niet. Hij denkt alleen dat de mens via diverse andere processen meer effect heeft op het klimaat en dat het grotendeels negeren daarvan, wat nu gebeurt, zal leiden tot ineffectief klimaatbeleid.


Voordat we een overzicht geven van die andere menselijke invloeden, eerst iets over wat we eigenlijk onder klimaat verstaan. Pielke is namelijk voorstander van een veel bredere definitie van het klimaat dan het IPCC aanhangt. Voor het IPCC is klimaat het gemiddelde weer, waarbij voor het bepalen van het gemiddelde meestal een periode van dertig jaar wordt aangehouden. Maar bijvoorbeeld in de atmosfeer gaat het niet alleen om de temperatuur, maar ook om vochtigheid, wolken, wind, neerslag en de aanwezigheid van aerosolen. Een aanhanger van de broeikastheorie zal nu onmiddellijk aanvoeren dat het IPCC zich daar heus wel van bewust is. Het grote verschil tussen IPCC en Pielke is echter dat het IPCC ervan uitgaat dat het effect van CO2 in de atmosfeer verreweg het belangrijkste is en dat CO2 en andere broeikasgassen het klimaat nu en in de toekomst zullen domineren. Pielke stelt dat veel andere processen helemaal niet zijn te verwaarlozen ten opzichte van broeikasgassen en dat simulaties met modellen van weinig praktisch nut zijn, zolang al deze processen niet in de modellen zijn opgenomen. Pielke ziet het als volgt: overal in het klimaat zijn verstoringen. Sommige regionale verstoringen, door bijvoorbeeld aerosolen of veranderd landgebruik, zijn vele malen groter dan de verstoring door broeikasgassen en kunnen invloed hebben op het weer. Deze veranderingen kunnen tot op grote afstand voelbaar zijn. Mondiale klimaatverandering is de optelsom van al dit soort regionale veranderingen. Het is heel goed mogelijk dat boven in de atmosfeer niets verandert wat betreft straling, terwijl er regionaal toch grote veranderingen optreden. Uiteindelijk zijn het dit soort regionale veran- deringen in weersystemen die ertoe doen, die bepalen of het warmer of kouder wordt, of we meer of minder neerslag krijgen.


Luchtvervuiling Een eerste belangrijke factor die we volgens Pielke niet mogen onderschatten is het effect van aerosolen, luchtvervuilende deeltjes. In het vorige hoofdstuk zagen we dat aerosolen ook bij het IPCC een cruciale rol spelen in de simulatie van de mondiale temperatuur in de twintigste eeuw. Door meer of minder afkoeling toe te kennen aan aerosolen, konden alle modellen min of meer de mondiale temperatuur in de twintigste eeuw simuleren. Recente publicaties wijzen er echter op dat het directe effect van aerosolen -- het weerkaatsen dan wel absorberen van zonlicht -- mondiaal ge- zien veel kleiner lijkt te zijn dan het IPCC tot nu toe dacht. Dat betekent echter niet dat aerosolen geen effect hebben op het klimaat. Regionaal kan de invloed wel degelijk groot zijn. In 2006 publiceerden Pielke en zijn toenmalige promovendus Toshihisa Matsui een artikel43 waarin ze lieten zien dat de regionale effecten van aerosolen in de tropen wel zestig keer zo groot kunnen zijn als die van


94 broeikasgassen. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat het te kort door de bocht is om alleen naar de stralingseffecten van aerosolen boven in de atmosfeer te kijken. Op basis van een jaar lang meten (van maart 2000 tot en met februari 2001) was er boven in de atmosfeer sprake van een koelend effect. Aan de grond was de afkoeling echter bijna viermaal zo groot! De afkoeling aan de grond werd gecompenseerd door een sterke opwarming in de atmosfeer zelf. Vooral roetdeeltjes (ook aerosolen), die in de tropen massaal uitgestoten worden door bosbranden, het koken op houtvuur en ook het onvolledig verbranden van fossiele brandstoffen, absorberen zonlicht, waardoor de atmosfeer opwarmt. Dit is goed waarneembaar boven India, waar je zogenoemde 'bruine wolken' hebt. Dit is luchtverontreiniging die bol staat van de roetdeeltjes. De lucht warmt op, maar het zonlicht bereikt het oppervlak niet, waardoor daar juist afkoeling plaatsvindt.


Sterke afkoeling aan het oppervlak, flinke opwarming in de onderste paar kilometer van de atmosfeer en lichte afkoeling boven in de atmosfeer. Deze verticale en ook nog sterk regionale beïnvloeding van de atmosfeer zal leiden tot veranderde luchtstromen. De grootschalige klimaatmodellen kunnen zulke regionale effecten tot op heden niet in kaart brengen omdat historisch gezien gedetailleerde meetgegevens ontbreken en ook omdat het nog nauwelijks mogelijk was om het effect van de luchtverontreinigingsdeeltjes te simuleren. Extra complicerende factor is dat naast het directe effect van aerosolen, dat al nauwelijks te simuleren is, er ook nog een indirect effect bestaat op onder andere de levensduur van wolken en op de effectiviteit waarmee wolken kunnen uitregenen. Een artikel van Andreae en Rosenfeld44, twee experts op het gebied van aerosolen, suggereert dat dergelijke effecten tegenwoordig tot in de verste uithoeken van de aarde optreden, en dat menselijke activiteiten dus meer invloed hebben op wolken overal ter wereld dan tot nu verondersteld werd. Aerosolen verblijven doorgaans een week tot tien dagen in de lucht en regenen dan uit. Vooral roetdeeltjes kunnen een grote invloed hebben als ze terechtkomen op sneeuw en ijs. Dat gaat eerder smelten. Naast roet heeft ook stikstof een steeds groter klimaateffect. James Galloway concludeerde in 2004 dat stikstof zich aan het ophopen is in alle delen van het milieu. Van onze atmosfeer bestaat 80 procent uit stikstof, maar deze verbinding heeft geen effect op het klimaat. Wij pro- duceren echter grote hoeveelheden andere deeltjes met daarin stikstof. Denk aan kunstmest en luchtverontreiniging (NO). In een later artikel in Science45 schrijft Galloway dat de klimaateffecten van al dit stikstof nog niet zo duidelijk zijn. NO, kan leiden tot de aanmaak van lachgas en ozon, beide broeikasgassen. De stikstof op land verandert de plantengroei en daardoor de weerkaatsing van zonlicht en de vochthuishouding van de bodem en de lucht.


Een volgende belangrijke factor waar het IPCC volgens Pielke te weinig oog voor heeft, is veranderd landgebruik. De Nederlandse onderzoeker Kees Klein Goldewijk, van het Planbureau voor de Leefomgeving, werkt al jaren aan een databank46 waarin veranderingen in het landgebruik zijn opgenomen. In een interview vertelde hij me dat maar liefst 40 procent van het landoppervlak op enig moment in de geschiedenis door de mensheid is veranderd van bestemming. Het vaakst is de oorspronkelijke vegetatie vervangen door landbouw of door bebouwing. Er is veel onderzoek gedaan naar de lokale en regionale effecten van veranderd landgebruik. Pielke zelf was betrokken bij een onderzoek47 naar de effecten van veranderd landgebruik in


95 Florida. De afgelopen eeuw zijn de vele moerassen in Florida grotendeels gedempt. Pielke en collega's vergeleken in een weermodel het landschap van 1900 met dat van 2000 en konden daarmee de volledige temperatuurstijging in Florida -- ongeveer 1 °C -- verklaren. Door het dempen van de moerassen is de luchtvochtigheid lager geworden. Droge lucht warmt sneller op dan vochtige lucht. Er treedt minder verdamping op en dus gaat de energie van de zon zitten in warmte die we als mensen echt voelen.


Ironische gevolgen Het negeren van het klimaateffect van veranderd landgebruik kan ironische gevolgen hebben. De laatste jaren is klimaatneutraal worden erg in bij overheden, bedrijven en burgers. Amsterdam en Rotterdam willen proberen de eerste klimaatneutrale steden te worden. En bij Trees for Travel kun je de CO2-uitstoot van je vliegreis compenseren. Het bedrijf zorgt ervoor dat van jouw geld bomen geplant worden, die de door jou uitgestoten CO2 weer zullen opnemen. Niemand heeft daarbij oog voor de mogelijke effecten van het bos op het regionale klimaat. Zoals Pielke sr. in 2001 schreef,48 kan bosaanplant lokaal juist tot opwarming leiden, bijvoorbeeld als de bomen meer zonlicht absorberen dan de oorspronkelijke vegetatie. Als de hele wereld 002-uitstoot gaat compenseren met bosaanplant wordt dit een factor om rekening mee te houden.


In een artikel49 zei Gordon Bonan van NCAR in Boulder: 'Niemand ervaart het effect van 0,5 graad toename in de mondiale temperatuur. We ervaren de klimaatveranderingen op de plek waar we wonen, en die veranderingen kunnen groot zijn. Verandering van landgebruik heeft een net zo groot effect op het regionale en lokale klimaat als een verdubbeling van de CO2-concentratie, misschien zelfs wel een groter effect.' Tot op heden werd veranderd landgebruik niet meegenomen in de mondiale klimaatmodellen die het IPCC gebruikt. Daar komt geleidelijk aan wel verandering in. In 2009, toen ik op bezoek was bij NCAR, sprak ik met Peter Lawrence, een jonge onderzoeker die landgebruik mag gaan toevoegen aan het klimaatmodel van NCAR. Het IPCC noemt landgebruik wel in zijn tabel met klimaatfactoren (zie pagina n6). Het IPCC schat in dat veranderd landgebruik sinds de start van de Industriële Revolutie een koelend effect heeft gehad. Lawrence vertelde dat hij het omgekeerde denkt: dat de veranderingen in landgebruik een opwarmend effect hebben gehad. Meer duidelijkheid zal er pas komen als veranderd landgebruik gedurende de afgelopen eeuw getest is in mondiale klimaatmodellen.


Is Nederland warmer door verdroging? Nederland warmde zoals gezegd veel sneller op dan de rest van de wereld. Het KNMI heeft uiteraard druk gezocht naar verklaringen hiervoor. Naar de rol van veranderd landgebruik en watergebruik is daarbij tot op heden niet gekeken. Het Nederlandse landschap is de afgelopen eeuw niet eens zo dramatisch veranderd,50 maar de hoeveelheid bebouwing steeg wel van vrijwel niets tot 10 procent. En de hoeveelheid heide nam af van 14 naar 1 procent. Bebouwing heeft een behoorlijke impact op de absorptie van zonlicht en leidt ook tot verdroging. Verdroging wordt sowieso gezien als een groot probleem in Nederland omdat het natuurgebieden aantast. De belangrijkste oorzaken van verdroging zijn overigens ontwatering en versnelde afwatering voor de landbouw en grondwateronttrekking voor drink- en industriewater.51 Als gevolg van de verdroging in Nederland zijn soortgelijke effecten als in Florida, zoals een toename van de voelbare warmte, dus niet uitgesloten en deze effecten hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de opwarming.



96 Het klimaat voorspellen Weinig onderzoekers zullen de effecten die Pielke sr. noemt, ontkennen. Ze denken echter dat ze in het niet vallen bij de invloed van broeikasgassen en dat het daarom niet erg is dat zulke effecten niet meegenomen worden in klimaatmodellen. Deze opvatting is zo ingeburgerd geraakt dat onderzoekers er tevens van uitgaan dat we het klimaat, in tegenstelling tot het weer, kunnen voorspellen. Bij het klimaat gaat het immers om het gemiddelde weer; de chaos van het weer op de korte termijn zal zich uitmiddelen, en de onderliggende trend zal komen bovendrijven. Pielke bestrijdt deze opvatting zeer. Volgens hem is het niet gemakkelijker, maar juist vele malen moeilijker om het klimaat te voorspellen dan het weer. Bij het maken van een weersvoorspelling moet de beginsituatie zo goed mogelijk bekend zijn. De computer gaat aan de slag met de staat van de atmosfeer op dat moment. Dat levert een aardige inschatting op voor het weer van morgen, overmorgen. Maar na een paar dagen gaat de voorspelling hard achteruit vanwege het chaotische gedrag van de atmosfeer. Klimaatonderzoekers gaan er tot nu toe van uit dat de exacte begintoestand van het klimaat niet belangrijk is bij het doen van een klimaatvoorspelling. In een simulatie over decennia komt de dominerende klimaattrend vanzelf bovendrijven. Pielke is het daar niet mee eens. Hij denkt dat het wel degelijk van belang is bij het begin van je voorspelling te weten hoe groot bijvoorbeeld het ijsoppervlak is op Groenland en Antarctica, waar in de wereld welke vegetatie groeit en wat de toestand van de oceanen is.


Alle belangrijke processen moeten daarom in het model zitten. Dit is echter nog lang niet het geval. Extra complicatie is dat er feedbacks zijn tussen de processen onderling. Daarom is Pielke ervan overtuigd dat klimaatvoorspellingen maken een zelfde soort 'probleem' is als het doen van weersvoorspellingen (dat heet een initial value problem). Alleen dan vele malen gecompliceerder omdat niet alleen de atmosfeer, maar ook alle andere onderdelen van het klimaat en hun onderlinge interacties vele jaren in de toekomst voorspeld moeten worden. Bijkomend probleem is dan nog dat het bijvoorbeeld onmogelijk is te voorspellen hoe de zonneactiviteit zal veranderen, en wanneer er grote vulkaanuitbarstingen zullen optreden. Pielke publiceerde dit standpunt voor het eerst in 1998.52 Hij kreeg en krijgt echter weinig gehoor in de klimaatgemeenschap. Mondjesmaat beginnen aan IPCC-zijde wetenschappers wel toe te geven dat het doen van klimaatvoorspellingen inderdaad een initial value problem is. Vlak na de publicatie van het laatste IPCC-rapport schreef Kevin Trenberth, van NCAR en invloedrijk in IPCC-kringen, op de blog van Nature:53 'Het IPCC doet in feite helemaal geen voorspellingen. En heeft ze ook nooit gedaan. Geen van de modellen die het IPCC gebruikt, zijn gevoed met de waargenomen staat van het klimaat en geen van de klimaattoestanden in de modellen komt ook maar in de verste verte overeen met het huidige waargenomen klimaat. Ik postuleer dat het onmogelijk is om regionale klimaatverandering goed te simuleren zonder dat de modellen geïnitialiseerd zijn. De wetenschap is nog niet klaar omdat we geen betrouwbare of regionale voorspellingen van het klimaat hebben.'


Dit is een belangrijke opmerking van Trenberth die alleen nog niet wijd en zijd bekend is. Beleidsmakers gaan gretig aan de slag met de voorspellingen van het IPCC. Zelfs regionale voorspellingen, die nog moeilijker zijn, worden vrij letterlijk genomen. De opmerkingen die Pielke maakt, zijn bijvoorbeeld één op één toepasbaar op de regionale klimaatscenario's die het KNMI heeft vervaardigd voor het klimaat van Nederland in 2050.54 Ook daarvoor zijn klimaatmodellen gevoed met een stijgende CO2- concentratie, ervan uitgaande dat CO2 het dominante effect zal zijn voor de komende vijftig jaar. De uitkomsten


97 zijn gepresenteerd in de vorm van vier mogelijke scenario's die samen ongeveer 80 procent van de mogelijkheden zouden omvatten. Maar dit soort nuanceringen doen niets af aan het feit dat het volgens Pielke onmogelijk is om realistische regionale voorspellingen55 te doen met de huidige generatie modellen. Toch gaat ook in Nederland iedereen ijverig aan de slag met de klimaatscenario's. Rijkswaterstaat, gemeenten, waterschappen, natuurorganisaties, iedereen baseert zijn beleid op deze scenario's als de beste inschatting voor onze toekomst. Het gaat dan om zaken als het verhogen van dijken, het vergroten van riolen en het bouwen van hittebestendige woningen. Zijn de KNMI-onderzoekers zich niet bewust van de opvattingen van Pielke of hebben ze goede argumenten dat hij ernaast zit?


KNMI De kritiek die Pielke sr. heeft op de IPCC-modellen is exact de kritiek die Henk Tennekes, voormalig research-directeur bij het KNMI, al sinds 1990 uit. Tennekes maakte zichzelf mede daardoor onmogelijk bij het KNMI en werd later ontslagen. In de gesprekken die ik met Tennekes voerde, hamerde hij erop dat je een klimaatmodel moet opvatten als engineering code, vergelijkbaar met softwareprogramma's voor het ontwerp van een chemische fabriek, een brug of een vliegtuig. Ingenieurs zullen hun model nooit blindelings vertrouwen, het vliegtuig bouwen en het op goed geluk de lucht in sturen. Er volgt een proces van eindeloos testen of het model met metingen bevestigd kan worden, er worden prototypes gebouwd die eveneens eindeloos getest worden en ten slotte wordt het ontwerp stap voor stap opgeschaald tot het definitieve product. Een ingenieur kijkt dus wel uit om zijn model 'te geloven'. Dat kan hem nog duur komen te staan als het product faalt, de boot kapseist of het vliegtuig neerstort Klimaatmodelleurs voelen deze druk echter veel minder. Hun modellen worden wel gewoon op goed geluk vijftig jaar vooruit gestuurd en het probleem is dat we pas over vijftig jaar weten of de voorspelling juist was. Een ongewenste situatie, zeker als we bedenken dat niet alle belangrijke processen in de modellen ingebouwd zijn, en als we bedenken dat mede op basis van deze voorspellingen beleid wordt uitgestippeld waarmee miljarden gemoeid zijn. . Je ziet voor je wat er in de praktijk gebeurt. De politiek heeft een enorme behoefte aan informatie over de toekomst en vraagt aan het KNMI: 'Wat staat ons te wachten?' Het is voor de deskundigen van het KNMI interessant om met zo'n vraag aan de slag te gaan. Het is niet leuk om te antwoorden: 'Onze modellen zijn nog niet goed genoeg om daar uitspraken over te doen.' Dus draaien de onderzoekers op supercomputers hun modellen vijftig jaar vooruit. Het KNMI tevreden dat het op dit moment het maximale uit de modellen gehaald heeft; de politiek blij dat er een scenario ligt waarmee men aan de slag kan; Rijkswaterstaat blij dat ze kunnen gaan berekenen hoe hoog de dijken moeten worden; en ingenieursbureaus blij dat er weer een heleboel werk is. Het is dus niet vreemd dat de vraag 'Zijn de modellen wel goed genoeg voor dit soort doeleinden?' door vrijwel niemand gesteld wordt. Behalve door die paar luizen in de pels, zoals Pielke en Tennekes.


Wat dan wel? Als de modelaanpak niet werkt volgens Pielke, wat dan wel? Pielke was een paar jaar geleden in Den Haag op een klimaatcongres en hij was erg gecharmeerd van het klimaatbestendig maken van Nederland. Dit is precies wat Pielke ook al jaren voor ogen heeft.56 Om klimaatbestendig te worden moet je in kaart brengen wat de risico's zijn van weer en klimaat voor zaken als water, voedsel en energie. Je richt je vooral op de extremen en analyseert daarbij wat er in het verleden


98 al heeft plaatsgevonden. Wat is de maximale hoeveelheid neerslag die er ooit in een week viel? Wat was de ergste hittegolf en wat waren de gevolgen destijds voor de waterstanden, de landbouw, de volksgezondheid, enzovoort? Leidt droogte tot een watertekort, zorg dan voor meer opvangbekkens.


Alle extremen die in het verleden zijn voorgekomen, kun je weer verwachten, is het simpele credo van Pielke. Wil je je voorbereiden op ergere situaties, tel dan 10 of 20 procent op bij de ergste extremen uit het verleden. Op die manier kan een land zich goed wapenen tegen klimaatverandering en weersextremen. Het voordeel van zo'n benadering is dat men zich niet blindstaart op de verwachtingen dat het wel warmer moet worden. Je bent in principe net zo goed voorbereid op een extreem koude winter als op een extreme hittegolf in de zomer. In dat geval was het strooizout in de winter van 2009 / 2010 misschien niet op geweest na wat meer sneeuwval dan gebruikelijk. Hoewel we natuurlijk altijd moeten afwegen hoe groot onze voorraden zijn en hoeveel risico we willen lopen. Nederland doet uiteraard al eeuwen niets anders dan proberen de kwetsbaarheid voor weersextremen en calamiteiten zo klein mogelijk te maken. Dijken en overloopgebieden zijn maar twee van de vele voorbeelden van deze aanpak. Toch is het terecht, denk ik, om te constateren dat klimaatscenario's ons zand in de ogen strooien. De modelscenario's geven een vals gevoel van zekerheid, het gevoel dat het wel op moet warmen. Discussie daarover is er niet. Het zou goed zijn als de gebruikers van de scenario's, de ministeries, provincies, gemeenten en waterschappen die discussie gaan aanzwengelen.




99 HOOFDSTUK 6


Is die opwarming echt zo desastreus? Volgens het IPCC staat ons een reeks van catastrofes te wachten, waaronder een fikse zeespiegelstijging, het uitsterven van planten- en diersoorten en problemen bij onze voedselproductie. Juist in het deel van het PCC-rapport dat hierover gaat stonden echter ook de fouten die het IPCC zo in opspraak brachten. Die fouten lijken niet per ongeluk te zijn ontstaan. Alle fouten maken het 'klimaatprobleem' namelijk erger, wat doet vermoeden dat het IPCC erop gespitst is het probleem te overdrijven. Maar ook bij onderwerpen waarbij geen fouten zijn gevonden, zoals biodiversiteit en oceaanverzuring, zien we dat het IPCC de zaak ernstiger voorstelt dan nodig is.


Het IPCC kwam begin 2010 onder vuur te liggen door een reeks ontdekte fouten in het vierde IPCC-rapport uit 2007. Die fouten stonden allemaal in het rapport van Werkgroep 2, dat zich bezighoudt met de gevolgen van de opwarming van de aarde voor mens en milieu. Verdedigers van het IPCC riepen daarom meteen dat 'de hoofdconclusies van het IPCC nog overeind stonden'. De hoofdconclusies -- de aarde warmt op en het komt door de mens -- staan immers in het rapport van Werkgroep 1. Dit boek ging tot dusver daarom voornamelijk over de bevindingen van Werkgroep 1. Dat de hoofdconclusies van Wergroep 1 nog overeind staan, is maar sterk de vraag. De auteurs van Wergroep 1 zijn nogal selectief te werk gegaan met het aanhalen van wetenschappelijke literatuur, en de paar sceptici (met name McIntyre en McKitrick) die als expert reviewer commentaar indienden op de conceptrapporten werden zo goed als genegeerd door de hoofdauteurs.


Op z'n best zou je kunnen concluderen dat Wergroep 1 zo goed mogelijk de broeikashypothese heeft proberen te onderbouwen. Er zijn echter meer dan genoeg artikelen verschenen die 'het bewijs dat de mens de aarde opwarmt' zwakker maken. Vaak zijn die artikelen niet eens door sceptici geschreven, zoals het artikel van Jeff Kiehl, dat laat zien dat onderzoekers de afkoeling door aerosolen 'gebruiken' om de klimaatmodellen kloppend te krijgen met de mondiale temperatuur in de twintigste eeuw. Hoewel ik het eens ben met verdedigers van het IPCC dat fouten in Werkgroep 2 minder ingrijpend zijn dan fouten in Werkgroep 1, is het natuurlijk belangrijk om je af te vragen hoe de fouten in Werkgroep 2 ontstonden. Was het gewoon slordigheid of is er een tendens om de negatieve gevolgen van de opwarming van de aarde consequent te overdrijven? Het laatste lijkt het geval, omdat alle ontdekte fouten de alarmistische kant op vallen. De fout maakt de gevolgen van klimaatverandering erger. Een ander punt is hoe het IPCC op de ontdekte fouten gereageerd heeft. Is het IPCC bereid fouten te erkennen en recht te zetten? In het eerste deel van dit hoofdstuk nemen we een aantal van de ontdekte fouten onder de loep. Het gaat om de eerste ontdekte fout: over het smelten van de Himalaya-gletsjers, die uiteindelijk tot een sneeuwbaleffect zou leiden en waardoor het IPCC ongekend onder vuur kwam te liggen. Voorts onderzoeken we Amazon-gate, de claim dat 40 procent van de Amazone zeer gevoelig zou zijn voor kleine veranderingen in neerslag en ten slotte bespreken we de conclusies van Werkgroep 2 over schade door orkanen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) werd naar aanleiding van de ontdekte fouten aan het werk gezet door (toen nog) minister Cramer van Milieu. Het rapport van het PBL verscheen


100 in juli 2010 en werd in de media voornamelijk gezien als een vrijgeleide voor het IPCC. Dat was ook zo, hoewel het PBL wel degelijk enkele opvallende aanbevelingen deed. Het PBL maakte ook zelf een fout, die dezelfde dag nog in de blogwereld uit de doeken werd gedaan, maar door het PBL niet is rechtgezet. Daarover later meet Het PBL richtte zich op slechts acht hoofdstukken van Werkgroep 2 (over de verschillende regio's in de wereld) en de conclusies van het PBL betekenen dus geenszins dat het wel snor zit met alle hoofdconclusies van Werkgroep 2. In het laatste deel van het hoofdstuk lopen we daarom nog enkele belangrijke thema's langs, zoals de zeespiegelstijging, het smelten van gletsjers, de bedreiging van biodiversiteit en de verzuring van de oceanen.


De Himalaya gesmolten in 2035 Hoogmoed komt voor de val, luidt het spreekwoord. Himalaya-gate lijkt daar een mooi voorbeeld van. Dit 'schandaal', deze 'soap' of 'kwestie', hoe je het ook wilt noemen, begint eigenlijk al vóór Climategate. In november zoog publiceerde het Indiase ministerie van Milieu een rapport over de toestand van de gletsjers in de Himalaya.1 Het document was bedoeld als 'discussion paper'. Ik denk niet dat iemand bij de presentatie kon bevroeden hoeveel 'discussie' het zou gaan genereren. Het rapport was geschreven door de Indiase gepensioneerde glacioloog Vijay Kumar Raina, voorheen werkzaam bij de Geological Survey of India. Het rapport bevestigde dat de meeste onderzochte gletsjers in de Himalaya de afgelopen dertig jaar gekrompen zijn, maar dat het te vroeg is om dat toe te schrijven aan de opwarming van de aarde. Topblad Science besteedde een nieuwsartikel2 aan het rapport en dat zal het vuurtje ongetwijfeld aangewakkerd hebben. Want Science schreef dat het rapport een aantal wijdverbreide misverstanden over de Himalaya wilde rechtzetten, namelijk dat er sprake zou zijn van versneld afsmelten en verwijst daarbij naar de claim in Werkgroep 2 die stelt dat het zeer waarschijnlijk is dat de gletsjers in 2035 of zelfs eerder verdwenen zullen zijn. In het Science-artikel stelt onderzoeker John Shroder dat het IPCC er 'volledig naast zat'. 'Ze trokken veel te snel conclusies op basis van te weinig data,' aldus Shroder. Science liet ook tegenstanders van het rapport aan het woord. 'Iedere suggestie dat de snelheid waarmee de gletsjers in de Himalaya zich terugtrekken, is afgenomen, is "onwetenschappelijk". De Indiase overheid steekt, met een naderende apocalyps in het vooruitzicht, als een struisvogel de kop in het zand.' Die reactie kwam van de Indiase glacioloog Syed Hasnain. Onthoud die naam. Rajendra Pachauri, de voorzitter van het IPCC en zelf van Indiase komaf, deed het Indiase rapport af als 'voodoo science', waarbij het woord 'voodoo' zowel bedrog als kwaadwillendheid suggereert. Hij diskwalificeerde het rapport ook omdat het niet peer reviewed zou zijn In The Guardian zei Pachauri op 9 november3 (dus vóór Climategate): 'We hebben een heel duidelijk beeld van wat er aan de hand is. Ik snap niet waarom de minister dit ongefundeerde onderzoek steunt. Het is een extreem arrogante opmerking.'


Een paar weken later werd duidelijk dat er vooral aan de zijde van het IPCC zélf sprake was van arrogantie en hoogmoed. Uitgerekend de zeer alarmistische claim uit het IPCC-rapport dat de gletsjers in 2035 verdwenen zullen zijn, bleek niet gebaseerd te zijn op wetenschappelijke literatuur. Bedenk daarbij dat wat de ijsbeer is voor de Noordpool en de Kilimanjaro voor Afrika, de Himalaya-gletsjers zijn voor Azië: een icoon voor de opwarming van de aarde. Hier de relevante passage uit het IPCC-rapport:



101 Glaciers in the Himalaya are receding faster than in any other part of the world (see Table 10.9) and, if the present rate continues, the likelihood of them disappearing by the year 2035 and perhaps sooner is very high if the Earth keeps warming at the current rate. Its total area will likely shrink from the present 500,000 to 100,000 km2 by the year 2035 (WWF, 2005). (IPCC, AR4, WG2, Ch. 10, p. 493)


Het duurde overigens even voordat de oorspronkelijke bron boven tafel was. Eerst dacht de Canadese fysisch geograaf Graham Cogley dat het IPCC waarschijnlijk 2350 bedoelde, in plaats van 2035. Het jaartal 2350 kwam voor in een Unesco-rapport uit 1996. Eind december maakte de Amerikaanse klimaatonderzoeker John Nielsen-Gammon op zijn blog4 aannemelijk hoe de passage in het IPCC-rapport terecht was gekomen. Het IPCC citeert een rapport van het Wereld Natuur Fonds uit 2005, dat niet peer reviewed is. Dat rapport verwijst echter door naar een interview met de Indiase glacioloog Syed Hasnain uit 1999 in het populairwetenschappelijke tijdschrift New Scientist. Al helemaal niet peer reviewed dus. New Scientist lijkt op zijn beurt geïnspireerd te zijn geweest door een interview dat Hasnain in april 1999 gaf aan een Indiase website.5 Ook niet peer reviewed.


In dat artikel staat:


'Glaciers in the Himalaya are receding faster than in any other part of the world and, if the present rate continues, the likelihood of them disappearing by the year 2035 is very high,' says the International Commission for Snow and Ice (ICSI) in its recent study on Asian glaciers. 'But ij. the Earth keeps getting warmer at the current rate, it might happen much sooner,' says Syed Iqbal Hasnain of the School of Environmental Sciences, Jawaharlal Nehru University, New Delhi. 'The glacier will be decaying at rapid, catastrophic rates. Its total area will shrink from the present 500,000 to l00,000 square km by the year 2035 says former ICSI president V M Kotlyakov in the report Variations of snow and ice in the past and present on a global and regional scale.


De alinea in het IPCC-rapport is een iets herschreven en ingekorte versie van deze passage in het artikel op de Indiase website. Het ICSIrapport dat de aanleiding was voor het interview met Hasnain bevat zelf overigens geen claim dat de gletsjers in 2035 verdwenen zullen zijn. Hasnain dikte het rapport dus wat aan in het interview. Je zou verwachten dat het IPCC met deze onthullingen het schaamrood op de kaken zou staan, maar niets bleek minder waar. Toen New Scientist de hoofdrolspelers van destijds (Hasnain) en nu (Murari Lal, de hoofdauteur van het betreffende IPCC-hoofdstuk) op 11 januari 2010 om een reactie vroeg,6 ontkende Lal dat het IPCC ernaast zat wat betreft het smelten van de Himalaya-gletsjers. 'De IPCC-auteurs deden precies wat er van hen verwacht werd,' aldus Lal. Wel erkende Lal dat het IPCC zwaar leunde op grijze literatuur, dat wil zeggen literatuur die niet via peer review tot stand is gekomen, zoals het rapport van het Wereld Natuur Fonds. 'Maar,' voegde Lal eraan toe, 'de fout, als die er al is, ligt volledig bij Hasnain en niet bij de IPCC-auteurs.'


Grijze literatuur IPCC-voorzitter Pachauri heeft de afgelopen jaren veelvuldig verklaard in de media dat IPCC-rapporten uitsluitend gebaseerd zijn op peer reviewed literatuur.7 Zo zei hij in november 2009, vlak voor Climategate,8 naar aanleiding van een in India verschenen rapport over de gletsjers in de Himalaya: 'IPCC-rapporten gebruiken alleen peer reviewed wetenschap. Laat


102 iemand zijn gegevens in een degelijk tijdschrift publiceren. Ik ben er zeker van dat het IPCC het dan zou accepteren en anders kunnen we het gewoon in de prullenbak gooien.' Pachauri bekritiseerde het niet-gereviewde Indiase rapport fel. In de maanden daarna werd duidelijk dat diverse van de ontdekte fouten in Werkgroep 2 waren ontstaan door het gebruik van zogenoemde grijze literatuur, dat wil zeggen literatuur die niet peer reviewed is. Je moet dan denken aan rapporten van overheden, de Europese Unie en van belangenorganisaties zoals Greenpeace en het Wereld Natuur Fonds. Ook het invloedrijke Britse Stern-rapport is niet peer reviewed. De Canadese blogger Donna Laframboise besloot met vrijwilligers uit diverse landen alle referenties van het IPCC-rapport (totaal 18.500) na te lopen en te tellen hoeveel bronnen niet peer reviewed waren. Het bleken er maar liefst 5600 te zijn,9 bijna een derde dus. Werkgroep 3 baseerde zich in 57 procent van de gevallen op grijze literatuur. Bij Werkgroep 2 was het percentage 34 en bij Werkgroep 1, het meest natuurwetenschappelijke deel, ook nog altijd 7 procent. De richtlijnen van het IPCC verbieden het gebruik van grijze literatuur overigens niet, maar stelt er wel strenge eisen aan. De ontdekte fouten wijzen er alleen op dat die strenge regels niet goed worden nageleefd.


Hasnains verwijt op zijn beurt luidt dat het IPCC misbruik heeft gemaakt van een opmerking die hij maakte tegen een journalist. 'Het magische getal van 2035 wordt niet vermeld in de wetenschappelijk artikelen die ik geschreven heb, omdat geen enkel peer reviewed tijdschrift zulke speculatieve getallen zou accepteren,' aldus Hasnain. Een moddergevecht dus tussen twee Indiase wetenschappers, waarbij beiden overigens boter op hun hoofd hebben. De reactie van Lal is ronduit belachelijk. De richtlijnen van het IPCC 10 staan auteurs toe om grijze literatuur te gebruiken, maar de bron moet dan zorgvuldig nageplozen worden, aldus het IPCC. Dat was de taak van Lal, maar Lal deed niet wat de richtlijn voorschreef. Lal schreef gewoon een passage uit een rapport van het Wereld Natuur Fonds over, zonder na te gaan waar het WNF de claim vandaan had. Dan achteraf de schuld bij Hasnain leggen, is absurd. De reactie van Hasnain lijkt logischer, maar blijkt bij nader inzien ook nogal hypocriet. De Britse journalist Richard North zette op zijn blog Eureferendum11 in diverse blogberichten uiteen hoe Hasnain sinds 1999 vele malen de 2035-claim in diverse varianten (soms zei hij 'bin- nen veertig jaar') herhaalde. Hasnain had de conclusies van een Brits rapport uit 2004 onderschreven, dat de 2035-claim tegensprak.12 Desondanks bleef hij de alarmistische boodschap uitdragen, ook in september 2009 nog. Helemaal pikant wordt het als blijkt dat Hasnain, inmiddels gepensioneerd en weg bij de universiteit waar hij werkte, is aangesteld als hoofd van de afdeling Glaciologie van The Energy & Resources Institute (TERI), een onderzoeksinstituut dat geleid wordt door niemand minder dan... Rajendra Pachauri. De baas van het IPCC staat tevens als een voltijds werknemer op de loonlijst van TER'. Op de TERI-website vinden we onder het kopje 'TERI in het nieuws' een bericht uit The Times uit 2008, waarin Hasnain gelinkt is aan het smelten van de gletsjers in 2035. TERI heeft de afgelopen jaren met succes gelobbyd voor onderzoeksgelden voor meer gletsjeronderzoek. Zo investeert de Europese Unie drie miljoen euro in het High Noon-project,13 dat de impact van het smelten van Himalaya-gletsjers gaat onderzoeken. TERI participeert in dit project, waarin ook Nederland zit. Bij de aftrap van dit programma in mei 2009 werd de 2035-claim opnieuw genoemd door een ambtenaar van de EU, hoewel de Britse onderzoeker Gwyn Rees zijn presentatie eindigde met de opmerking dat het zeer


103 onwaarschijnlijk is dat alle gletsjers in 2035 verdwenen zullen zijn. TERI ontving ook een half miljoen dollar van de Carnegie Foundation.


Het IPCC erkent een fout Hasnain gebruikte jarenlang zijn 'speculaties' om aandacht en geld te krijgen voor het gletsjeronderzoek in de Himalaya. Hij wist al jaren dat de claim niet waar was, maar greep niet in toen het IPCC de claim opnam in het vierde IPCC-rapport. Pas toen New Scientist hem vragen begon te stellen, zei Hasnain plots dat het IPCC nalatig was geweest en dat hij de uitspraak nooit had opgeschreven in een wetenschappelijk tijdschrift. De buit, financiering van gletsjeronderzoek via High Noon en via de Carnegie Foundation, was toen allang binnen. In januari 2010 groeit de kritiek op het IPCC vanwege de Himalayakwestie met de dag en op 17 januari 2010 geeft Lal, de hoofdauteur van het hoofdstuk, in The Sunday Times14 toe dat de bewering rechtgezet dient te worden. Een dag later trekt Pachauri zijn handen van de zaak af. 'Ik was hier absoluut niet verantwoordelijk voor, de auteurs van het hoofdstuk zijn verantwoordelijk.'15 Op zo januari erkent het IPCC met een verklaring op zijn website dat er een fout is gemaakt.16 Dat gebeurt echter in bedekte termen en zonder het jaartal '2035' ook maar te noemen:


It has, however, recently come to our attention that a paragraph in the 938 page Working Group II contribution to the underlying assessment refers to poorly substantiated estimates of rate of recession and date for the disappearance of Himalayan glaciers. In drafting the paragraph in question, the clear and well-established standards of evidence, required by the IPCC procedures, were not applied properly.


Het IPCC erkent dus dat zijn eigen procedures niet goed zijn nageleefd. De lezer die de achtergronden niet kent, krijgt de indruk dat het om een foutje gaat in een rapport van 938 bladzijden. Dezelfde dag kwam persbureau AP17 met een artikel dat stelde dat er niet één, maar wel vijf fouten in die ene beruchte IPCC-sectie staan. Naast de 2035-fout is de meest in het oog springende dat het gletsjeroppervlak helemaal niet 500.000 km2 bedraagt zoals IPCC schrijft, maar slechts 33.000 km2. Dit zaakje stinkt, concludeerde Roger Pielke jr. op zijn blog.18 Pachauri mengde zich als voorzitter van het IPCC in een dispuut over claims in het IPCC-rapport. Hij onderhandelde tegelijkertijd over de financiering van zijn thuisinstituut TERI, waarbij de claims uit het IPCC-rapport werden ingezet als rechtvaardiging voor die financiering. Een overduidelijk geval van belangenverstrengeling, aldus Pielke. Bij dit ene geval van belangenverstrengeling bleef het overigens niet. Richard North en zijn collega Christopher Booker hadden inmiddels diverse financiële banden van Pachauri blootgelegd 19 (zie kader hieronder).


Pachauri IPCC-voorzitter Rajendra Pachauri zit in de adviesraad van de Chicago Climate Exchange, de grootste en meest lucratieve beurs voor de handel in emissierechten in de wereld. Pachauri zit in de adviesraad van Siderian, een durf kapitalist die zich specialiseert in duurzame technologie. Hij zit in de bestuursraad van de Nordic Glitnir Bank, die een Sustainable Future Fund heeft opgezet dat vier miljard dollar wil ophalen. Pachauri werd in 2008 directeur van de International Risk Governance Council in Genève, dat opgezet is door EDF en E.On, twee grote Europese elektriciteitsbedrijven, ter promotie van bio-energie. Hij werd aangesteld als voorzitter van de adviesraad van de Asian Development Bank, een bank die een groot voorstander is van het Clean Development Mechanism (CDM). CDM maakt het


104 mogelijk dat westerse landen CO2- reductie kunnen kopen in ontwikkelingslanden, waar CO2-reductie vaak met minder kosten te verwezenlijken is. Pachauri's 'eigen' instituut TERI draait mee in diverse CDM-projecten. En nog is het einde niet in zicht. Pachauri is hoofd geworden van het Climate and Energy Institute van Yale University. Hij zit in de adviesraad voor klimaatverandering van de Deutsche Bank. Hij is directeur van het Japanse Institute for Global Environmental Strategies en tot voor kort adviseur van Toyota Motors. Kan het nog gekker worden? Ja hoor, een durfkapitalist waarin Al Gore participeert, investeert tien miljoen dollar in een bedrijf dat opgericht is door Pachauri. Ook TERI investeert in dit bedrijf dat Glorioil heet. Glorioil ontwikkelt technologie waarmee nog meer olie uit al bijna lege olievelden gehaald kan worden. U leest het goed, Pachauri en Al Gore, de Nobelprijswinnaars voor de Vrede, samen actief in de olie-industrie.20 Bedenk dan dat het IPCC geacht wordt 'beleidsrelevant maar tegelijkertijd beleidsneutraal' te zijn. Beleidsneutraal is Pachauri echter vaker niet dan wel.21 Zo liet Pachauri zich vlak voor de klimaattop ontglippen dat westerse leefstijlen niet duurzaam zijn. Van hotelgasten moet het elektriciteitsverbruik in de gaten gehouden worden. De luchtvaartbelasting moet fors omhoog om mensen van het vliegen af te houden,' aldus Pachauri. In 2007, vlak voor de presentatie van het IPCC-rapport, zei Pachauri dat hij hoopte dat het rapport mensen en overheden zou choqueren zodat ze meer actie zullen ondernemen.22


Het probleem van het IPCC is dat niemand bereid is, of in staat is, om Pachauri een halt toe te roepen. Pachauri zelf blijft wild om zich heen slaan tegen iedereen die kritiek op hem of op het IPCC heeft. Als reactie op de beschuldiging van belangenverstrengeling zei Pachauri:23 'Dit zijn een heleboel leugens van mensen die wanhopig worden. Ze maken graag jacht op de vent wiens stem gehoord wordt. Ik heb geen cent ontvangen van mijn verbintenissen met bedrijven en instituten. Alle honoraria die ik ontvang, gaan naar TERI en naar de campagne van TERI Light a Billion Lives, die beoogt om mensen zonder toegang tot elektriciteit zonne-energie te verstrekken.' Hoe nobel ook, en of het geld nou rechtstreeks in zijn zak vloeit of naar TERI gaat, het blijft volgens Pielke belangenverstrengeling. Het IPCC heeft ondertussen niet eens een richtlijn voor belangenverstrengeling, waardoor Pachauri officieel niets te verwijten valt. Hij handelt immers niet in strijd met een richtlijn. Het IPCC kan hem dus niets maken en Pachauri heeft meerdere keren verklaard zijn termijn als voorzitter af te zullen maken. Pielke merkt ook fijntjes op24 dat als hetzelfde zou gebeuren rond geneesmiddelen, de wereld te klein zou zijn: een internationale adviescommissie die aanbeveelt dat geneesmiddel X veilig is, terwijl tegelijkertijd de voorzitter van de commissie grote sommen onderzoeksgeld van de fabrikant van geneesmiddel X weet binnen te halen voor het onderzoeksinstituut waar de voorzitter directeur is. Journalisten zouden hier bovenop springen. Dat is de dubbele moraal van het klimaatdebat. De meeste journalisten, enkele uitzonderingen zoals North en Booker daargelaten, zien het klimaatprobleem als een urgent probleem en kiezen er daarom voor om de belangenverstrengeling van Pachauri niet aan de kaak te stellen. Die dubbele moraal zien we ook terug in de Nederlandse pers. De Volkskrant schreef terecht over de perverse prikkels die er kleven aan het Clean Development Mechanism (CDM). Chinese fabrikanten verdienden de afgelopen jaren honderden miljoenen euro's aan het afvangen van het bijproduct HFK-23, een broeikasgas dat 12.000 keer zo sterk zou zijn als CO2, en daarom heel veel geld waard is onder het CDM. De perverse prikkel is dat het afvangen van HFK-23 de fabrikant veel meer geld oplevert dan het hoofdproduct, een koelmiddel. Over de belangenverstrengeling van Pachauri en de gevolgen die dat heeft voor de objectiviteit


105 van het IPCC als geheel, heeft de Volkskrant echter geen woord geschreven. En niet alleen de Volkskrant overigens; bij mijn weten heeft geen enkele Nederlandse krant erover geschreven.


Amazon-gate Tot zover het 'foutje' over de gletsjers in de Himalaya en de beerput die ermee werd opengetrokken. Laten we onze blik eens richten op een ander deel van de wereld, de Amazone, ofwel de 'groene long' van de aarde: net als de gletsjers in de Himalaya een icoon voor de opwarming van de aarde. Over een vermeende 'fout' in het IPCC-rapport met betrekking tot de Amazone ontstond minstens zoveel commotie in de blogwereld en de media als over 'gletsjergate'. De Britse journalist Jonathan Leake van The Sunday Times, die de affaire in januari aankaartte, moest in juni diep door het stof.25 Hij had de Britse onderzoeker Simon Lewis verkeerd geciteerd en Lewis had daarover een klacht ingediend. The Sunday Times plaatste een verontschuldiging, waarin onder andere stond dat het IPCC-statement over de Amazone toch wel berustte op peer reviewed wetenschappelijk bewijs. De kwestie laaide weer op en enkele weken later hadden wederom Richard North en Christopher Booker aangetoond26 dat The Sunday Times zijn huiswerk beter had moeten doen. De IPCC-claim bleek wel degelijk niet te onderbouwen met solide wetenschap.


Je kunt gemakkelijk verdwalen in deze kwestie, maar ik probeer zo kort mogelijk de feiten op een rijtje te zetten.27 Het IPCC stelt in hoofdstuk 13 van Werkgroep 2 het volgende:28


Up to 40% of the Amazonian forests could react drastically to even a slight reduction in


precipitation; this means that the tropical vegetation, hydrology and climate system in


South America could change very rapidly to another steady state, not necessarily


producing gradual changes between the current and the future situation (Rowell and


Moore, 2000).


De referentie is Rowell en Moore,29 een rapport dat geschreven is voor het Wereld Natuur Fonds (WNF) en de International Union for the Conservation of Nature (IUCN), de organisatie die de lijsten opstelt voor bedreigde diersoorten. Dit rapport bevat de volgende zin:


Up to 40% of the Brazilian forest is extremely sensitive to small reductions in the amount of rainfall.


Merk op dat het IPCC-rapport het had over het hele Amazonegebied, terwijl hier alleen gesproken wordt over het Braziliaanse deel. Bovendien is bij het IPCC 'extreem gevoelig' veranderd in 'reageert drastisch'. De bron hiervan zou een artikel30 van Daniel Nepstad zijn in Nature. Het probleem is alleen dat het desbetreffende artikel geen onderbouwing bevat voor de claim 'tot 40 procent'. Nepstad reageerde persoonlijk op de commotie31 en stelde dat Rowell en Moore ten onrechte naar het WNF /IUCN-rapport hadden verwezen. De echte bron was volgens Nepstad de website van het Braziliaanse Amazon Environmental Research Institute (IPAM). North wist uiteindelijk het bewuste document te achterhalen,32 een educatief artikel op de website van het IPAM, dat in 2003 verwijderd werd, maar dankzij de Wayback Machine (een website waarop oude webpagina's worden bewaard) kon worden opgeduikeld. Het artikel verscheen in 1999 op de website van IPAM, zonder auteursnaam. Het is zeker niet peer reviewed. Pielke concludeert op zijn blog33 dat het IPCC inderdaad een bewering deed die het niet kon


106 onderbouwen met de vermelde referenties. Net als bij de 2035-fout blijkt de bewering uiteindelijk afkomstig te zijn van een populairwetenschappelijk artikel, in dit geval op een Braziliaanse website. Verder speurwerk, van zowel North als Pielke, leverde op dat er, in tegenstelling tot wat Daniel Nepstad en ook Simon Lewis beweerden, ook elders in de wetenschappelijke literatuur geen bewijs te vinden is voor de claim. Pielke: 'Voor het IPCC is deze mate van slordigheid en gebrek aan nauwkeurigheid zorgwekkend.' Het IPCC maakte een fout en alle pogingen om die fout te ontkennen dan wel te verdedigen zijn gênant, vindt Pielke.


De foutjes kunnen worden afgedaan als slordigheden. Het rapport is immers zo dik; dan glippen dit soort dingen er doorheen. Bij de Himalayagletsjers waren Hasnain en waarschijnlijk ook Pachauri echter al jaren op de hoogte van de fout. Ze hielden hun mond erover en gebruikten ondertussen het dramatische jaartal 2035 voor fondsenwerving. Speelt geld bij de Amazone ook een rol? North en Booker denken van wel.34 Sterker nog, ze denken dat het hier om vele miljarden gaat in plaats van een paar miljoen zoals bij de Himalaya-gletsjers het geval was. Dat zit zo: het WNF is een groot voorstander van REDD, wat staat voor Reducing Emissions from Deforestation and Degradation. Bij ontbossing komt veel CO2 vrij en het idee van vele ngo's en ontwikkelingslanden is nu dat het voorkomen van ontbossing dus goed is voor het klimaat. Er is daarom een actieve lobby om het voorkomen van ontbossing (REDD dus) onder te brengen in het nog altijd voor elkaar te boksen klimaatakkoord. North maakt op zijn blog aannemelijk dat het WNF, dat participeert in een REDD-pilotproject in Brazilië, dus grote financiële belangen heeft bij het tot stand komen van REDD. Het kan er letterlijk miljarden aan verdienen. Nu is er niks mis met het feit dat WNF pleit voor REDD en zelfs niet dat het daar zelf aan kan verdienen. Elke lobbyorganisatie pleit voor iets en heeft geld nodig voor het ontplooien van de eigen activiteiten. De vraag is alleen of het voor het IPCC verstandig is naar rapporten te verwijzen, die ten eerste al niet peer reviewed zijn en die ten tweede afkomstig zijn van een organisatie die zelf belangen heeft bij de uit- komsten. De perverse prikkel ligt hier net zo sterk op de loer als bij de Chinese fabrikanten die HFK-23 produceren. Als de lobby van het WNF slaagt, dan zijn de bomen in de Amazone plots vele tientallen miljarden dollars waard en het WNF deelt mee in deze taart.


Schade door rampen Fanatieke sceptici zullen in beide tot nu toe behandelde fouten boze opzet zien: de intentie om te overdrijven en beleidsmakers te misleiden. Aanhangers van het IPCC noemen het liever 'foutjes' die bijna onvermijdelijk zijn in zo'n uitgebreid rapport, en zullen er aan toevoegen dat de auteurs van het volgende rapport extra hun best moeten doen om dit soort foutjes te voorkomen. Bij het derde en laatste voorbeeld is er echter geen twijfel meer mogelijk dat het om een fout met een hoofdletter F gaat. De kwestie is heel belangrijk, namelijk of er een relatie is tussen de opwarming van de aarde en de hoeveelheid schade als gevolg van weersextremen, zoals orkanen en overstromingen.


De literatuur is hier eigenlijk vrij duidelijk over: die relatie is er niet. Maar het IPCC stapte in het vierde rapport van deze 'consensus' af en suggereerde dat er wel een opwaartse trend is in schade door natuurrampen door klimaatverandering. Een sleutelfiguur in deze discussie is Roger Pielke jr., hoogleraar milieustudies aan de University of Colorado in Boulder. Pielke publi- ceerde in 1998 voor het eerst over dit


107 onderwerp met de Amerikaanse orkaanonderzoeker Chris Landsea. In de jaren negentig meenden onderzoekers dat de economische schade door orkanen toenam door de opwarming van de aarde Probleem daarbij is dat er in absolute zin, dus de schade in miljarden dollars, uiteraard een stijgende trend is. Maar dat komt doordat er veel meer kapitaal staat langs de Amerikaanse kust dan vijftig of honderd jaar geleden. Pielke en Landsea gingen aan de slag om zo goed mogelijk te corrigeren voor deze economische ontwikkeling en nadat ze dat gedaan hadden, was er geen (stijgende) trend in de data meer over. Verrassend was dat overigens niet, want er zit ook geen trend in de frequentie en de intensiteit van de orkanen die in de Verenigde Staten aan land komen. In het derde rapport in zool was het IPCC heel voorzichtig over de relatie tussen rampen en klimaatverandering, maar in het vierde rapport gaat het mis. In zijn nieuwe boek The Climate Fix35 beschrijft Pielke stap voor stap wat er gebeurt. Het begint in 2005 met een commentaar van Evan Mills in Science. Mills, verwijzend naar nota bene het derde IPCC-rapport, stelt dat klimaatverandering een rol heeft gespeeld in de toename van kosten door natuurrampen. Het IPCC-rapport bevat, zoals gezegd, geen onderbouwing voor die claim. Maar Science is een prestigieus blad en in 2006 verwijst het invloedrijke Britse Stem Review (een rapport over de economie van klimaatverandering) naar Mills als bewijs voor de link tussen rampen en klimaatverandering. Stern doet er, verwijzend naar een tweede artikel, nog een schepje bovenop door te concluderen dat de uitstoot van broeikasgassen de schade door rampen met 2 procent per jaar doet stijgen.


Dit tweede artikel was niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift maar geschreven door Robert Muir-Wood van het bedrijf Risk Management Solutions voor een workshop in 2006 in Duitsland.36 Deze workshop was opgezet door herverzekeraar Munich Re samen met Pielke om te kijken of een groep van deskundigen het met elkaar eens kon worden over de relatie tussen schade en klimaatverandering. Dat lukte wonderwel en alle aanwezigen, onder wie Muir-Wood, onderschreven dat er nog geen 'broeikassignaal' zichtbaar is in de data en dat het onwaarschijnlijk is dat zo'n link de komende decennia hard gemaakt kan worden. De verbazing was dan ook groot bij Pielke toen het IPCC-rapport in 2007 verscheen. Het IPCC concludeerde37 dat er na correctie voor economische ontwikkeling nog steeds een stijgende trend in de data zit. Met andere woorden, er is een klimaatsignaal! Het IPCC baseerde zich op slechts één bron, het 'artikel' van Muir-Wood, geschreven voor de workshop in Duitsland. Muir-Wood, voor de goede orde, was auteur (geen hoofdauteur) van het desbetreffende hoofdstuk. Om de claim te kunnen maken, moesten de hoofdauteurs overigens ook nog eens selectief winkelen in de data van Muir-Wood. Zijn database ging terug tot 1950. Over de hele periode was er geen trend, maar wel vanaf 1970, een periode waarin de orkaanactiviteit historisch laag was, en dan nog vooral door 2005 als eindpunt te nemen, het recordjaar waarin orkaan Katrina New Orleans verwoestte.




108 Afbeelding 9: De mysterieuze grafiek uit het IPCC-rapport die een relatie suggereert tussen de mondiale temperatuur en de schade door natuurgeweld. Het bijschrift verwijst naar Muir-Wood 2006 als bron, maar in dat 'artikel' staat de grafiek niet Bron: IPCC, WG2.


Alsof het nog niet erg genoeg was, publiceerde het IPCC ook nog een grafiek met de data van Muir-Wood (afbeelding 9) en daarnaast de mondiale temperatuur, suggererend dat er een duidelijke relatie is tussen de twee. Deze grafiek was en is verder nooit ergens gepubliceerd. Pas in februari van 2010 vertelde Muir-Wood in een publiek debat38 dat hij deze grafiek 'informeel' heeft gemaakt. 'Persoonlijk denk ik dat deze grafiek niet in het rapport had moeten staan,' zei Muir-Wood tijdens het debat met onder anderen Pielke. Direct na publicatie van het IPCC-rapport in 2007 had Pielke grote moeite met de grafiek.39 Rampen zijn het gevolg van weersextremen en niet van de mondiale temperatuur. Als je schade door natuurgeweld regionaal al niet kunt toekennen aan een verandering in weersextremen, dan kun je het zeker niet mondiaal met een grootheid (de temperatuur) die op zijn best slechts een zwakke relatie heeft met weersextremen, aldus Pielke. Er waren ten minste twee expert reviewers van het IPCC-rapport die kritiek hadden op de conclusies van het IPCC. Een ervan was de Nederlandse onderzoeker Laurens Bouwer van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Bouwer publiceerde met Pielke over dit onderwerp en was ook aanwezig bij de workshop in Duitsland. Hij adviseerde de auteurs een duidelijk statement op te nemen in de Samenvatting voor beleidsmakers over de consensus onder onderzoekers, zoals die was bereikt in Duitsland. Het IPCC besloot echter niets over het onderwerp in de samenvatting te zetten.40 Intrigerend is daarnaast een opmerking van de Canadese onderzoeker Francis Zwiers. Hij vroeg de IPCC-auteurs letterlijk: 'Wat vindt Pielke hiervan?'41 Het IPCC antwoordde:


109 I believe Pielke agrees that adding 2004 and 2005 los the potential to change his earlier conclusions - at least about the absence of a trend in US Cat losses.


Een heel interessant antwoord, want de auteurs vroegen Pielke nooit wat hij ervan vond. Voor de duidelijkheid, Pielkes eerdere conclusies zijn de afgelopen jaren juist keer op keer bevestigd door nieuwe artikelen en recent nog weer door een review artikel van Laurens Bouwer.42 Pielke schreef direct na de publicatie van het rapport in 2007 over de foute conclusie van het IPCC. Het IPCC reageerde nooit. Geen enkel medium pikte het op. Begin 2010, toen er zoveel commotie was over andere 'foutjes' in het rapport, haalde Pielke de hele geschiedenis maar eens op. Toen waren kranten plots wel geïnteresseerd. Op 24 januari, een paar dagen nadat het IPCC de fout over het smelten van de Himalaya had toegegeven, schreef Jonathan Leake van The Sunday Times een stuk43 over Pielkes kritiek. Het IPCC publiceerde daarop een persbericht44 waarin het alle kritiek wegwuifde: 'Dit deel van het IPCC-rapport behandelt op een gebalanceerde manier een gecompliceerde en belangrijke kwestie,' aldus het persbericht. Pielke noemde het persbericht op zijn blog45 een sterk staaltje 'spin en desinformatie'. En ook: 'Het IPCC heeft besloten het onverdedigbare te verdedigen, iets wat iedere lezer gemakkelijk kan doorzien. Natuurlijk zijn er geen repercussies, omdat het IPCC niet ter verantwoording geroepen kan worden en omdat er geen formele weg is om fouten in het rapport of fouten en afleidingsmanoeuvres in het persbericht aan te kaarten. Geen beste beurt voor het IPCC.'


Planbureau De commotie rond het IPCC-rapport leidde tot verschillende spoeddebatten in de Tweede Kamer, alle aangevraagd door Richard de Mos van de PVV Andere partijen begonnen zich ook zorgen te maken over het IPCC en minister Cramer van Milieu vroeg het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om de conclusies van Werkgroep 2 van het IPCC nog eens onder de loep te nemen. Het PBL speelde een prominente rol in Werkgroep 3 van het laatste IPCC-rapport en leverde ook auteurs voor Werkgroep 2. Het is dus goed bekend met de procedures van het IPCC, maar tegelijkertijd niet als 'onafhankelijk' te beschouwen. Er werd dan ook al snel gesproken van de slager die zijn eigen vlees keurt. Gegeven deze relatie tussen het PBL en het IPCC is het niet verrassend dat het PBL het IPCC grotendeels vrijpleitte.46 Tenminste, zo werd het rapport door velen geïnterpreteerd. Het PBL had het persbericht een heel slimme kop gegeven: 'Hoofdconclusies VN-klimaatpanel over regionale gevolgen klimaatverandering overeind.' Dit is te lang voor de meeste afnemers en dus werd het bij opdrachtgever VROM al: 'Hoofdconclusies IPCC-rapport staan recht overeind.' Let op de aanhalingstekens die suggereren dat het hier om een letterlijk citaat gaat. Bij VROM is de toevoeging 'over regionale klimaatverandering' weggelaten en dat geeft de kop een totaal andere lading. Dit suggereert dat de 'hoofdconclusies' overeind staan, waarmee doorgaans wordt bedoeld 'de aarde warmt op en het komt door de mens'. Maar die hoofdconclusies uit Werkgroep 1, zoals eerder besproken in dit boek, waren niet onderzocht door het PBL. De opdracht was afgebakend tot 32 hoofdconclusies in de samenvatting van het zogenoemde Syntheserapport (dat is een rapport dat de belangrijkste bevindingen weergeeft van de drie Werkgroepen). Die conclusies gingen over de gevolgen voor regionale klimaatverandering. Het betrof vier conclusies per continent. Hieronder viel bijvoorbeeld de Amazone-fout. Op 'gletsjergate' kwamen de auteurs in een aparte bijlage terug. Is het een slecht rapport? Geenszins: gegeven hun niet geheel onpartijdige positie is het PBL


110 behoorlijk kritisch geweest en het deed enkele zinvolle aanbevelingen. Zo merken ze op dat alle conclusies gaan over negatieve gevolgen. Zou het niet beter zijn om zowel positieve als nega- tieve gevolgen te benoemen vragen de auteurs zich af. Ook vinden ze dat het IPCC het mogelijk moet maken om fouten te corrigeren na de publicatie van het rapport. 'Pas op voor het formuleren van uitspraken die door lezers kunnen worden opgevat als een overdrijving van de geschatte gevolgen van klimaatverandering,' schreef het PBL.


Het PBL ontdekte ook een nieuwe 'fout' en enkele onnauwkeurigheden:


We hebben slechts één ernstige nieuwe fout ontdekt, in Hoofdstuk 9 over Afrika. Een geschatte afname van 50-60% van extreme wind en turbulentie boven visgebieden aan de westkust van Zuid-Afrika is abusievelijk voorgesteld als een afname van 50-60% in productiviteit als gevolg van veranderingen in wind en turbulentie. Deze fout, en de vijf andere die we hebben gevonden, zijn echter niet doorgedrongen tot het hoogste niveau van de samenvattingen en hebben daarom geen gevolgen voor de conclusies in die samenvattingen.


Met andere woorden, er werden fouten gevonden, maar omdat die niet doorsijpelden naar de 32 onderzochte conclusies staan die conclusies nog overeind. Mijn collega Hajo Smit van climategate.nl ging naar de persconferentie en schreef een uitgebreide recensie op de blog47 waarin hij concludeerde: 'Het rapport is zo slecht nog niet. Was het PBL nu maar zo fair geweest om als titel boven het persbericht te zetten: "PBL bevestigt: IPCC-rapport grossiert in fouten en onnauwkeurige uitspraken." Die titel wordt namelijk geheel door de inhoud van het rapport gedekt.' Hoe ging het PBL om met de fouten die hier al besproken zijn, de Himalaya en de Amazone? Bij de Himalaya gaat het vrijwel goed. Het enige wat fout gaat, is dat het PBL schrijft dat in plaats van 2035 waarschijnlijk 2350 bedoeld is, verwijzend naar het eerder genoemde Unesco-rapport. Het staat echter vast dat 2035 gebaseerd is op de uitspraak van Hasnain op de Indiase website in 1999. Niks geen typefout dus. Bij de Amazone gaat het fout. Het PBL vindt dat hier weinig aan de hand is, maar schrijft wel dat 'Cox et al. (2000; 2004)48 hier veel sterkere, en in dit geval ook nog eens veel relevantere, artikelen over hebben gepubliceerd in vooraanstaande peer reviewed wetenschappelijke tijd- schriften.' Dat is opmerkelijk, want deze twee artikelen onderbouwen in de verste verte niet dat 'tot 40 procent van de Amazone drastisch reageert op een geringe afname in neerslag'. Het PBL erkent dus niet ruiterlijk dat het WNF/IUCN-rapport waarnaar het IPCC verwijst, geen onderbouwing geeft voor de claim. Ten slotte ontdekte Roger Pielke jr. - ja hij weer - een fout in het PBLrapport.49 IPCC schreef: 'In de afgelopen decennia is de economische schade door orkanen in Noord-Amerika ruim verviervoudigd, grotendeels ten gevolge van een stijging van de waarde van de risicolopende infrastructuur.' Dit lijkt onschuldig, het IPCC schrijft de toegenomen schade immers niet toe aan de uitstoot van broeikasgassen. Het probleem is alleen dat de grafiek die het IPCC erbij toont en de conclusie niet met elkaar in overeenstemming zijn. De grafiek is namelijk al gecorrigeerd voor de stijging van de waarde van de risicolopende infrastructuur. Als er al een signaal zichtbaar is, dan zou het dus wel degelijk een klimaatsignaal zijn! De grafiek was gebaseerd op werk van Pielke, maar het IPCC plaatste een door zichzelf aangepaste grafiek50 die de indruk wekte van een spectaculaire stijging aan het einde van de tijdreeks. De juiste grafiek is volgens Pielke afbeelding 10. De tekst in het IPCC-rapport klopt dus niet bij de grafiek. De PBL-


111 Afbeelding 10: Genormaliseerde verliezen door orkanen in de Verenigde Staten. Bron: Natural Hazards Review, 2008.51


auteurs hebben dit in hun rapport niet geconstateerd. Dit is des te opmerkelijker omdat ze met Pielke zelf contact hadden opgenomen. The Economist52 publiceerde een scherpe analyse van het PBL-rapport. Het tijdschrift wees er vooral op dat het tiental onnauwkeurigheden die het PBL had ontdekt wederom allemaal dezelfde kant op vallen, namelijk de alarmistische. Het PBL zelf concludeerde al dat het IPCC in de samenvatting louter de negatieve gevolgen benoemt. Maar blijkbaar zijn de hoofdauteurs zo gespitst op negatieve gevolgen dat ze regelmatig de gevolgen in negatieve zin overdrijven.


Zelfs voormalig IPCC-voorzitter Robert Watson constateerde dat alle gevonden fouten de gevolgen van klimaatverandering overdrijven. Het IPCC zou ermee kunnen beginnen alle gevonden fouten op zijn website te plaatsen met een uitleg hoe de fouten tot stand zijn gekomen, aldus Watson.53 Tot nu toe geeft het IPCC echter geen gehoor aan deze oproep van de oud-voorzitter. Integendeel, het weigert zelfs te erkennen dat er fouten zijn gemaakt bij de relatie tussen klimaat en schade door natuurrampen. De fouten en overdrijvingen in Werkgroep 2 schreeuwen natuurlijk om een verklaring. Die komt er, maar pas in het laatste hoofdstuk van dit boek (zie pagina 268-269). Eerst analyseren we in de rest van dit hoofdstuk hoe Werkgroep 2 (en soms Werkgroep 1) heeft bericht over andere belangrijke mogelijke gevolgen van klimaatverandering.


De zeespiegel stijgt! Werkgroep 2 houdt zich bezig met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering. In het tweede en laatste deel van dit hoofdstuk lopen we nog enkele mogelijke gevolgen van klimaatverandering langs die vaak worden genoemd. Voorbeelden zijn zeespiegelstijging, het smelten van gletsjers, de bedreiging van biodiversiteit en de verzuring van de oceanen.


112 Een snellere zeespiegelstijging is één van de meest urgente problemen die bij snelle opwarming optreedt. Al Gore liet ons land in zijn klimaatfilm bijvoorbeeld volledig onderlopen, dankzij het smeltende gletsjerijs dat vloedgolven zou veroorzaken. De zeespiegel zou zes meter stijgen, en ook de Nederlandse wetenschapper Rik Leemans herhaalde die prognose in de Volkskrant in september 2009 (in het artikel 'We weten nu zeker dat het door de mens komt'). In delta's in Azië zouden volgens het IPCC in 2050 een miljoen mensen beïnvloed worden door zeespiegelstijging.54 Het door overstromingen geplaagde Bangladesh, in de delta van de Ganges, Meghna en Brahmaputra, ondertekende dan ook als enige derdewereldland de klimaatverdragen in Bali in 2007. Die verdragen waren de opmaat naar Kopenhagen in 2009. De inmiddels beroemde klimaatfout in het IPCC-rapport van 2007 over Nederland schetste ook de dreiging van zeespiegelstijging. Ons land zou volgens de auteurs van het Planbureau voor de Leefomgeving nu al voor 55 procent onder de zeespiegel liggen, terwijl dit 26 procent is. Die getalscorrectie kreeg veel aandacht. Maar dat verandert natuurlijk niets aan de zeespiegel zelf, én het feit dat de westelijke kant van ons land uit zichzelf al in zee zakt. Het IPCC gaf in het laatste rapport een schatting voor deze eeuw tussen 18 centimeter tot 59 centimeter gemiddelde wereldwijde zeespiegelstijging. Maar zitten ze daarmee nu aan de hoge of lage kant?


Het smelten van gletsjers droeg de afgelopen eeuw 4,5 centimeter bij aan de 19 centimeter zeespiegelstijging, met de grootste bijdrage in de periode 1910-1950.55 De rest komt door het uitzetten van zeewater dat warmer wordt. Als die trend doorzet, komt de laagste prognose van het IPCC uit. Prognoses voor gletsjersmelt in de literatuur geven voor de komende eeuw 0,1 tot 0,25 meter smeltbijdrage, als de IPCC-klimaatprojecties kloppen en de opwarming doorzet. Dat is dus fors meer in de komende eeuw.56 Projecties van glaciologen die rekening houden met versnelde gletsjersmelt, zoals Pfeffer in 2008 in Science,57 gaan uit van 80 centimeter smeltbijdrage van gletsjers. Meer dan 2 meter totale zeespiegelstijging zou fysisch onmogelijk zijn. De projecties van het IPCC blijken echter niet te kloppen met de eigen aannames voor maximale temperatuurstijging, zo stellen wetenschappers zoals Stefan Rahmstorf, hoofdauteur bij het IPCC. De maximale stijging correspondeert hier met 5,2 °C opwarming, terwijl het IPCC 6,4 °C als maximum hanteerde. Rahmstorf stelt op zijn blog Real Climate58 dat het IPCC de projecties moet bijstellen met 20 centimeter: dus tot 79 centimeter, wanneer het IPCC met zijn eigen temperatuurprognose overeen wil komen voor 2100. En als de zeespiegelstijging met 50 procent zou zijn onderschat in de afgelopen eeuw, moest die prognose nog worden bijgesteld naar 119 centimeter. Het IPCC zou dus veel te conservatief zijn. We krijgen alsnog Amersfoort aan Zee, en de Deltacommissie onder leiding van Cees Veerman houdt nu, mede dankzij Rahmstorf, rekening met een meter stijging.


De temperatuurprojecties van Rahmstorf vallen meestal hoger uit dan die van andere klimaatonderzoekers, en zo ook zijn zeespiegelprognoses. Zoals in januari 2007 in Science,59 waar de zee in 2100 tot 1,4 meter stijgt boven het niveau van 1990. Samen met Martin Vermeer herhaalde Rahmstorf zijn methode, in een tijdens de Kopenhagen-conferentie gepubliceerd voorpagina-artikel in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift PNAS. Ditmaal zou 1,9 meter tot de opties behoren.60 Nauwe collega van Rahmstorf in het IPCC-proces Jonathan Overpeck schreef in PNAS 61 vervolgens een ondersteunend commentaar, dat extra aandacht vestigde op de studie van zijn


113 vriend bij het IPCC: 'sea level projections becoming more dire', vrij vertaald: voorspellingen zien er nog slechter uit. Op de methodiek van Rahmstorf komt kritiek van oceanografen zoals Simon Holgate. Holgate publiceerde in Science een kritiek op Rahmstorfs werk.62 Collega's uit zijn groep publiceerden in 2008 in Geophysical Research Letters63 een schatting van de zeespiegelstijging voor deze eeuw. Op basis van metingen in het Noordzeebekken met getijdenbakens kwamen zij op 34 centimeter stijging: dat is dus meer dan de laagste projecties van het IPCC, maar veel lager dan Rahmstorf. Die prognose stemt overeen met de huidige trend gemeten vanuit de satelliet. Daarover zo direct meer. Naar aanleiding van het goed getimede PNAS-artikel tijdens de klimaatconferentie in Kopenhagen reageerde Holgate dan ook cynisch in The Sunday Times:64 'Rahmstorf is erg goed in het publiceren van extreme papers vlak voor grote conferenties zoals Kopenhagen, wanneer aandacht gegarandeerd is. Het probleem is dat zijn methoden zijn afgesteld om hogere uitkomsten te krijgen voor zeespiegelstijging.'


Versnelt de zeespiegelstijging? De trend die Holgate gaf, komt meer overeen met wat satellieten meten. De zeespiegelmetingen tot 1993 vonden plaats met getijdenbakens. Die bakens meten de relatieve zeespiegelstijging, dus de stijging van het water ten opzichte van het land. Dat land kan omhoog veren en inklinken, dus meet je daarmee niet alleen de zeespiegel. Via deze metingen komen we op gemiddeld 2 millimeter stijging per jaar in de afgelopen eeuw (dus totaal 20 cm). Sinds 1993 wordt de zeespiegel gemeten met de satelliet Topex /Poseidon en later Jason, die de absolute zeespiegelstijging meet: dus de hoeveelheid extra watervolume op aarde. Die meet gemiddeld over de hele wereld ongeveer 3 millimeter zeespiegelstijging per jaar. Dan kom je dus op de schattingen uit het team van Holgate, als deze trend aanhoudt. De metingen zijn toegankelijk via de website van de universiteit van Boulder.65 De metingen van de absolute zeespiegelstijging na 1993 met satellieten vallen een millimeter hoger uit dan metingen voor 1993 uit de getijdenbakens. Is er dus een versnelling in de stijging van 1 millimeter per jaar sinds 1993? Het IPCC wekt die suggestie wel in zijn Samenvatting voor beleidsmakers:


Global average sea level rose at an average rate of 1.8 [1.3 to 2.3] mm per year over 1961 to 2003 and at an average rate of about 3.1 [2.4 to 3.8] mm per year from 1993 to 2003. Whether this faster rate for 1993 to 2003 reflects decadal variation or an increase in the longerterm trend is unclear.


Maar het IPCC vergelijkt appels en peren. Volgens aardwetenschapper Bert Vermeersen van de TU Delft kun je niet zomaar data vóór en na 1993 aan elkaar koppelen. Je meet hier namelijk met twee verschillende methoden. Immers, de satelliet meet de gemiddelde absolute stijging, de getijdenbakens meten de gemiddelde relatieve zeespiegelstijging. Wanneer je de metingen voor 1993 uit getijdenbakens corrigeert (voor verschijnselen als glaciale opheffing), krijg je een andere uitkomst, en liggen de data vóór 1993 dus dichter bij die van de satellietmetingen. Je kunt dus niet beslist suggereren dat er plotseling 1 millimeter meer zeespiegelstijging optreedt. Is zeespiegelstijging een grote bedreiging? De IPCC-projecties voor deze eeuw kunnen zowel aan de hoge als lage kant zitten: dat hangt af van de juistheid van de klimaatprognoses. De zeespiegelstijging, waaraan mensen zich moeten aanpassen, is niet het IPCC-gemiddelde, maar de relatieve stijging in de eigen regio. De zee is namelijk geen badkuip die overal egaal volloopt, zeespiegelstijging verloopt overal anders.


114 Amersfoort aan Zee wordt een feit als Nederland geen deugdelijk onderhoud van dijken meer kan betalen. In Bangladesh vormde armoede tot nu toe de belangrijkste reden dat zoveel mensen verdronken: er was geen geld voor dijkonderhoud. Bengalen hebben dus baat bij meer economische groei, om kustverdediging te kunnen betalen. Ironisch genoeg gaat die groei vooralsnog gepaard met meer CO2-uitstoot.


Dé zeespiegelstijging bestaat niet De Delftse aardwetenschapper Bert Vermeersen tikte het IPCC wel vaker op de vingers vanwege gebrekkige zeespiegelkennis. De zeespiegelexperts van het IPCC waren in 2007 bijvoorbeeld nog niet op de hoogte van gravitatieeffecten, een verschijnsel dat bij aardwetenschappers al een eeuw bekend is. Pas in het komende rapport is dit verwerkt. Iedere massa trekt aan de andere. Wanneer de Groenlandse ijskap kleiner en dus lichter wordt, trekt hij minder aan het omringende zeewater. Die kleinere 'trekkracht' heeft grote invloed op de verdeling van zeewater over de wereld. De Groenlandse ijskap heeft vooral invloed op de zeespiegel van het zuidelijk halfrond, terwijl een smeltende West-Antarctische ijskap bij ons voor natte voeten zorgt. Volgens berekeningen van Vermeersen in Science zal in het snelste scenario over 2000 jaar de zeespiegel bij ons met 3 meter zijn gestegen, dankzij een smeltende West-Antarctische ijskap. Het afsmelten van Groenland neemt ongeveer 10.000 jaar in beslag. Volgens Vermeersen is de aarde geen badkuip die egaal volloopt, terwijl het IPCC daar wel vanuit gaat. 'Dé zeespiegelstijging bestaat niet,' stelt hij. Op veel plaatsen daalt de relatieve zeespiegel zelfs met centimeters per jaar, dankzij het opveren van het aangrenzende land. In landen waar tijdens de ijstijden gletsjerijs lag, zoals in Finland, kun je dit zien. Nu die ijsmassa weg is, veert het land nog duizenden jaren omhoog. Sinds de laatste ijstijd kwam er 100 meter zeespiegelstijging bij, waarvan de massa op de bodem drukt. De massa van al dat extra zeewater drukt het westen van Nederland nu omlaag, het land kantelt. Sommige koraaleilandjes worden juist weer als een omgekeerde drukstrip omhoog geduwd, dankzij het omringende gewicht van extra zeewater. En veel als 'gedoemd' beschreven eilandjes in de Grote Oceaan die het wereldnieuws haalden, zoals Tuvalu, groeien met de zeespiegel mee door de aangroei van sediment van koraal. En wie dacht dat hij over een vlakke zee kon varen, heeft het ook mis. Water verdeelt zich niet egaal, omdat wereldwijd verschillen in zwaartekracht bestaan. Dat veroorzaakt tientallen meters verschil in de plaatselijke zeespiegel. Je kunt dus ongemerkt over zeebergen en dalen varen.


De gletsjers verdwijnen! Afgelopen jaren verschenen veel studies in toonaangevende bladen, die het einde van de ijskap aankondigden, en die wereldwijde media-aandacht trokken. Zoals bij de BBC op 11 augustus 2006:66


The meltdown of Greenland's ice sheet is speeding up, satellite measurements show. Data from a US space agency (Nasa) satellite show that the melting rate has accelerated since 2004. 1f the ice cap were to completely disappear, global sea levels would rise by 6.5 m (21 feet).


Het gaat hier over resultaten uit metingen van de in 2002 gelanceerde satelliet GRACE tussen april 2002 en november 2005, gepubliceerd in Science. Deze satelliet meet veranderingen in het zwaartekrachtveld. Wanneer grote ijsmassa's smelten, verandert het gravitatieveld van de aarde en GRACE meet de verschillen. 'De krimpsnelheid is hoger dan een eerdere modelschatting op basis van twee jaar metingen,' stelden onderzoekers. Een andere modelschatting verscheen als korte mededeling in Nature in 2004.67 Deze studie


115 voorspelde op basis van IPCC-temperatuurscenario's een 'kantelpunt' voor de Groenlandse ijskap in 2050. Fred Pearce van New Scientist verklaarde hierna dat 'de Groenlandse ijskap gedoemd is'.68 Al voorspelde de BBC op basis van een computerstudie van Jonathan Overpeck al eerder dat jaar een 'catastrofale zeespiegelstijging'.69 Het zojuist genoemde kantelpunt zou mede ontstaan door een glijbaaneffect. De ijskap zou over zijn eigen smeltwater richting zee racen, met het einde der ijstijden tot gevolg. Verschillende wetenschappelijke artikelen70,71 stelden dat de Groenlandse ijskap op instorten zou staan, omdat smeltwater aan de basis van de ijsmassa voor een glijbaan zou zorgen. Maar die aanname leunde op gebrekkige data over een te korte periode en een te klein gebied. Dat bevestigt de studie van Roderik van de Wal in Science in 2008.72 Het glijbaaneffect blijkt alleen kortstondig over enkele dagen te werken in de zomer. Dan verschuiven gletsjers even met een factor vier sneller. Maar daarna lijkt het effect te verdwijnen. Over een langere periode van 17 jaar gemeten blijkt de snelheid waarmee het ijs stroomt, zelfs licht afgenomen. Vlak voor de klimaatconferentie in Kopenhagen verscheen op 19 november nog een alarmerende studie in Science.73 Uit berekeningen voor massabalans, ondersteund met enkele jaren metingen met GRACE, bleek dat de ijskap van Groenland van 2006 tot 2008 jaarlijks zou bijdragen aan ongeveer 0,7 millimeter zeespiegelstijging. Er gaat namelijk 274 gigaton ijs verloren. En het bleek dat dit het dubbele geweest zou zijn, als de sneeuwval op Groenland niet was vergroot. Maar een correctie op deze schattingen verscheen met medewerking van de Delftse aardwetenschapper Bert Vermeersen op 15 augustus 2010 in Nature Geoscience.74 De alarmisten blijken het ijsverlies bij Groenland en Alaska met een factor twee te overschatten. Om met de satelliet GRACE het verlies in ijsdikte te meten, moet je metingen corrigeren voor bewegingen in de aardkorst. De aarde gedraagt zich namelijk niet als egale statische bol, ze is een kneedbare en pokdalige gummibal. Wanneer zich enorme massa's zeewater en smeltwater over de aarde verplaatsen, vervormt die gummibal. Datzelfde geldt wanneer ijsmassa's wegsmelten. De aardkorst veert dan omhoog, soms met centimeters per jaar. Wanneer je die bewegingen niet goed corrigeert in je metingen, reken je niet alleen het ijsverlies mee, maar ook het gummibaleffect. De nieuwe studie corrigeert die bewegingen veel nauwkeuriger.


Smelten gletsjers sneller dan ooit? Een ander manco bij sommige studies zijn de referenties. Ten opzichte van wanneer meet je de verandering? Je kunt nooit uit het gedrag van één ijskap over drie jaar een trend afleiden voor de rest van de wereld. Of de huidige waarnemingen representatief zijn voor de toekomst, is twijfelachtig. Uit analyses op Groenland blijkt duidelijk, dat temperaturen in de jaren 1930 tot 1940 ongeveer 50 procent sneller stegen dan in de periode 1995 tot 2005. In 1940 was het warmer op Groenland dan in 2005. Na 1940 werd het daar weer snel kouder, tot in de jaren negentig opnieuw de opwarming volgde die ons zo bekend is.75 Het IPCC negeert deze studie in Geophysical Research Letters, die in 2006 verscheen. Niet iedere reeks waarnemingen voorspelt dus een trend. En... de grootste krimp in ijsmassa vond gek genoeg niet plaats in de tweede helft van de vorige eeuw, maar in de eerste helft. Uit een analyse van Hans Oerlemans van de Universiteit van Utrecht, gepubliceerd in The Cryosphere in 2007,76 blijkt bovendien dat de grootste wereldwijde bijdrage van ijssmelt aan de zeespiegel plaatsvond tussen 1910 en 1950, en niet in de tweede helft van de afgelopen eeuw. Dus in de periode met veel lagere CO2-concentraties was de gletsjersmelt het grootste. Het IPCC citeert één studie aan gletsjers van Oerlemans, die hij in Science publiceerde in 2005.77 Hier analyseerde de glacioloog de terugtrekking van 169 gletsjers wereldwijd. Ook


116 hieruit blijkt dat de grootste opwarming plaatsvond in de eerste helft van vorige eeuw, waarna 25 jaar afkoeling volgde met groeiende gletsjers. Het IPCC stelt in zijn commentaar op die bevindingen, dat 'regionale variatie' deze trend verklaart.


Verschillende studies naar gletsjers in de Alpen plaatsen claims over historisch kleine gletsjers in perspectief. Paleo-ecologisch onderzoek naar uitgespoeld fossiel hout uit gletsjers in de Alpen laat zien dat gletsjers van 7000 tot 3000 jaar geleden, het Holocene Optimum, meestal kleiner waren dan nu. De boomgrens lag zoo meter hoger. Pas 3000 jaar geleden raakten de bergen steeds vaker met meer ijs bedekt, met een duidelijke opmars rond 600 voor Christus.78 In de tijd van de Romeinen kon Hannibal met zijn olifanten waarschijnlijk nog over een ijsvrije Alpenpas trekken. En aan het eind van de kleine ijstijd waren Alpengletsjers historisch groot. Toch heeft het IPCC hier wel deels gelijk, als zij stellen dat deze eerdere warmteperiodes wereldwijd niet exact tegelijk plaatsvonden. En dat het vroeger warmer was, wil niet zeggen dat gletsjers nu niet kunnen smelten door global warming. Inderdaad zijn sinds 1850 gemiddeld wereldwijd de meeste gletsjers gekrompen. Vooral in de Alpen vond een grote krimp plaats, van gemiddeld 50 procent ten opzichte van 1850. Ook van alle tien tropische gletsjers waarvan data bestaan, is bekend dat zij zich stevig terugtrokken. Dat is een aanwijzing voor opwarming, waarbij ook CO2 een rol kan spelen. Maar let op de nuance, dat is geen bewijs dat CO2 alle opwarming veroorzaakt. Terugtrekkende gletsjers afzonderlijk zijn dus geen bewijs voor CO2- gedreven opwarming; wel een aanwijzing voor opwarming, waarbij CO2 een rol kan spelen, en dit nuanceverschil is belangrijk. Sinds 1850 zijn de meeste gletsjers inderdaad fors in massa afgenomen, wat duidt op één wereldwijde oorzaak. Toch is het frappant dat gletsjers sneller smolten in de eerste helft van afgelopen eeuw dan in de tweede helft.


Kilimanjaro Een klimaaticoon is de Kilimanjaro in Afrika, de ruim 5000 meter hoge berg die boven de Afrikaanse savanne uittorent. Ongeveer 12.000 jaar geleden, tijdens een droge periode in het plotseling jonge dryas, was deze ijskap voor het laatst volledig verdwenen. Volgens het Platform Communication on Climate Change (POGO), een samenwerkingsverband van Nederlandse klimaatinstituten, zou deze beroemde gletsjer nu krimpen door global warming. Maar twee publicaties van Gullen laten iets anders zien.


No temperature trends over the entire period (1948-2005) or between 1979- 2000 are observed at 500 hPa, the approximate height of the glaciers on Kilimanjaro. A small but significant decrease in specific humidity between 1948 and 2005... is observed at 500 hPa. There is no trend in specific humidity at 1000 hPa over the entire period [1948-2000] but a large decrease... between 1979 and 2005.79


Op de hoogte van de Kilimanjaro-gletsjers zien we dusgeen opwarming maar wel een kleine afname in waterdamp, en we zien een veel grotere afname in waterdamp aan de voet van de Kilimanjaro. Uit het artikel van Gullen blijkt verder dat de temperatuur aan de voet van de Kilimanjaro wel gestegen is. Aan de voet van de Kilimanjaro is het dus warmer en droger geworden. Vervolgens schrijft Gullen: 'Melting of the vertical walls occurs despite air temperatures at the altitude of the plateau glaciers remaining below 0 °C.' De massabalans van de Kilimanjaro is dus negatief dankzij verdamping door zonnestraling en droogte, niet omdat de lucht rond de gletsjer te warm is.


117 Malaria keert terug! Een oudgediende in het klimaatdebat vormt malaria: vrijwel iedere klimaatactivist heeft wel eens gezegd dat malaria toeneemt door global warming. IPCC-voorzitter Rajendra Pachauri schermt bij lezingen regelmatig met figuren, waaruit blijkt dat meer dan 50 miljoen extra mensen dankzij de opwarming van de aarde zouden worden blootgesteld aan verhoogd risico op malaria.80 Malaria is één van Pachauri's vier stokken achter de deur over het gevaar van klimaatverandering voor arme landen, naast waterschaarste, honger en zeespiegelstijging. Neem ook de uitspraken van Jan Leendert Nouwen van het Rotterdamse Erasmus Universitair Medisch Centrum (EUMC). Hij stelde op 25 februari 2005 in Het Financieele Dagblad in het artikel 'Risico op terugkeer malaria':81 'Er zijn experts die denken dat het (de terugkeer van malaria) al in twintig jaar mogelijk is, anderen zijn van mening dat het dan wel heel warm moet worden.' Ook Rik Leemans, hoofdauteur van het IPCC in 2007 én review auteur van het komende IPCC-rapport, wijst op het gevaar van malariatoename door global warming, waarbij een 'kantelpunt' zou ontstaan. In het lijfblad van de SP in 2006 stelt hij: 'Malaria komt sterk op door de klimaatverandering. De problemen verergeren tot je de zaak niet meer in de hand hebt.'82


Er is een duidelijk verband tussen klimaat en malaria. De malariaparasiet Plasmodium bevindt zich in het lijf van muskieten van het geslacht Anopheles (Grieks voor 'de verschrikkelijke'). Via een muggenbeet komen de parasieten in de bloedbaan. De malariaparasiet heeft een tempe- ratuur van tussen de 16 en 28 graden nodig om zich in een muggenlijf te ontwikkelen. Alle gebieden waar de temperatuur dus jaarlijks boven de 15 graden komt, zijn in principe geschikt. Veel gebieden waarin die warmere periodes nu nog te kort zijn om genoeg malariaparasieten in muggenlijven te laten 'ontwaken', zouden door opwarming dus wél geschikt kunnen worden. Ook zou de 'slaaptijd' van de parasiet korter worden. Alleen een wakkere parasiet maakt mensen ziek. Maar meer warmte leidt niet automatisch tot meer malaria. Boven de 30 °C houdt de mug het voor gezien, en bij droogte komen hun broedplaatsen in gevaar. Extreme hitte en droogte zijn dus juist nadelig voor Anopheles-muskieten én voor de Plasmodium-parasiet. Malaria komt oorspronkelijk voor in alle landen met periodes waarin de temperatuur boven de 15 graden uitkomt. Wel zijn de meest dodelijke varianten te vinden in tropische gebieden. De tropische variant, Plasmodium falciparum, die in Afrika voorkomt en vroeger ook in Zuid- Europa, heeft een korte cyclus van enkele weken tussen besmetting en ziekte waarin hij gevaarlijk wordt. De Afrikaanse variant kan al binnen een dag mensen ziek maken, omdat in veel klimaatzones de parasiet snel 'wakker' wordt en dus gevaarlijk is.


Malaria in Europa Malaria stond bij ons bekend als 'Zaansche' en 'Zeeuwsche Coortsen'. In de kleine ijstijd was malaria wijdverbreid in heel Europa, zo beschrijft epidemioloog Paul Reiter in 'From Shakespeare to Defoe: Malaria in England in the Little Ice Age'.83 De vroegere poldermalaria, die in Noordwest-Europa voorkwam tot in Finland, Plasmodium vivax, had een veel langere zogeheten 'incubatietijd' dan tropische malaria. De parasiet paste zijn cyclus aan aan het koudere klimaat. Besmetting van een veeboer in het moeras vond meestal plaats in de nazomer door een muskiet van de soort Anopheles atroparvus. In die mens wachtte de poldermalaria de volgende zomer af, tot de muggen weer actief werden en hem konden opzuigen in het koortsige lijf van onze veeboer. Zo maakte de parasiet zijn cyclus rond. In 1900 ontdekten wetenschappers eindelijk dat muggen malaria overbrengen. De ontdekking en uitvinding van pesticiden zoals DDT werden de doodklap voor de malariamug en dus voor


118 de ziekte in Europa. In 1970 verklaarde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ons 'clean', maar eigenlijk was de ziekte al in 1959 verdwenen.


De laatste muggen met parasiet waren verdwenen; de cyclus mens-mug-parasiet werd doorgeknipt door actieve bestrijding. Gerichte bestrijding met DDT in woningen en boerderijen waarin besmette personen waren geconstateerd, roeide de besmette muskieten uit. Maar ook gingen mensen steeds verder van het vee leven. De biotoop van muggen, de moerassen, kromp. In Nederland leven nog steeds 'onze' malariamuskieten Anopheles atroparvus en A. plumbeus. Beide zijn 'clean', er zitten geen parasieten meer in: alle besmette muggen zijn netjes uitgeroeid, en er zijn niet voldoende besmette mensen die de mug via een beet zijn rol als ma- lariaverspreider teruggeven. De cyclus van de malariaparasiet is dus doorgeknipt. Eenmaal uitgeroeid is de kans op terugkeer klein, omdat muskieten een kleine actieradius hebben van enkele honderden meters. Dat malaria toch in Europa weer opduikt, valt volledig toe te schrijven aan besmette vakantiegangers en ontwikkelingswerkers. Claims van activisten in populaire media stemmen dus zelden overeen met de wetenschappelijke literatuur, zoals Romi et al. beschreven in het geval van Italië.84 Hierin maken zij gehakt van de stelling dat malaria terugkeert in Europa door global warming. Besmette muggen die de Middellandse Zee oversteken en Europa onder malaria bedelven zijn dus onrealistisch, en maken bij normale gezondheidszorg geen kans.


Neemt het aantal malariadoden toe door global warming? Het IPCC wekt al sinds het eerste rapport in 1990 de suggestie dat de ziekte zich in tropische landen zou uitbreiden door global warming. In het derde IPCC-rapport, in het hoofdstuk over Afrika, beschrijven IPCC-auteurs herhaaldelijk een vermeend verband tussen toegenomen malaria en gemeten klimaatsverandering. De ziekte zou toenemen en zich sterk uitbreiden door opwarming, en de ziekte wordt op 38 pagina's 36 maal genoemd. Ook in het laatste rapport uit 2007 staan 61 verwijzingen in 36 pagina's naar deze zo bekende dodelijke ziekte.85


Although the principal causes of malaria epidemics in the African highlands still are a subject of debate in the literature (Mouchet et al., 1998), there is increasing evidence that climate change has a significant role (WHO, 1998). In a highland area of Rwanda, for example, malaria incidence increased by 337% in 1987, and 80% of this variation could be explained by rainfall and temperature (Loevinsohn, 1994).


Maar waarom geeft het IPCC hier meer zwaarte aan een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), dan aan Mouchet et al.?86 Deze peer reviewed studie in het Journal of the American Mosquito Control Association uit 1998 weerlegt ieder door het IPCC geclaimd verband tussen opwarming van 0,5 °C in twee decermia in Midden-Afrika en malaria. De claim dat malaria in de hooglanden oprukt, valt bijvoorbeeld niet aan opwarming toe te schrijven, omdat de grens van voorkomen van malaria niet hoger kwam te liggen dan de historische grens van 1500 tot 1800 meter, dus in koudere gebieden. In Oeganda, Rwanda en Ethiopië zou de toename van malaria zijn toe te schrijven aan een grotere bevolking die nieuwe valleien koloniseerde, samen met enkele periodes van grote regenval. Tegelijk nam het voorkomen van malaria in de Sahel grotendeels af, dankzij drooglegging van moerassen. Een belangrijk artikel in april 2010 in het Britse wetenschapstijdschrift Nature87 moet het IPCC toch eindelijk voorzichtiger maken: 'Climate change and the global malaria recession.' Wetenschappers vergeleken detailkaarten met het voorkomen van malaria nu met die uit 1900.


119 Wereldwijd nam verspreiding van de gevaarlijke variant van malaria in de afgelopen eeuw juist sterk áf. Je kunt volgens hen niet zomaar projecties maken van temperatuur en het voorkomen van malaria. Dankzij menselijk ingrijpen is de relatie malaria-klimaat waar het IPCC van uitgaat, dus steeds zwakker geworden, zelfs in een tijd van opwarming. Dat heeft alles te maken met de verandering in gezondheidszorg, ander landgebruik, effectieve bestrijding van de muggen.


Keert malaria terug? Malaria is in de moderne wereld geen klimaatziekte, maar een indicator van een zwakke economie en gezondheidszorg. In een eeuw van wereldwijde opwarming heeft malaria een steeds kleiner verspreidingsgebied gekregen. Niet voor niets stelt de Wageningse entomoloog Sander Koenraadt in zijn overzichtsonderzoek naar malariastudies in de Afrikaanse hooglanden: 'We willen ook benadrukken dat het overdrijven van klimaatverandering (bij malaria) misleidend werkt bij het stellen van onderzoeksprioriteiten.' Vergelijk malariabestrijding met beleid tegen dodelijke scooterongelukken. Je kunt dodelijke slachtoffers voorkomen door de uitstoot van CO2 strak aan banden te leggen, in de hoop dat zo minder brommers met uitlaat worden verkocht. Je kunt mensen ook verplichten om een helm te dragen en maximaal 50 te rijden. Het IPCC ziet tot nu toe meer heil in de eerste optie.


De biodiversiteit verdwijnt! Biodiversiteit staat voor de variatie in levensvormen. De wetenschap beschrijft van die levensvormen nu ongeveer 1,5 miljoen soorten, waarvan de helft insecten. De meeste soorten komen daarbij voor rond de evenaar: in het warme tropenklimaat zijn de omstandigheden voor het leven het gunstigst. Van de afgelopen vier eeuwen is bekend dat ongeveer 500 soorten bewezen zijn uitgestorven. Maar wat gaat er gebeuren als de aarde verder opwarmt? Het IPCC is in zijn Samenvatting voor beleidsmakers niet mals over de toekomst van het leven op aarde dankzij opwarming:


Globally about 20% to 30% of species (global uncertainty range from 10% to 40%, but


varying among regional biota from as low as 1% to as high as 80%) will be at


increasingly high risk of extinction, possibly by 2100, as global mean temperatures


exceed 2 to 3 °C above pre-industrial levels [4.2, 4.4.10, 4.4.11, Figure 4.4, Table 4.1].


De claim is gebaseerd op één invloedrijke klimaatstudie 'Extinction risk from climate change', van Chris Thomas in Nature in 2004.88 Daaraan werkte ook Michel Bakkenes mee van het Planbureau voor de Leefomgeving. Twee graden opwarming zou vóór 2050 al 35 procent van alle planten diersoorten doen uitsterven. In Europa zou liefst 25 procent van alle vogelsoorten uitsterven door opwarming: spotvogel, kuifmees en vele andere zouden gedoemd zijn Vrijwel alle plantensoorten die boven de boomgrens groeien in de Alpen zouden verdwijnen. In het artikel 'Dood door opwarming' voor VPRO's Noorderlicht89 stelde Leen Hannah, eveneens coauteur van Thomas: 'Onze studie maakt duidelijk dat klimaatverandering de belangrijkste oorzaak wordt voor uitsterven.' Niet alleen het IPCC, ook de Stem Review van econoom Nicholas Stem leunt met zijn schadeclaims voor biodiversiteit dankzij opwarming volledig op Thomas et al. Zijn deze studies betrouwbaar? Het antwoord is nee. 'De meeste voorspellingen die een link leggen tussen klimaatverandering en hetuitsterven van soorten zijn ronduit lachwekkend,' verklaart professor Kathy Willis van de School of Geography and the Environment aan de University of Oxford. Willis publiceerde in Science van 6 november 2009 90 haar artikel over


120 'Biodiversity and climate change'. Hier gaf ze een overzicht van nieuw, nauwkeuriger onderzoek dat veel alarmerende klimaatprojecties bij plant- en diersoorten relativeert. 'Je mag het bijna niet zeggen, omdat je dan meteen wordt ingedeeld bij het kamp van de klimaatsceptici; zegt Willis 'Toch houden modelvoorspellingen over biodiversiteit en klimaat tot nu toe geen enkele rekening met de biologische werkelijkheid, zoals gedrag van dieren, aanpassing, voedsel, habitatkeuze en topografie van gebieden.' (Habitat is leefgebied.) Het zwakste aan deze zogenaamde studies is dat zij plant- en diersoorten versimpelen tot één willoze 'bioblub'. Ze worden klimaatvluchtelingen die één op één met de gemiddelde temperatuurstijging opschuiven, op zoek naar voldoende kou. In een klimaatstudie leven eenden dus in een vijver, omdat de gemiddelde temperatuur daar laag genoeg is. Niet omdat u dagelijks naar het park komt en brood strooit, en de parkbeheerder een eendenkorf plaatste.


Niet alleen ontbreekt een serieuze biologische verklaring voor het uitsterven van een soort in klimaatstudies, ook de gebruikte modellen zijn veel te grof. De voorspelde wo procent verdwijning van alle alpiene plantensoorten blijkt bijvoorbeeld niet op te gaan, wanneer modellen van minder grove topografie gebruikmaken. Een plant- of diersoort leeft niet zomaar in een 'vlak' van 20 bij 20 kilometer zoals bij klimaatstudies. In de echte wereld zijn veel reliëfs, hoekjes en gaten, waar planten diersoorten zich handhaven. Natuurlijk zijn wel veel verschuivingen in verspreidingsgebied waargenomen door de recente opwarming. De studie 'Fingerprints of global warming' in Nature91 van bioloog Stephen Schneider, zijn vrouw Terry Root en Jeff Price van het Wereld Natuur Fonds wijst hier op. Het IPCC haalt ook deze studie aan als 'bewijs' voor dreigend massa-uitsterven. Root claimt hier 'dat we nu op de rand staan van een massa-extinctie', maar verzuimt om aan te geven dat de meeste soorten uit de eigen studie zich uitbreiden dankzij opwarming. Ook de studie van Thomas et al. geeft hoge percentages omdat ze de nadruk leggen op endemen: dat zijn soorten die exclusief in een klein verspreidingsgebied voorkomen. De geclaimde uitsterfpercentages zijn ook op haalbaarheid te toetsen aan de praktijk. Wanneer de voorspelling voor 2050 moet uitkomen, zouden jaarlijks in het minimumscenario bijvoorbeeld 36 vogelsoorten moeten uitsterven door klimaatverandering. In de afgelopen jaren sinds 'Thomas et al.' dus al een soort of 150. Maar volgens de Rode Lijst van de Wereldunie voor Natuurbehoud (IUCN) zijn sinds het jaar 2000 nu 16 soorten opgeschoven richting de zwaarste categorie: 'kritiek bedreigd/uitgestorven'. In acht jaar tijd onderkent Birdlife in totaal 24 soorten die zijn opgeschoven naar een hogere categorie van bedreiging sinds 2000.


Bij tien soorten werd houtkap als oorzaak vermeld, terwijl van de 'extreme weergebeurtenissen' uit Thomas et al. geen invloed was te zien. 'De factor die de grootste afname veroorzaakte, was hier een vorm van directe menselijke actie zoals habitatdestructie, jacht, visserij en de introductie van ratten en slangen,' stelt Willis. Zij komt op basis van waargenomen extincties tot een uitsterfpercentage dat een factor twee onder dat van Thomas et al. ligt voor 2050, en dan vooral door directe habitatvernietiging. Op de vierjaarlijks ververste Rode Lijst92 van de IUCN voor bedreigde diersoorten is dan ook geen enkel onbetwist klimaatslachtoffer te vinden door de huidige 0,8 graden opwarming sinds 1900. Ook hét posterdier van global warming-slachtoffers, Bufo perigles, de gouden pad in Costa Rica, blijkt toch niet door global warming uitgestorven, maar door een combinatie van een schimmel, veranderd landgebruik en El Niño.93 De grootste zwakte aan klimaatstudies is dat ze een statistische correlatie tussen opwarming en aantallen dieren automatisch toeschrijven aan klimaat. Maar correlatie is, zoals eerder gezegd, niet automatisch een relatie. Vergelijk de correlatie van de terugkeer van de ooievaar in de


121 laatste decennia en de gelijktijdige toename van kinderdagverblijven. Terwijl afgelopen eeuw natuurlijk vele andere factoren van invloed waren, zoals grootschalige biotoopvernietiging door intensieve landbouw, zou een gemiddelde wereldopwarming dieren doden. Deze denkwijze is ook te vinden in A Climatic Atlas of European Breeding Birds94 van Brian Huntley, deelnemer aan de studie van Thomas et al. waar het IPCC op leunt. Op basis van Huntley verklaarde Vogelbescherming Nederland dat 'klimaatverandering de allergrootste bedreiging is voor onze vogels'.


Sterven in Nederland soorten uit door opwarming? De bioloog Arnold van Vliet, uit de vakgroep van IPCC-auteur Rik Leemans, treedt vaak op bij het radioprogramma Vroege Vogels. Zo ook tijdens de klimaatconferentie in Kopenhagen. Van Vliet is beheerder van de Natuurkalender, die sinds enkele jaren verandering van klimaat en natuur registreert. Volgens hem zouden vele soorten uit ons land vluchten door de klimaatverandering,95 zoals het korhoen en de grutto. In werkelijkheid zijn predatie (roofdieren), landbouwintensivering en natuurversnippering de oorzaak. Vooral de grutto, zorgenkind van weidevogelbescherming, is hierbij één van Nederlands best bestudeerde soorten.96 In onze contreien leidt opwarming vooral tot een toename van het aantal soorten. Dat komt doordat een soort minder snel verdwijnt door opwarming dan dat er nieuwe verschijnen dankzij die opwarming. Ook het rapport 'Klimaatverandering en natuurbeheer' van Natuurmonumenten erkent die trend. Effecten van beheer hebben vaak meer invloed. Zo namen koudeminnende plantensoorten in Zuid-Limburg toe, dankzij veranderd bosgebruik met meer schaduw. Wel zullen plantensoorten die hier al sinds de laatste ijstijd zitten, zoals berendruif, en enkele soorten veenvlinders nu langzaam verdwijnen.


Opwarming leidt ook niet tot uitsterven van vogels, maar te snelle verandering kan wel nadelig zijn De grootste zorgen bestaan bij timing van voedselpieken. Veel soorten stellen hun broedtijd af op voedselexplosies in de lente, zoals het verschijnen van rupsen. Als die piek door opwarming sneller naar voren schuift dan de terugkeerdatum van een vogel, heeft dat nadelige gevolgen. Een van de weinige studies in Nederland die een nadeel van klimaatopwarming vond bij vogels, mét daarbij een duidelijke biologische verklaring, haalde meteen Nature.97 Ecoloog Christiaan Both vond dat in vijftien jaar tijd de piek verschoof waarbij de meeste rupsen verschijnen. Hierdoor missen uit Afrika terugkerende bonte vliegenvangers net de piek in voedsel die zij nodig hebben voor het laten opgroeien van hun jongen. Tegelijk trad in Nederlandse bossen ook een sterke afname op van deze soort. Andere studies laten ook potentieel gunstiger ontwikkelingen zien, waaruit blijkt dat vogels zich aanpassen. Zo neemt de afstand af waarover vogels wegtrekken.98


Juist populaties warmtegevoelige reptielen, zoals de adder, zijn stabiel of nemen toe, zo stelt herpetoloog Edo van Uchelen. De reptielendeskundige karteerde de verspreiding van deze dieren in Drenthe, en maakte de eerste verspreidingsatlas. Wel kan bij verdere opwarming de gevreesde chytride-schimmel een groter gevaar vormen voor de gezondheid van reptielen. Negatieve gevolgen van opwarming vinden dus niet direct plaats door een temperatuurstijging, maar door indirecte gevolgen. Voor zover zij tot uitsterven kunnen leiden, is het vooral omdat habitatverlies ze al parten speelt. Nieuw onderzoek van Kathy Willis met Keith Bennett, met fossiel bewijs, relativeert opnieuw claims van massa-uitsterven door snelle opwarming. Zij vergeleken de geprojecteerde


122 opwarming van 4 graden met de snelle 4 graden opwarming in het eoceen ongeveer 50 miljoen jaar geleden, toen ook de zeespiegel snel steeg. Uit het fossiele archief blijkt hier dat er wel snelle verandering plaatsvond in soortsamenstelling en verspreiding, maar de in media tot de verbeelding sprekende massa-extincties van planten en dieren op land vonden niet plaats.99


Bedreigt klimaatverandering de biodiversiteit? Een warmer klimaat verandert verspreiding van soorten, maar leidt niet beslist tot massauitsterving. Voor veel soorten is opwarming zelfs gunstig. In reactie op de publicaties van Willis, verklaarde IUCN-topman Jean Christophe Vie in de media dat 'klimaatverandering verre van de belangrijkste bedreiging is' voor soorten. Maar ook toonaangevende natuurbeschermers als de Keniaan Richard Leakey benadrukken al langer dat natuurbescherming nú belangrijker is dan 'problemen die over eeuwen spelen'.100 Meer dan klimaat zelf kon de grootste bedreiging voor biodiversiteit dus wel eens de aandacht voor klimaat zijn Die leidt politieke aandacht en geld af van de aanhoudende destructie van leefgebied: dé grootste bedreiging voor de diversiteit van leven op aarde.


De aarde verdort! Of de aarde tegen het jaar 2100 verandert in een dorre savanne, hangt behalve van regen vooral af van planten zelf. Planten hebben namelijk ook een verbranding, die we respiratie noemen. 's Nachts gebruiken planten zuurstof om suikers te verbranden, waarbij ze CO2 uitademen, net als wij. Daarnaast sterft plantenmateriaal af, en wat niet in de bodem is vastgelegd als humus kan rotten en zo weer CO2 afgeven. De hamvraag bij klimaat is of planten ons helpen bij klimaatbeleid of ons juist gaan tegenwerken. Zo nemen planten jaarlijks niet alleen enkele honderden gigatonnen koolstof op in de vorm van CO2, ze stoten jaarlijks ook weer 120 gigaton koolstof uit in de vorm van CO2. Dat is 18 maal de jaarlijkse menselijke werelduitstoot. Als planten dus meer CO2 gaan uitstoten dan nu, gebeurt dat meteen op een grootse schaal die alle menselijke inspanningen relativeert. Het kan veel warmer worden als planten meer CO2 uitstoten dan opnemen. Dan treedt een domino-effect op waarbij de extra uitstoot van planten zorgt voor meer warmte, en dus voor meer uitstoot door planten, enzovoort. Die respiratie heeft dus grote gevolgen voor klimaatprojecties in 2100. Enkele studies die het IPCC bespreekt, stellen dat de plantenwereld door respiratie wel zoo ppm extra CO2-uitstoot genereert in 2100. Dat zou de hele Amazone doen verdorren, tot een savanne ontstaat. Met al dat verdwijnende bos zou nog meer CO2 in de atmosfeer komen: de dominostenen vallen achter elkaar om.


Wordt de aarde dan donkerbruin? Werkgroep 2 van het IPCC schetst een dorre toekomst, met als illustratief voorbeeld de warme droge recordzomer in Europa van 2003. Ook het activistencircuit sprong in mediacampagnes op deze zomer. Klimaatdirecteur bij het Wereld Natuur Fonds Stephan Singer bestelde bijvoorbeeld bij klimaatwetenschappers een rapport over de schade van deze zomer, zo blijkt uit de Climategate-e-mails.101 Dat 'sappige rapport' moest indruk maken op beleidsmakers en journalisten, die de warmte net hadden ervaren, zo valt in die mails te lezen. Het IPCC citeert een studie van Ciais et al. in Nature in 2005,102 die stelde op basis van oogststatistieken dat in Europa tijdens de hittegolf in de recordzomer van 2003 de plantaardige productiviteit (NPP) gemiddeld met 30 procent afnam, en dat Europese planten in die zomer netto 0,5 gigaton koolstof afstonden via respiratie. Dat is een veertiende deel van de geschatte jaarlijkse wereldwijde uitstoot door menselijke activiteiten. Maar kwam dat door warmte of enkel door de droogte? Veel alarmerende studies overschatten het effect van temperatuurstijging op respiratie sterk, door gebrek aan metingen aan echte


123 planten in de echte wereld. Dat dataprobleem is nu verholpen via FluxNet: een netwerk van 250 zogenoemde fluxtorens die de uitwisseling meten van koolstof door ecosystemen over de hele wereld. Die uitwisseling is een graadmeter voor de productiviteit van planten. Nieuwe studies in Science103 baseerden zich op metingen met fluxtorens. Die experimenten laten zien dat bij een temperatuurstijging van in graden de respiratie wel toeneemt, maar veel minder dan alarmistische studies beweren. Bij een temperatuurstijging van To graden blijken planten in iedere klimaatzone gelijk te reageren: de toename van respiratie door temperatuur blijkt minder dan te verdubbelen in plaats van te verviervoudigen. Maar plantaardige productie reageert wel veel intensiever op wisselingen in neerslag. Meer dan temperatuur is dus vooral de neerslag van be


Of wordt de aarde juist groener? Het IPCC legt meer nadruk op de verwoestende gevolgen van respiratie, die volgt als global warming voor hitte en droogte zorgt. Maar misschien hadden zij, meer dan nu, nadruk mogen leggen op de positieve kant van meer CO2: het fertilisatie-effect. Dat is de bemesting van planten met extra CO2, zodat zij sneller groeien. U kunt dit zien bij tuinders in het Westland: zij laten extra CO2 aanvoeren vanuit de raffinaderijen van Shell via een pijpleiding. Dat laten zij in de kas los, zodat de CO2-concentratie oploopt tot ongeveer driemaal die in de huidige buitenlucht, dus rond de 1000 ppm. Pas dan zijn planten echt gelukkig. De paprika's worden zo 'vetgemest' met extra CO2. In de afgelopen decennia zijn weinig processen zo goed onderzocht als de groeispurt van planten bij extra CO2-toevoeging. De meest charmante studies die het effect van extra CO2 meten in de buitenlucht over meer jaren, zijn verzameld onder de naam FACE (free air carbon enrichment). Wetenschappers bliezen vanaf de jaren negentig een overschot CO2 over proefvelden van 8 tot 30 meter doorsnede in grasland, woestijn, bos en op landbouwgrond. Zij lieten de CO2concentraties oplopen tot 600 ppm. Dat is de maximale concentratie die het IPCC zo halverwege deze eeuw verwacht. In het vakblad New Phytologist104 publiceerde onderzoeksleider Elisabeth Ainsworth in 2005 een vergelijking van openluchtexperimenten met kamerexperimenten. Daarbij analyseerde ze 120 studies die in het kader van FACE waren gedaan in twaalf grote openluchtexperimenten. De analyse is een opeenstapeling van groen nieuws. De productie van plantenmateriaal boven- en ondergronds lag bij CO2-verhoging tientallen procenten hoger. Fotosynthese liep sneller en benutte meer lichtenergie. Planten kregen minder huidmondjes op de bladeren. Erg belangrijk is ook de efficiëntie van watergebruik, die bij FACE-experimenten met gemiddeld 68 procent toenam dankzij CO2-verrijking. Planten worden dus meer klimaatbestendig. In gecontroleerde omstandigheden bestaan louter voordelen voor planten, wanneer de CO2-concentraties stijgen.105


Uit FACE-experimenten met bos blijkt dat dit tot 40 procent beter groeit bij meer CO2. En ook nu al lijkt bos meer te groeien dankzij de extra CO2 in de atmosfeer. Ook in 'gewoon bos' zorgde de toegenomen CO2- concentratie voor een extra groeispurt. Die is wereldwijd waargenomen bij planten en bomen. Wel is het lastig om te bepalen welk deel van de extra groei door CO2 komt.106 Immers, ook de stikstofbemesting nam toe, en die deed de bossen ook extra groeien. Gek genoeg rekende het IPCC in hoofdstuk 4 van Werkgroep 2 bij de Amazone niet met dit fertilisatie-effect. Wanneer het IPCC meer met dit fertilisatie-effect rekening had gehouden, zou de Amazone ook geen droge savanne worden maar gewoon bos blijven. Dat blijkt uit nieuwe modelstudies van David Lapola in 2009,107 die wel CO2-bemesting goed opnam in zijn


124 vegetatiemodellen: de droogtebestendigheid van de bossen neemt toe. Dit is een prachtig voorbeeld van hoe een nieuw nauwkeuriger rekenmodel een oud klimaatprobleem oplost. Ook Lapola wijst weer op het belang van neerslag: lange droogte is wel schadelijk voor het regenwoud. Maar of die droogte ook volgt en waar, dat hangt volledig af van het klimaatmodel dat je kiest uit de 22 beschikbare modellen om de toekomst te voorspellen. Praktijkexperimenten van bosecoloog Daniel Nepstadl108 bevestigen dat Amazonewoud een CO2-uitstoter wordt bij droogte, met grote sterfte aan bomen. Zo kan in de Amazone juist de kap van bos de negatieve invloed van droogte veel meer versterken, omdat er meer verdamping volgt; dat leidt weer eerder tot bosbranden en die branden leiden weer tot een domino-effect. Misschien heeft een rationeel bosbeheer dus wel meer positieve invloed op de Amazone dan mondiale politieke afspraken over emissiehandel. Of planten tegen 2100 voor extra opwarming zorgen, is onzeker. Wel weten we, dankzij experimenten, zeker dat planten profiteren van extra CO2. Niet alleen extra CO2 zorgt voor een stijgende productiviteit. Ook een hogere gemiddelde temperatuur maakt de fotosynthese efficiënter. Een hogere wereldtemperatuur is dus gunstig; het zijn de hete uitschieters en vooral droogtes die nadelig werken voor veel planten. Plantaardige productie is gevoeliger voor variaties in neerslag dan temperatuur. Of opwarming voor meer droogte zorgt of neerslag, is afhankelijk van welk van de 22 klimaatmodellen je kiest om de toekomst te voorspellen.


Hongersnood! Liefst negen miljard monden zal de aarde straks moeten voeden. Tegelijk zien organisaties als het Wereld Natuur Fonds een duistere toekomst voor de landbouw door global warming. Bij het scenario dat het IPCC voor 2050 mogelijk acht, 590 ppm CO2, zien zij 'negatieve effecten op landbouw, wereldwijd stijgende voedselprijzen, 400 miljoen mensen lopen kans op honger, driekwart van de oogsten in Afrika kan mislukken'.109 Maar ook 'negatieve effecten op varkens- en rundveehouderij'. Afgezien van de landbouw in Europa, heeft het IPCC geen hoge pet op van agrarische innovatie in Afrika. Voor heel Afrika stelt het:


Crop net revenues could fall by as much as 90% by 2100, with smallscale farmers being the most affected. This would adversely affect food security in the continent.


De aangehaalde 90 procent slaat op één extreem scenario voor alleen Zuid-Afrika, waarin boeren over honderd jaar met dezelfde gewassen verder telen op dezelfde manier (zie ook kader 'Africa-gate'). De zwakte van toekomstvoorspellingen is dat je de huidige praktijk als uitgangspunt neemt. Wanneer het IPCC in 1900 had bestaan, zouden zij ook alle landgebruik meerekenen dat nodig is voor het verbouwen van haver voor paardenkrachten; maar gelukkig zijn er nu trekkers. Tot nu toe zijn mensen goed in staat geweest de bevolkingsgroei op te vangen via innovatie. Vanaf de jaren zestig vond in de landbouw de Groene Revolutie plaats; een wereldwijde modernisering van de landbouw, met plantenveredeling, kunstmest en gewasbescherming. De oogst per hectare steeg wereldwijd sinds de jaren zestig met 135 procent per oppervlakte-eenheid.110 In Azië verdrievoudigde de landbouwproductie bij eenzelfde landoppervlak. Alleen Afrika bleef hangen. Maar er volgt een kentering, zo meldt Pedro Sanchez in Nature Geoscience111 in mei 2010. In Afrika vormt bodemdegradatie de grootste oorzaak voor het mislukken van oogsten. Die wordt veroorzaakt door erosie. Primitieve traditionele landbouw


125 zonder deugdelijke bemesting put de grond uit. Landbouwmoderni- sering met meer kunstmest in Mali zorgde tussen 2005 en 2007 direct voor een verdrievoudigde maïsoogst.112 IPCC-emissiescenario's, en daarmee de temperatuurprojecties, vallen hoger uit, omdat ze onvoldoende rekening houden met mondiale landbouwmodernisering. Dat blijkt uit een nieuw gepubliceerd onderzoek van Jennifer Burney113 naar het effect van de Groene Revolutie. Meer moderne landbouw die de opbrengst per hectare deed exploderen, vermeed 22 jaar huidige menselijke jaaruitstoot van CO2. Met meer opbrengst per hectare kon namelijk een landoppervlak ter grootte van de Verenigde Staten natuur blijven. En dat scheelt CO2-uitstoot door landomzetting. De ontginning en verbranding van bossen maken immers CO2 vrij, ook uit de bodem. De onderzoekers stellen dan ook voor om meer geld te steken in onderzoek naar landbouwintensivering. Dit zou de goedkoopste klimaatmaatregel zijn om CO2-uitstoot te vermijden. En het levert ook nog voedsel op.


Profiteren gewassen ook van CO2? De CO2-bemesting veroorzaakt een extra groene revolutie die gewassen klimaatbestendiger maakt. De grootste overzichtsstudie tot nu toe naar de effecten van een CO2-verhoging tot 550 ppm (de verwachte concentratie in ongeveer 2050) werd na het laatste IPCC-rapport gepubliceerd in het Journal of Cereal Science.114 De auteurs vonden groeiwinsten bij extra CO2 van 6 tot 24 procent. Het tweede belangrijkste voedingsgewas is rijst. Ook hier zijn al twintig jaar CO2-verrijkingsproeven gedaan. Onderzoek van Lewis Ziska het Agronomy Journal115 liet bij 550 ppm een extra oogst zien van 15 tot 27 procent. Vooral de Chinezen verrichten veel onderzoek naar rijst, omdat dit hun basisvoedsel vormt. Een studie116 die ook het IPCC aanhaalt (van Lin Erda, één van de hoofdauteurs van hoofdstuk 5) gebruikte voor China een regionaal klimaatmodel om voor 2080 de oogst te voorspellen. Het CO2-bemestingseffect heft voor rijst de negatieve gevolgen van klimaatopwarming in subtropische zones op. Hybriderijst geeft bij CO2-verrijking tot 570 ppm liefst 30 procent meer opbrengst dan de veelgebruikte japonica-rassen, die 18 procent extra geven. Hybriderijst is bovendien beter bestand tegen hitte. Maar wanneer de voedselbehoefte met 50 procent toeneemt, is dit fertilisatie-effect alleen niet genoeg om in de groeiende voedselvraag te voorzien. Er is dus meer onderzoek nodig om betere rassen te vinden. Landbouwsociologen zoals Louise Fresco van de Universiteit van Amsterdam pleiten 117 voor stevige landbouwmodernisering in vruchtbare delen van de aarde. Dat spaart grond op een steeds vollere aarde, en zorgt voor een beter leefklimaat. De minder productieve delen kun je dan reserveren voor bijvoorbeeld natuur. Volgens Fresco kunnen we deze eeuw dan eenvoudig de wereldbevolking van voedsel voorzien. Met landbouwinnovatie kun je dus meer CO2-uitstoot vermijden dan via klimaatconferenties en CO2-emissiehandel. Een modernere landbouw spaart grond, en daarmee bos en CO2-uitstoot.


Africa-gate Eén van de bekendste klimaatfouten uit het IPCC-rapport van 2007 die de blogosfeer boven tafel kreeg, ging over landbouw. Het IPCC stelde:


By 2020, in some countries, yields from rain-fed agriculture could be reduced by up to 50%. Agricultural production, including access to food, in many African countries is projected to be severely compromised. This would further adversely affect food security and exacerbate malnutrition.



126 De claim was prominent te vinden in de samenvatting die politici, journalisten en beleidsmakers aangereikt kregen.118 Niet zomaar een folder, maar 'the formally agreed statement of the /PCC conceming key findings and uncertainties contained in the Working Group contributions to the Fourth Assessment Report'. Die werd door een apart team opgesteld, onder wie ook Rob Swart van het Planbureau voor de Leefomgeving. De auteurs baseren zich op het hoofdstuk over Afrika van Werkgroep 2 van het IPCC. De auteurs daarvan citeren vijfmaal een brochure van Ali Agoumi.119 Dat is een landbouwconsultant, werkzaam voor Ecosecurities, een firma die actief is in de emissiehandel. In zijn eigen rapport stelt Agoumi: 'There is strong soli erosion with extensive soli degradation. Decreasing rainbased agricultural yields with grain yields reduced by up to 50 per cent in pe- riods of drought,' daarbij doelend op de landen Marokko, Algerije en Tunesië. De door Agoumi aangehaalde bron, een rapport van UNFCCC,120 blijkt alleen van toepassing op Marokko tijdens droge jaren; in normale jaren verwacht de Marokkaanse overheid maximaal 10 procent verlies bij door regen gevoede landbouw in 2020. Er bestaat een vergelijkbaar rapport voor Algerije. De regering van Algerije verwacht juist een 30 procent toename van de oogst in 2020.121 De Tunesische overheid doet geen enkele uitspraak over oogstverliezen, al verwachten zij dat 'door opwarming de verdamping toeneemt en dus de neerslag'. De suggestie dat de oogst in veel Afrikaanse landen dus met 50 procent keldert, is gebaseerd op één gewas, tarwe, in één land, Marokko, tijdens droge jaren. Deze creatieve waarheidspresentatie kreeg dankzij bloggers de naam 'Africa-gate'.


De oceanen verzuren! Als er één thema de komende jaren een rol gaat spelen in media én bij het IPCC, dan is het wel 'oceaanverzuring'. De term verwijst naar de verwachte daling van de zuurgraad (pH) van oceanen. Wanneer mensen fossiele brandstoffen verbranden, komt er meer CO2, in de atmosfeer. De zee neemt daarvan een deel op. Per jaar lost nu tussen 20 en 35 procent122 van de 'menselijke' CO3-uitstoot op in de bovenste laag van de oceaan. Die extra CO2 heeft invloed op de chemische samenstelling van het oceaanwater. Zo stijgt het gehalte waterstofcarbonaat (HCO3-) en daalt de carbonaatconcentratie (CO3), terwijl het zuurgehalte (H+) licht toeneemt. Een meer diepgaande uitleg is te vinden in het werk van Richard Zeebe.123 Het IPCC stelt in 2007124 op basis van emissiescenario's voor CO2 dat 'projecties voor oceaan-pH sneller dalen en tot een lagere waarde dan de laatste 20 miljoen jaar'. Met de 'snel dalende pH-projecties' verwijst hoofdauteur Carol Turley van het IPCC naar het feit dat CO2-concentraties in de atmosfeer kunnen stijgen tot waarden die in de laatste tientallen miljoenen jaren niet voorkwamen. Sinds de Industriële Revolutie is volgens berekeningen 49 procent van onze uitstoot door de oceaan opgenomen. Dit leidde volgens berekeningen tot een pH-daling van 0,1 punt naar ongeveer 8,1. Alarmistische onderzoekers stellen dat de zee zo '30 procent zuurder is geworden sinds de Industriële Revolutie'. Deze ingrijpend klinkende uitspraak kom je veel tegen in beleidsnotities en congresverslagen over oceaanverzuring.125 Prominenten in het wereldje, zoals Ken Caldeira, zagen in Nature in 2003126 een 'zuurdere oceaan dan in de afgelopen 300 miljoen jaar'.


Is de pH-daling uitzonderlijk? Technisch klopt de term 'verzuring', en de oceaanchemie is redelijk goed begrepen. Metingen op Hawaï in het Aloha-station bevestigen een lichte pH-daling in de laatste decennia, evenals metingen in de noordelijke Grote Oceaan, gepubliceerd door Robert Byme in Geophysical Research Letters, in januari 2010. Bij


127 laatstgenoemde meetreeks was de jaarlijkse pH-daling gemiddeld 0,0017 pH-punt. Dat was kleiner dan de foutmarge van de meetapparatuur. Byrne vergeleek één meetreeks uit 2006 met één reeks metingen uit 1991, en berekende het verschil in pH. De grootste gemeten uitschieters hadden een verschil van 0,6 punten, in 15 jaar. Toch zal de zee nooit zuur worden. Want de oceanen zitten vol met 'pH-buffers', zoals kalk (CaCO3), carbonaatzouten, afkomstig van schelpdieren, koraal en gesteente. Dankzij alle mineralen in zee ligt de zuurgraad van de zee nu tussen de 7,8 en 8,3. Het 'natuurlijke' verschil is onder meer afhankelijk van de temperatuur van het zeewater en kan per regio met tienden van punten verschillen. Zo heeft ook de Pacific Decadal Oscillation (PDO) een sterk regionaal effect op de pH van zeewater. De pH in de oceaan is dus nooit constant, nergens. De pH in Byrnes meetgebied ligt 'normaal' tussen 8,0 en 7,6. De per jaar gemeten pH-daling in 15 jaar tijd valt bij dit verschil dus in het niet. Ook het leven in zee zelf heeft lokaal sterke invloed op de pH. Tijdens de zomer stijgt rond Groenland de pH bijvoorbeeld omdat het fytoplankton massaal CO2 onttrekt aan het zeewater. Het groeiseizoen zorgt dus voor jaarlijkse pH-variaties in de orde van tienden van punten.' Koud opwellend zeewater met veel CO2 kan de pH juist weer vlot doen dalen. Tijdens warme zomerdagen in mediterrane lagunes kan de pH van waarden van ongeveer 8 naar 10 omhoogschieten, doordat de fotosynthese van wieren in de turbostand schiet. In de nacht dalen die pHwaarden weer, als planten en plankton CO2 afstaan via respiratie. In periodes van enkele dagen kan lokaal de pH wel met een half punt dalen, zoals recente metingen in Hawaï tonen. Ook over langere tijdschalen dan dagen, weken en maanden, bestaan grote pH-variaties. Reconstructies van de pH in de Zuid-Chinese Zee onthullen variaties tussen 7,9 en 8,3 met een dieptepunt in het jaar 4000 voor Christus.128 Door vervuiling met rioolwater kan de pH in de zee ook sterk dalen. De gemiddelde pH-daling die het IPCC verwacht voor deze eeuw, bedraagt 0,5. Dat is een significante verandering. Toch valt die mondiale verwachting binnen de waargenomen natuurlijke pH-variatie. En ook de daling van 0,1 punt, de 30 procent zuurdere zee sinds de Industriële Revolutie, valt volledig in het niet bij de natuurlijke variatie die per regio optreedt in sommige lagunes. Toen de ecoloog Charles Wootton in 2008 129 de wereldpers haalde met zijn claim dat 'we een tienmaal snellere oceaanverzuring vonden dan gedacht', onthulde hij onbedoeld de zwakte van zijn onderzoek. Hij noemt zijn metingen de 'langstlopende meetreeks': toch gaat het hier om slechts acht jaar binnen een beperkte regio. Je kunt hier dus geen natuurlijke variatie scheiden van menselijke invloed. Maar de grootste zwakte ligt juist in de IPCC-emissiescenario's waar onderzoekers op leunen om de pH te voorspellen. Het IPCC neemt een concentratie van 800 ppm aan in 2100. Maar nieuwe berekeningen van de baas van de CO2-metingen op Mauna Loa (Hawaï) de Nederlander Pieter Tans, in Oceanography in december zoog geven een stijging in 2100 tot een dikke 500 ppm. De bijbehorende pH-daling in de oceaan ligt dan tussen de 0,1 en 0,2 (in plaats van een daling van 0,5 bij 800 ppm). Opnieuw een waarde die ruim past binnen de regionale natuurlijke variatie: en die constatering is erg belangrijk voor de invloed op het leven.


Bedreigt oceaanverzuring koraalriffen? De nieuwe coördinerend hoofdauteur van het vijfde IPCC-rapport, bioloog Ove Hoegh-Guldberg, noemt in het ecologenblad Trends in Ecology and Evolution oceaanverzuring 'de gemene tweeling van global warming'.130 De hoofdauteur van het IPCC-hoofdstuk over koraal in 2007, Carol Turley, stelde op 2 april zoog nog voor de BBC: 'Ik geloof dat we afstomen op een massa-extinctie, want de mate van verandering is nog nooit zo hoog geweest sinds de dinosauriërs, met een groot effect op onze


128 voedselvoorziening. We moeten zo snel mogelijk CO2-uitstoot verminderen.' Turley helpt Guldberg komend IPCC-rapport als review editor. Van alle studies naar de invloed van 'oceaanverzuring' op het leven in zee werd 60 procent uitgevoerd na 2005. Vooral koraalriffen moeten het bij het IPCC ontgelden. Een verdubbeling van CO2 in zeewater ten opzichte van nu zou de groei van koraal met 60 procent afremmen, zo schrijft Turley namens het IPCC. Maar een van de studies die zij aanhaalt om deze claim te onderbouwen, van Stephanie Reynaud, meldt juist een tegenovergesteld resultaat. In een labproef, waar zij koraal enkele weken dompelde in een bad met extra CO2-bubbels, gebeurde niets. Alleen wanneer Reynaud ook de temperatuur verhoogde, vond zij een 50 procent groeiafname. IPCC-hoofdauteur Turley citeert veel wetenschappelijke studies tegengesteld aan de conclusie van de auteurs zelf. Zo schrijft zij teruggang van koraal in het Caribische gebied toe aan global warming (hogere zeewatertemperaturen). Terwijl de aangehaalde auteur, Fred Gardner, in Science zelf stelt dat regionale oorzaken, vooral ecologisch wanbeheer, de oorzaak vormen.131 Gardner wijst op de reële bedreigingen, die vooral het Caribische gebied net zo'n zware slag toebrengen als directe vervuiling en overbevissing.


Een invloedrijke studie van Ulf Riesebell in Nature in 2000132 voorspelde het verdwijnen van alle plankton met kalkskelet, zogenoemde coccolithoforen, door 'oceaanverzuring'. Dit zou een rampzalige impact heb- ben op het voedselweb van de oceaan. Maar in zijn laboratoriumzee speelde de onderzoeker vals. Hij voegde geen CO2 maar zoutzuur toe om zijn pH omlaag te krijgen, waardoor het plankton bijzonder ongelukkig werd. Nieuwer onderzoek van Deborah Iglesias-Rodriguez in Science133 leidde tot een andere conclusie. Wanneer je dit plankton voert met CO2, blijkt het juist in massa te groeien. Dat stemt overeen met waarnemingen in de echte oceaan waar de massa van het plankton Emiliania huxleyi met 40 procent zou zijn gegroeid sinds de Industriële Revolutie. Je kunt bij deze soort dus beter spreken van 'oceaanfertilisatie'; net als de aardse planten profiteert het leven in zee van CO2. Ook later experimenteel onderzoek van Riesebell in Noorse fjorden laat meer positieve effecten zien. De beste manier om overzicht te krijgen van dit onderzoeksveld is via een zogenoemde reviewstudie. Die neemt de resultaten onder de loep van alle tot nu toe gedane experimenten met CO2-verhoging op zeeorganismen, van koraal tot kreeften. Zo'n studie134 bestaat sinds kort dankzij het werk van Iris Hendriks, werkzaam bij Global Change Research op Mallorca. Zij maakte een overzichtsstudie van 374 gepubliceerde experimenten. Hier vond ze dat bij slechts een derde van de studies zeeleven als koraal en schelpdieren een reactie vertoonde op meer CO2. Daarvan sprongen er uiteindelijk slechts 36 studies opvallend uit, met zowel positieve als negatieve effecten. Zo nam bijvoorbeeld de productiviteit van planten en ook algen in koraal toe, al nam de aanmaak van kalk bij koraal gemiddeld af met 25 procent bij de voorspelde maximum CO2-concentratie van 790 ppm eind deze eeuw. Dat gemiddelde ligt in de buurt van de voorspelling van onderzoeker Joanie Kleypass. Ook zee-egels werden minder gelukkig. Maar al is die kalkaanmaak het gevoeligst voor oceaanverzuring, dit wil volgens Hendriks niet zeggen dat daarmee het biologische functioneren van hele koraalriffen wordt belemmerd. 'Er is geen consistent effect van oceaanverzuring, iedere soort reageert anders,' schrijft zij. `De effecten op biologische processen kunnen daarom niet biologisch significant zijn, zelfs niet voor de hoeveelheid kalkaanmaak van koraalriffen.' Deze conclusie staat in contrast met eerdere claims van Kleypass en Riesebell die stellen dat


129 oceaanverzuring een belangrijke bedreiging is voor biodiversiteit in de zee. Daarnaast plaatst Hendriks ook kanttekeningen bij het realisme achter tot nu toe gedane experimenten. Simuleer je werkelijk het jaar 2100 wanneer je organismen plotseling blootstelt aan viermaal hogere CO2-concentraties? In zee krijgt het leven meer dan een eeuw om zich aan te passen. Terwijl volgens alarmisten juist de snelheid van de CO2-toename zo destructief zou zijn voor het oceaanleven. Wetenschapsauteur/bioloog Matt Ridley heeft alvast weinig ontzag voor deze nieuwe discipline in oceanologie: hij noemde oceaanverzuring in zijn nieuwe boek The Rational Optimist al 'het back-upplan voor de milieubeweging, wanneer de aarde niet meer wil opwarmen'.


Verzuren de oceanen? De chemie van de oceaan is redelijk goed begrepen en de pH zal dalen wanneer meer CO2 oplost. Het gehalte aan kalk daalt ook. Maar wanneer projecties als die van Pieter Tans kloppen, hebben we niet te maken met een uitzonderlijk snelle pH-daling in de zee tot 2100; deze is kleiner dan de variatie die we in de natuur zien. Uit overzichtsstudies van alle tot nu toe gedane experimenten blijkt zelfs een licht netto positief effect bij een CO2-verdubbeling. Zo zou je oceaanverzuring dus beter kunnen omdopen tot 'oceaanfertilisatie'; net als bij de aardse biosfeer wordt de oceaan productiever. Als er natuurlijk voldoende andere voedingsstoffen zijn, en mensen directe vervuiling en overbevissing aan banden leggen.*


Toekomst koraal niet zo zuur De aardgeschiedenis weerspreekt de verwachting dat koraal uitsterft bij hoge 002-concentraties: in de jura, 150 miljoen jaar terug, bij een 002-concentratie van 2000 ppm en een temperatuur van meer dan 5 graden hoger, zat de zee vol met koraal, schelpdieren, beenvissen en werden juist enorme lagen kalk afgezet. Dat kun je zelf zien. Rijd naar Solnhofen in Beieren, een plaats die beroemd is bij fossielenjagers dankzij de vondst van oervogel Archaeopteryx. Je passeert hier rotsen die uit 150 miljoen jaar oude koraalriffen bestaan. Echt koraal op het Great Barrier Reef laat sinds de Industriële Revolutie juist een groei zien van skeletaanmaak, terwijl de pH met 0,1 punt daalde. Hogere temperaturen blijken gunstig voor koraalgroei.135 Een lezenswaardige bespreking van alle gedane peer reviewed wetenschap naar de invloed van CO2 op koraal en plankton komt van Craig ldso: 'Global warming and coral reefs: prospects for the future'.136 Bij CO2-projecties die voor deze eeuw gelden, overheerst een netto positief effect. Het belangrijkste bezwaar tegen alarmisme is dat de nadruk op pH-daling in de computerprojecties verbloemt dat dankzij CO2 in zeewater niet alleen de H+-sconcentratie toeneemt, maar ook het gehalte aan HCO3: een stof die koraal, plankton en andere organismen juist gebruiken om hun kalkskelet te bouwen.


* Vanaf 'De zeespiegel stijgt' (pagina 189) is dit hoofdstuk geschreven door Rypke Zeilmaker.




130 HOOFDSTUK 7


Is het IPCC nog te vertrouwen? Het bewijs dat wij de aarde opwarmen, is er gewoon (nog) niet. Stellen dat er consensus zou zijn onder duizenden klimaatonderzoekers doet geen recht aan de diversiteit aan opvattingen die er bestaat. Laat staan beweren dat 'de wetenschap eruit zou zijn'. Dit boek laat zien dat de hoofdconclusies voor het IPCC alleen overeind blijven staan door veel gepubliceerde kritiek te negeren of te bagatelliseren. Dat brengt ons bij de 'staat van het IPCC'. Er is helaas geen andere conclusie mogelijk dan dat het IPCC-proces gefaald heeft. In Werkgroep 2 worden de gevolgen van de opwarming van de aarde stelselmatig aangedikt. Maar nog belangrijker is dat ook Werkgroep 1 niet verschoond is van een eenzijdige benadering. De opwarming zelf wordt hoogstwaarschijnlijk overschat, de beweerde 'uniekheid' van de opwarming is niet hard te maken, en wat betreft de oorzaken heeft het IPCC opvallend weinig oog voor alternatieve verklaringen. Op papier lijkt het 'rigoureuze' peer review-proces van het IPCC heel wat, maar het zit fundamenteel verkeerd in elkaar. De hoofdauteurs hebben te veel macht en verdedigen in het IPCC-rapport vaak hun eigen werk. De commentaren van expert reviewers kunnen ze eenvoudig naast zich neerleggen. Grondige hervormingen zijn derhalve nodig, maar de IPCC-trein is alweer op weg naar het vijfde rapport.


Ik heb in dit boek geprobeerd de feiten zo veel mogelijk voor zich te laten spreken. Het zal de lezer inmiddels echter wel duidelijk zijn dat 'de feiten' niet zo eenduidig zijn dat nu in het slotgedeelte van het boek eenduidige conclusies te trekken zijn over de staat van het klimaat. Warmt de aarde op? Ja, maar hoeveel precies is, vanwege de vele problemen met het meten van de temperatuur, nog lang niet duidelijk. Het IPCC doet er alles aan om deze problemen te ontkennen. Is de huidige opwarming uniek in het afgelopen millennium? Het IPCC beweert van wel, maar deze bewijsvoering is nogal gammel en hangt af van het belang dat je toekent aan enkele omstreden proxy's (indirecte temperatuurmetingen). De belangrijkste vraag is, en blijft, of de recente opwarming door de uitstoot van broeikasgassen veroorzaakt is. Het IPCC concludeerde in het vierde en meest recente IPCC-rapport (2007) dat het zeer waarschijnlijk is dat het merendeel van de opwarming sinds 1950 veroorzaakt is door de 'menselijke' uitstoot van broeikasgassen. Die conclusie werd ook opgenomen in de Samenvatting voor beleidsmakers en groeide na de publicatie van die samenvatting in 2007 al snel uit tot de belangrijkste hoofdconclusie van het hele rapport. De mens heeft het zeer waarschijnlijk gedaan.


Honderd deskundigen Laten we deze hoofdconclusie nu eens verder ontleden. 'Het merendeel' (van de opwarming) betekent meer dan de helft. Dat kan dus 51 procent zijn maar ook 99 procent en is blijkbaar nog niet specifieker te maken, anders zouden de auteurs dat zeker gedaan hebben. Merk op dat het om meer broeikasgassen gaat dan alleen CO2. Ook methaan, lachgas en ozon vallen hieronder. De bijdrage van CO2 alleen zou dus op basis van de bewering van het IPCC al kleiner kunnen zijn dan 50 procent. 'Zeer waarschijnlijk' verwijst naar definities die het IPCC hanteert voor waarschijnlijkheden en betekent 'met meer dan 90 procent zekerheid'. Die 90 procent is echter geen berekend getal, maar berust op het oordeel van experts (expert judgement).


131 Om wiens deskundig oordeel gaat het hier dan? Welnu, de hoofdauteurs van een hoofdstuk hebben een beslissende stem over de eindconclusies. Er waren negen hoofdauteurs in hoofdstuk 9 van het IPCCrapport (waar de hoofdconclusie in staat), dus zij zullen in ieder geval hun goedkeuring hebben gegeven aan deze conclusie. Er waren enkele tientallen auteurs. Zij hebben aan stukjes van het hoofdstuk bijgedragen en aan hen is nooit expliciet gevraagd of ze het met deze belangrijke conclusie eens waren. Het ligt echter voor de hand dat zij zich ook wel kunnen vinden in de bewering. De Samenvatting voor beleidsmakers is geschreven door een vijftigtal onderzoekers en later goedgekeurd door gedelegeerden van overheden. Een aantal hoofdauteurs van hoofdstuk 9 van het IPCC-rapport schreef ook mee aan het concept van deze samenvatting. Er is dus enige overlap, maar grofweg een honderdtal auteurs is betrokken geweest bij de productie van dat deel van het IPCC-rapport waarin de belangrijkste conclusie van het hele rapport staat.


Naar buiten toe is het IPCC-rapport dikwijls gepromoot als een consensus van duizenden wetenschappers. Zo verklaarde de toenmalige milieuminister Jacqueline Cramer begin 2010 naar aanleiding van Climategate: 'Duizenden geleerden hebben een consensus bereikt. De aarde warmt op en de mens is daar schuldig aan. '1 Waarschijnlijk zou het merendeel van de wetenschappers die aan het IPCC-rapport hebben meegewerkt, zich achter de meest in het oog springende conclusie van het IPCC scharen. Als het hen gevraagd zou worden. Maar de droge constatering is wel dat het hen niet gevraagd is. Dit merkte ook de Britse sociaalwetenschapper en klimaatonderzoeker Mike Hulme op in een recent gepubliceerd reviewartikel over het IPCC2:


Zonder een duidelijke uitleg over wat [consensus] betekent, kan het enthousiasme voor consensus het IPCC kwetsbaar maken voor kritiek van buiten. Claims zoals '2500 van 's werelds toonaangevende wetenschappers hebben consensus bereikt dat menselijke activiteiten een behoorlijke invloed hebben op het klimaat', zijn niet eerlijk. Die ene specifieke consensusuitspraak [dat het merendeel van de opwarming door de mens komt] is, net als vele andere uitspraken in IPCCrapporten, tot stand gekomen door slechts enkele tientallen experts in het specifieke gebied van detectie- en attributiestudies.


Deze passage werd opgepikt door blogs en kranten, met de suggestie dat het IPCC ons 'misleid' zou hebben. Hulme voelde zich genoodzaakt een toelichting te schrliven.3 'Ik heb niet gezegd dat het IPCC iedereen misleidt, het zijn claims door andere commentatoren, zoals de karika- turale claim in mijn artikel [over 2500 wetenschappers die consensus hebben bereikt] die in potentie misleidend kunnen zijn,' aldus Hulme. Welnu, het citaat van Cramer suggereert in ieder geval dat zelfs zij, in haar hoedanigheid als minister van Milieu, op het verkeerde been is gezet over hoe je beweringen in een IPCC-rapport moet interpreteren.


De hoofdconclusie Los van de vraag hoeveel IPCC-auteurs zich daadwerkelijk achter de hoofdconclusie hebben geschaard, is er natuurlijk de kwestie van de wetenschappelijke onderbouwing. In hoofdstuk 4 hebben we laten zien dat de hoofdconclusie vooral gebaseerd is op de overeenkomst tussen klimaatmodellen en observaties in de betrokken periode. De modellen kunnen de recente opwarming vanaf 1975 alleen maar 'verklaren' met broeikasgassen. Met natuurlijke factoren alleen lukt het niet. Ergo, de mens is verantwoordelijk. Er ligt een aantal aannames aan de belangrijkste hoofdconclusie ten grondslag. Ten eerste dat


132 de klimaatmodellen en de samengestelde wereldgemiddelde temperatuur beide 'kloppen'. In hoofdstuk 2 zagen we dat er veel problemen aan temperatuurmetingen kleven en dat er steeds meer bewijs is dat de recente temperatuurmetingen 'te hoog' uitvallen; dat wil zeggen, vervuild zijn door lokale en regionale factoren (bebouwing, restwarmte, enzovoort). Het IPCC negeert en bagatelliseert dit bewijs echter grotendeels (zie pagina 71-73). In hoofdstuk 4 en 5 kwamen vervolgens de tekortkomingen van klimaatmodellen aan de orde. Modellen zijn nog niet in staat om natuurlijke schommelingen in het klimaat, zoals El Niño en de Pacific Decadal Oscillation, goed te simuleren (ook niet terug in de tijd), laat staan te voorspellen. Over de invloed van de zon is nog weinig met zekerheid te zeggen. Toch is een aanname onder de hoofdconclusie van het IPCCrapport dat modellen goed in staat zijn om natuurlijke klimaatverandering te simuleren. Dat werd nog eens expliciet gemaakt door de hoofdauteurs van hoofdstuk 9 van het IPCC-rapport in een reactie op kritiek van een expert reviewer op het tweede conceptrapport.4 'Het feit dat de modellen de veranderingen in de temperatuur kunnen simuleren, impliceert dat eventuele ontbrekende natuurlijke factoren weinig impact zullen hebben,' schreven de hoofdauteurs in een reactie op een ingediend commentaar. Met andere woorden, we hebben de boel al kloppend en dit betekent dat natuurlijke klimaatverandering te verwaarlozen is ten opzichte van het effect van de broeikasgassen. Critici noemen dit een cirkelredenering (zie pagina 114).


In hoofdstuk 4 bleek echter ook dat aerosolen (luchtverontreinigende deeltjes) een sleutelrol spelen bij het verkrijgen van een goede overeenkomst tussen de modellen en de gemeten temperatuur. Modellen gebruiken een verschillende mate van afkoeling door aerosolen. Ze verkrijgen allemaal een goede overeenstemming met de observaties, maar om verschillende redenen. Dit suggereert dat er sprake is van tuning, het aan 'de knoppen draaien (waarbij 'de knoppen' dan vooral het effect van aerosolen en de gevoeligheid van het klimaat voor broeikasgassen zijn) totdat er een goede overeenkomst is met de waargenomen wereldgemiddelde temperatuur. De modelleurs weten immers al wat eruit moet komen. Extra probleem is dat er nauwelijks historische gegevens zijn over de uitstoot en verdeling van 'menselijke' aerosolen en ook dat het effect van aerosolen nog volop in onderzoek is. Dit geeft de modelleurs de vrijheid om waarden te kiezen voor aerosolen die het beste resultaat geven. Recente meetcampagnes en wetenschappelijke literatuur suggereren dat het afkoelende effect van aerosolen aanzienlijk kleiner is dan vermeld in het vierde IPCC-rapport (zie pagina 118). Het is dus goed mogelijk dat de overeenkomst tussen klimaatmodellen en de mondiale tem- peratuur sinds 1950 berust op (veronderstelde) afkoelende bijdragen van aerosolen die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Tegelijkertijd verschijnt er onderzoek dat het opwarmende effect van vooral roet (zie pagina 118) juist omhoog bijstelt. Het effect van roet zit nog niet of nauwelijks ingebouwd in de modellen die het IPCC gebruikt. Daar komt dan nog bij dat een aantal andere menselijke factoren ook nog niet ingebouwd is in de klimaatmodellen, zoals veranderd landgebruik, stikstof en het biologische effect van CO2 (zie pagina 158).


Platte aarde De auteurs van hoofdstuk 9 van het IPCC-rapport vinden, ondanks al deze haken en ogen, blijkbaar dat de modellen en de observaties goed en betrouwbaar genoeg zijn om te kunnen concluderen dat de recente opwarming grotendeels veroorzaakt is door broeikasgassen. Het is echter niet verbazingwekkend dat er klimaatwetenschappers rondlopen die nog niet


133 overtuigd zijn dat de recente opwarming veroorzaakt is door onze uitstoot van broeikasgassen. Dat deze wetenschappers vervolgens worden bestempeld als klimaatontkenners (deniers), zegt meer over degenen die dat roepen dan over de vermeende klimaatontkenners zelf. Het is weinig meer dan een retorische truc om je tegenstander voor gek te verslijten. Een retoriek die overigens wel heel succesvol is geweest in het beïnvloeden van de publieke opinie. Zo zei Rajendra Pachauri, de voorzitter van het IPCC, toen hem door een journalist werd gevraagd wat hij van de kleine groep 'twijfelaars vond:5 'Zelfs vandaag de dag is er een Flat Earth Society, die elk jaar een bijeenkomst houdt om te zeggen dat de aarde plat is. De wetenschap over klimaatverandering is heel duidelijk. Er is echt geen ruimte voor twijfel op dit punt.' Het wegzetten van klimaatsceptici als ontkenners en 'platte aardeaanhangers' was en is bijzonder effectief, zeker in combinatie met het morele label dat deze wetenschappers opgeplakt krijgen. Het zijn slechte mensen die tegen CO2-reductie zijn en die dus niet het beste voor hebben met onze kleinkinderen en achterkleinkinderen. Niemand wil daarmee geassocieerd worden en dus sluiten velen zich maar gewillig aan bij het kamp van de 'gelovigen'. In het volgende en laatste hoofdstuk blijkt overigens dat het nog niet zo eenvoudig is om te concluderen of de wereld van onze kleinkinderen beter af zal zijn als we nu snel beginnen met het reduceren van broeikasgassen.


Bij het woord 'gelovigen' gaan de haren van wetenschappers natuurlijk recht overeind staan. Toch denk ik dat we mogen constateren dat het al dan niet accepteren van de hoofdconclusie van het laatste IPCC-rapport -- dat de opwarming sinds 1950 zeer waarschijnlijk veroorzaakt is door onze uitstoot van broeikasgassen -- een kwestie van geloof is. Dit betekent uiteraard niet dat klimaatwetenschappers plotseling religieus zijn geworden. Het betekent dat onze observaties en kennis van het klimaat nog ontoereikend zijn om zodanig harde feiten op tafel te krijgen dat een kwestie van geloof een kwestie van 'meten is weten' wordt. Dit is overigens de normaalste zaak van de wereld in vrijwel alle wetenschappelijke vakgebieden, zeker in gebieden die zo complex zijn als het klimaat. In het klimaatdebat doen we echter hysterisch over deze nuchtere constatering omdat ze klimaatbeleid (lees CO2-reductie) in de weg zou staan.


Interviews met de klimaatgemeenschap In de vele interviews die ik de afgelopen jaren heb gehouden, kwam de hoofdconclusie van het IPCC-rapport -- dat de mens verantwoordelijk is voor de recente opwarming -- regelmatig ter sprake. In de vorige hoofdstukken werd al duidelijk dat diverse critici van het IPCC, zoals Richard Lindzen, Roy Spencer en Roger Pielke sr., zich distantiëren van deze conclusie. Pielke ging in een blogbericht6 expliciet in op de vraag 'of de recente opwarming is toe te schrijven aan broeikasgassen'. Zijn antwoord is een resoluut 'nee' en veel van de wetenschappelijke literatuur waarop hij dat ontkennende antwoord baseert, is in dit boek ook de revue gepasseerd. Voorbeelden zijn de invloed van wolken die Spencer beschrijft, de iris-hypothese van Lindzen en de artikelen van Swanson en Tsonis, die concluderen dat de klimaatsprongen die we in de we eeuw gezien hebben, waarschijnlijk veroorzaakt zijn door een koppeling van verschillende natuurlijke oscillaties in de oceanen en de atmosfeer.


Maar ik besprak de bewijskracht van de IPCC-conclusie ook met klimaatonderzoekers die niet bekendstaan als sceptici, zoals Graeme Stephens, die nauw betrokken is bij de CloudSat-missie van NASA (zie pagina 118). Stephens onderschreef de conclusie van het IPCC niet, maar stelde


134 dat 'het broeikassignaal' vroeg of laat wel een keer komt bovendrijven. Met andere woorden, het effect van de broeikasgassen valt nu nog weg in de ruis van het chaotische klimaatsysteem. Stephens gaf ook aan dat de huidige stagnatie van de wereldwijde temperatuur niet nog tien jaar zou mogen duren. Martin Wild van de ETH in Zürich, die veel publiceert over global dimming en global brightening (zie pagina 143), toonde aan dat de klimaatmodellen de enorme variaties in de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt niet goed kunnen simuleren. Dit pleit dus absoluut niet voor de klimaatmodellen, en je zou dan ook kunnen verwachten dat Wild de IPCC-bewering afwijst. Dat doet hij echter op een indirecte manier. Hij liet me weten dat de weinige observaties die er gedaan zijn op land, laten zien dat er een toename is van infrarode straling naar het oppervlak. En dat die toename in overeenstemming is met de langetermijnverandering voorspeld door de klimaatmodellen. Wild doelt hier op directe waarnemingen van infrarode straling die onderdeel uitmaken van het Baseline Surface Radiation Network. Wild zegt dus feitelijk: de modellen bakken niets van de fluctuaties in de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt, maar de toename van infrarode straling lijkt wel te kloppen en dus zie ik geen reden om te twijfelen aan het broeikaseffect. Wilds collega, de Japanner Atsumu Ohmura, vertelde me in zoog, toen hij in Utrecht was vanwege een promotie, dat broeikasgassen voor een gigantische opwarming gaan zorgen. Dit omdat het directe effect van broeikasgassen plus het versterkende effect van waterdamp plus het versterkende effect van wolken samen, enorm groot is. Dit is dus, net als in het geval van Stephens, meer een soort theoretisch standpunt. Vroeg of laat zal de invloed van broeikasgassen zichtbaar worden.


Mijn indruk is dat mainstream klimaatonderzoekers het meestal niet prettig vinden als je ze de vraag voorlegt of ze de hoofdconclusie van het IPCC steunen. Als ze ontkennen, riskeren ze om door de journalist neergezet te worden als scepticus (en dat willen ze absoluut niet). Maar vol overgave meegaan met de bewering gaat ze ook te ver. Daarvoor zijn ze toch te veel wetenschapper. Overigens is het ook niet zo dat als de geloofwaardigheid van (de modellen van) het IPCC zou wegvallen, de klimaatonderzoekers massaal van hun broeikasgeloof zouden vallen. Dit werd duidelijk toen ik met Mark Serreze sprak, de directeur van het National Snow and Ice Data Center (NSIDC) in Boulder, Colorado. Dit centrum komt veelvuldig in het nieuws in verband met de afname van zee-ijs op de Noordpool. Wijzend op de bekende tabel met klimaatfactoren in het IPCC-rapport (zie pagina 116), zei Serreze: 'Als je niet accepteert dat de recente opwarming door broeikasgassen komt, dan heb je een groot, groot probleem.' Met andere woorden: sceptici, leg maar eens uit welke klimaatfactoren volgens jullie dan de recente opwarming veroorzaakt kunnen hebben.


Een ander veelgehoord argument (ook gebruikt in het vierde IPCCrapport)7 is dat het patroon van opwarming op aarde overeenkomt met dat van het versterkte broeikaseffect. Land kan veel minder warmte bufferen dan de oceanen en dus zou de extra infrarode straling vanuit de atmosfeer terug naar het oppervlak het land sneller moeten opwarmen dan de oceanen. Dit laten modellen zien 8 en het is ook precies wat er is waargenomen. Tijdens de recente opwarming warmde het landoppervlak zelfs twee tot drie keer zo snel op als het zeeoppervlak. Om dit te zien als bewijs voor het versterkte broeikaseffect, moet je er echter helemaal van op aan kunnen dat de temperatuurveranderingen op land zijn toe te schrijven aan klimatologische veranderingen en niet aan lokale en economische processen.


135 Maar er is juist wél bewijs dat de temperatuurmetingen beïnvloed zijn door economische processen. Michaels en McKitrick schatten dat de helft van de opwarming op land hierdoor veroorzaakt kan zijn. Daarmee zou het verschil tussen temperaturen op land en zee grotendeels wegvallen en dus ook het 'bewijsstuk' voor het versterkte broeikaseffect. Daarom is het ook zo kwalijk dat het IPCC het werk van Michaels en McKitrick geen recht deed.


Opwarming op land en zee Er is een modelstudie gedaan die een bijzondere relatie blootlegt tussen zee en land. Gilbert Compo en Prashant Sardeshmukh van het Climate Diagnostics Center in Boulder, Colorado9 voedden waargenomen zeewatertemperaturen aan verschillende klimaatmodellen en onderzochten of ze daarmee de temperaturen op land konden 'verklaren'. Hun resultaten suggereren dat de warmte en vochtigheid van de oceanen de opwarming op land grotendeels kan verklaren. De hoeveelheid energie (warmte) die is opgeslagen in de oceanen, is veel groter (circa 1000 maal) dan die in de atmosfeer. Als het zeeoppervlak een gering deel van die warmte afstaat aan de atmosfeer, kan dit al een flinke opwarming op het land veroorzaken. Overigens geldt ook hier dat de auteurs geen rekening gehouden hebben met de 'vervuiling' van het meetnetwerk op land. Of de opwarming van de oceanen dan wel door het broeikaseffect verklaard kan worden, was geen onderwerp van de studie. De auteurs merken wel op dat klimaatmodellen nog niet goed in staat zijn om de variaties in zeewatertemperaturen te simuleren. Daarom kan een natuurlijke rol voor ten minste een deel van de opwarming van de oceanen niet worden uitgesloten, aldus Compo en Sardeshmukh.


Zeer waarschijnlijk Zoveel wetenschappers, zoveel meningen. Stellen dat er consensus zou zijn onder duizenden klimaatonderzoekers doet geen recht aan de diversiteit aan opvattingen die er bestaat. Laat staan beweren dat 'de wetenschap eruit zou zijn' Het magische 'bewijs' dat wij de aarde opwarmen, is er gewoon (nog) niet. Het is aannemelijk dat broeikasgassen een deel van de recente opwarming veroorzaakt hebben. Maar dat het merendeel van de opwarming door broeikasgassen zou komen, is niet hard te maken. Daarvoor kleven er te veel haken en ogen aan zowel de temperatuurmetingen als aan de klimaatmodellen. De stagnatie van de mondiale temperatuur in de afgelopen tien jaar speelt de broeikastheorie ook niet bepaald in de kaart. En ook het feit dat de oceanen sinds 2003 niet of nauwelijks warmte hebben opgenomen, is een groot raadsel. Volgens de tabel met de klimaatfactoren zou dat niet moeten kunnen. Ieder jaar zouden de oceanen extra warmte moeten opslaan.


Dat de auteurs van hoofdstuk 9 van het IPCC-rapport de hoofdconclusie er toch uitgeperst hebben, lijkt meer een politieke dan een wetenschappelijke keuze. Bedenk dat het IPCC in het derde rapport uit 2001 concludeerde dat het waarschijnlijk is dat het merendeel van de opwarming sinds 1950 veroorzaakt is door de menselijke uitstoot van broeikasgassen. In het vierde rapport werd waarschijnlijk vervolgens zeer waarschijnlijk. In de eerste zin van hoofdstuk 9 schrijven de auteurs ter verantwoording dat er sinds het derde rapport steeds meer bewijzen zijn gevonden voor de effecten van externe klimaatfactoren, zoals de uitstoot van broeikasgassen. Welnu, in 'dit boek hebben we zo ongeveer het tegenovergestelde laten zien: dat er nog steeds grote onduidelijkheden zijn over het effect van klimaatfactoren. Zo is in feite nog steeds niet duidelijk wat het effect van aerosolen (roet inbegrepen) precies is, zelfs niet of het mondiaal gemiddeld tot afkoeling dan wel tot opwarming leidt.


136 In dit verband moet ik terugdenken aan een lang gesprek dat ik had met David Rind in maart 2009 in New York. Rind werkt al ruim dertig jaar bij het NASA Goddard Institute for Space Studies, het instituut dat geleid wordt door James Hansen, 's werelds bekendste klimaatalarmist. Rind publiceert geregeld met Judith Lean over de rol van de zon en is zeker een aanhanger van de broeikashypothese. Hij heeft meegewerkt aan het vierde IPCC-rapport, maar was duidelijk geen fan geworden van het IPCC. Er is geen weg terug voor het IPCC, merkte hij op, waarmee hij bedoelde dat claims die het IPCC eenmaal gedaan heeft niet snel weer ingetrokken zullen worden. Denk aan de hockeystick. Maar denk ook aan de conclusie dat de aarde opwarmt door de mens. In 1995, in het tweede rapport, was er sprake van 'een waarneembare menselijke invloed op het klimaat', in 2001 was de recente opwarming al waarschijnlijk veroorzaakt door de mens en in 2007 was het dus zeer waarschijnlijk. Deze opeenvolgende reeks van groeiende zekerheid werd ook opgepikt door stripfiguren Fokke en Sukke in NRC Handelsblad, op de dag dat het vierde rapport gepubliceerd werd. 'Fokke en Sukke lopen vooruit op het vijfde IPCC-rapport,' stond erboven. 'Het is wel zeer, zeer, zeer, waarschijnlijk dat de mens de aarde opwarmt,' vatten Fokke en Sukke alvast het rapport dat in 2013 of 2014 zal verschijnen samen.


De staat van het IPCC Het IPCC-proces wordt door voorstanders geregeld bejubeld als het meest rigoureuze reviewproces in de geschiedenis van de wetenschap.10 Het IPCC wordt ook gezien als een 'uniek experiment'11 en de rapporten die het proces oplevert, hebben dan ook een bijna bijbelse status. De inhoud van de IPCC-rapporten wordt ook wel omschreven als 'de best beschikbare kennis' over het klimaat. 'Ik moet blind op het IPCC kunnen vertrouwen,12 zei ex-minister Cramer van Milieu, nadat er begin 2010 fouten in het rapport ontdekt waren. 'Het IPCC moet boven elke twijfel verheven zijn. Daarom moeten de procedures onder de loep worden genomen; kennelijk werkt het niet naar behoren.' Minister Cramer zette het Planbureau voor de Leefomgeving aan het werk om enkele hoofdstukken uit Werkgroep 2 nog eens na te pluizen Het PBL kwam met een geruststellend rapport terug. Er waren bij 32 onderzochte hoofdconclusies niet of nauwelijks fouten te bespeuren. Het PBL deed wel enkele aanbevelingen voor verbetering, bijvoorbeeld dat het IPCC het mogelijk zou moeten maken om na publicatie van het rapport fouten te herstellen. In hoofdstuk 6 hebben we ook diverse voorbeelden gegeven van fouten in Werkgroep 2 die niet zijn behandeld door het PBL, omdat ze in andere hoofdstukken stonden dan het PBL moest onderzoeken. Iedere fout maakt de gevolgen van de opwarming van de aarde erger; dat wil zeggen, alle fouten neigen naar de alarmistische kant.13 Maar, zo kregen we de geruststelling van diverse aanhangers van het IPCC, dit waren maar foutjes in het toch wat meer speculatievere deel van Werkgroep 2. De échte hoofdconclusies van het IPCC-rapport, die van Werkgroep 1, stonden nog overeind. Welnu, dit boek laat zien dat die hoofdconclusies voor het IPCC misschien fier overeind staan, maar dat het daarvoor wel nodig is om heel wat gepubliceerde kritiek op de IPCC-visie te negeren of te bagatelliseren.


Roger Pielke sr. Documenteerde14 hoe de auteurs van hoofdstuk 3 van Werkgroep 1 selectief citeerden uit de literatuur. Zo bleef de uitgebreide kritiek die er bestaat op de temperatuurmetingen, waarop het IPCC zo sterk leunt, zwaar onderbelicht. De belangrijkste temperatuurgrafiek hoefde volgens het IPCC niet te worden gecorrigeerd voor het stedelijke warmte-eilandeffect. Maar speurwerk van Stephen McIntyre, Doug Keenan en Warwick Hughes laat zien dat die conclusie hoogst dubieus is.


137 Nog erger was de wijze waarop de hoofdauteurs van hoofdstuk 3 van het IPCC-rapport artikelen van Michaels en McKitrick en De Laat en Maurellis afserveerden als 'onzin' zonder daarvoor bewijs aan te dragen. Beide artikelen laten zien dat het patroon van opwarming gekoppeld is aan economische factoren (verstedelijking, restwarmte, enzovoort). Dat is cruciale informatie omdat een deel van de door thermometers en satellieten waargenomen opwarming niet klimatologisch is en dus niet toegeschreven kan worden aan broeikasgassen. McKitrick moest als expert reviewer de IPCC-auteurs er tot tweemaal toe op wijzen dat de artikelen relevant waren en dus besproken moesten worden. Het definitieve rapport bevat uiteindelijk wel een passage over de artikelen, maar deze passage is nooit door de review gegaan. McKitrick moest later zelf proberen het tegenargument van het IPCC te weerleggen, wat overigens onlangs gebeurd is.15 In het hoofdstuk over de hockeystick liet het IPCC helemaal duidelijk zien dat het niet weet om te gaan met kritiek. Van de hockeystickgrafiek was in het derde rapport een icoon gemaakt. De ontmanteling van de hockeystick door Mclntyre en McKitrick was echt een blamage voor het IPCC, maar men weigerde te erkennen dat er grote fouten gemaakt waren. De drie artikelen van McIntyre en McKitrick werden verkeerd opgevoerd en nauwelijks recht gedaan. Het 'hockeyteam' wist vlak voor de deadline van het IPCC-rapport twee artikelen van Wahl en Ammann 'in druk' te krijgen, waarmee de kritiek van McIntyre en McKitrick 'weerlegd' zou zijn. In werkelijkheid bevestigen Wahl en Ammann het werk van de Canadezen echter volledig. Zij bevestigen bovendien dat de reconstructie in vroege jaren (rond 1400) statistisch gezien niet overeind blijft staan. Dit betekent dat de reconstructie in die periode geen enkele betekenis meer heeft. De proxy's (de informatie afgeleid uit boomringen) zijn onbruikbaar als indicator voor de temperatuur. Een lezer van de desbetreffende passage in het IPCC-rapport komt dit absoluut niet te weten en moet uitwijken naar de blog van McIntyre waar de hele saga in honderden blogberichten in detail uit de doeken wordt gedaan. Hoofdauteur van het hoofdstuk was Keith Briffa van CRU, een onderzoeker die veelvuldig in de Climategate-e-mails voorkomt. Climategate gaat voor 98 procent over het hockeystick-debat. In de e-mails kunnen we zien dat Wahl en Briffa achter het officiële reviewproces van het IPCC om met elkaar communiceren over de tekst van hoofdstuk 6.16 CRU weigert tot op de dag van vandaag de documenten die aan die e-mails hingen openbaar te maken, en beweert nu zelfs dat de documenten gewist zijn.17 Het was eveneens McIntyre die ontdekte dat een temperatuurreconstructie van Briffa, die vanaf 1960 omlaag gaat, in het IPCC-rapport in dat jaar was afgekapt, zodat de reconstructie visueel beter aansloot bij andere reconstructies. Als expert reviewer drong McIntyre er bij Briffa op aan dat hij zijn reconstructie in het vierde rapport wel zou laten zien en dat hij het 'divergentieprobleem' -- de daling van de temperatuurreconstructie, terwijl de temperatuur juist toenam -- zou moeten behandelen. Het verzoek werd afgewezen door het IPCC, omdat het helemaal tonen van de grafiek 'ongepast' zou zijn.18


Waardeloos? Is het hele rapport van Werkgroep 1 dan waardeloos? Natuurlijk niet, het is een uitputtend rapport met duizenden literatuurverwijzingen en diverse onderwerpen, zoals de zeespiegelstijging, zijn redelijk gebalanceerd beschreven. Het punt is alleen dat de auteurs het klimaatprobleem zo stevig mogelijk op de kaart willen zeden, met een zo groot mogelijke rol voor broeikasgassen. Dus verkiest het IPCC de temperatuurmetingen aan de grond boven die van de satelliet. De satellietmetingen van de troposfeer laten sinds 1979 minder opwarming


138 zien en het gat met de metingen aan de grond wordt ook steeds groter.19 Om de huidige opwarming uniek te laten zijn, blijft het IPCC zich vastklampen aan twijfelachtige reconstructies op basis van boomringen en andere indirecte temperatuurmetingen. Het IPCC was heel gretig om een artikel van Wang en Lean uit 2005, waarin de rol van de zon behoorlijk naar beneden werd bijgesteld ten opzichte van eerdere schattingen, prominent naar voren te schuiven als het 'beste' bewijs. Lean was zelf hoofdauteur van dit deel van het rapport. Hoofdstuk 8 van Werkgroep 1 leest als een ware promotie van klimaatmodellen. Sinds het derde rapport is er grote vooruitgang geboekt, schrijft het IPCC. De modellen zijn gebaseerd op goed gefundeerde natuurkundige principes20 en slagen erin het recente klimaat te reproduceren, aldus het IPCC. De vele problemen en nuanceringen die we hebben besproken in dit boek, worden soms aangestipt in het hoofdstuk zelf maar niet in de samenvatting en de beleidsmaker die alleen de samenvatting zou lezen, krijgt mee dat de modellen goed genoeg zijn voor toekomstvoorspellingen. Pielke sr. documenteerde hoe het IPCC-rapport omging met de kwestie van veranderd landgebruik,21 wat een invloed kan hebben op de mondiale temperatuur. Hij maakte een lijst met relevante artikelen en gaf aan welke IPCC wel en niet had meegenomen en in welk hoofdstuk. Dan is te zien dat het IPCC weliswaar geregeld melding maakt van de invloed van veranderd landgebruik, maar in hoofdstuk 9, het belangrijkste hoofdstuk van het rapport, waarin de recente klimaatverandering wordt toegeschreven aan broeikasgassen, wordt naar geen enkel artikel over veranderd landgebruik verwezen! Kwalitatief wil het IPCC dus best over het onderwerp praten, maar kwantitatief absoluut niet. Het onderwerp heeft volgens het IPCC dus geen enkele, of een verwaarloosbare, rol gespeeld bij de recente opwarming. Maar zoals we zagen in hoofdstuk 5, kan veranderd landgebruik een groot deel van de opwarming in Florida verklaren. Het IPCC erkent ook dat het regionaal een substantieel effect kan hebben, maar neemt aan dat het mondiaal gezien geen rol speelt.22 Dit is een aanname, want in de mondiale klimaatmodellen is het effect nooit getest.


Samenvattend, na de geconstateerde eenzijdigheid van Werkgroep 2, waarbij de gevolgen van de opwarming van de aarde stelselmatig te zwaar worden aangezet, blijkt ook Wergroep 1 niet verschoond van een eenzijdige benadering. De opwarming wordt hoogst waarschijnlijk overschat, de beweerde 'uniekheid' van de opwarming is helemaal niet hard te maken en wat betreft de oorzaken heeft men erg weinig oog voor alternatieve verklaringen. Nu zullen de vele voorbeelden die ik heb aangehaald van 'eenzijdige weergave van de literatuur ' de fans van het IPCC waarschijnlijk niet van hun stuk brengen. Ze zullen de voorbeelden bagatelliseren en zeggen dat het geen 'fouten' zijn (zoals het smelten van de Himalayagletsjers in 2035 een overduidelijke fout was), maar dat het voornamelijk om andere interpretaties van de literatuur gaat. En daar zit hem inderdaad de kneep. Wat is precies de rol van het IPCC? Is het de taak van het IPCC om te zeggen 'dit vinden wij het beste antwoord', wat ze nu gedaan lijken te hebben? Of zou het IPCC domweg moeten rapporteren wat het in de wetenschappelijke literatuur zoal tegenkomt? De richtlijn23 voor het IPCC-proces suggereert het laatste. Het pretendeert namelijk op 'een allesomvattende, objectieve, open en transparante wijze' de wetenschap te beoordelen. Maar de praktijk lijkt meer op het eerste te wijzen. De hoofdauteurs bepalen welke literatuur ze goed en relevant genoeg vinden om de eindstreep te halen. Daarbij lijkt het criterium 'allesomvattend' minder belangrijk dan het criterium 'past goed in de broeikastheorie'. Door structureel op deze manier te werken, dragen de IPCC-auteurs steentje voor steentje bij aan een solide broeikasbouwwerk. Maar wat zou er van dit solide bouwwerk overblijven als het IPCC wel 'allesomvattend' te werk was gegaan en meer aandacht had geschonken aan natuurlijke


139 schommelingen zoals de Pacific Decadal Oscillation en aan andere menselijke factoren, zoals veranderd landgebruik? Wat als het IPCC zou erkennen dat de temperatuurmetingen inderdaad van slechte kwaliteit zijn en de recente opwarming naar beneden zou bijstellen? Wat als het IPCC zou erkennen dat de verwachte vingerafdruk voor het versterkte broeikaseffect, een hot spot in de tropen, nog niet gevonden is? Voor sommige critici van het IPCC, zoals Roy Spencer, blijft er dan weinig meer over dan een kaartenhuis.24 Aanhangers van het IPCC zouden mismoedig het hoofd schudden bij deze woorden en zeggen: 'Denk je nou echt dat al die honderden auteurs bewust bezig zijn om ons te misleiden?' Dit is in feite een variant van het veelgebruikte argument tegen sceptici dat het volgens hen, de sceptici, allemaal 'een complot' zou zijn. Vrijwel geen enkele scepticus ziet het IPCC echter als een complot, maar meer als een zichzelf bevestigende en versterkende groep onderzoekers.


Selectie van auteurs Om dat te kunnen begrijpen, moeten we nog wat verder inzoomen op het selectieproces van de hoofdauteurs van de IPCC-rapporten. De voordracht van hoofdauteurs verloopt via nationale overheden. De meeste overheden in de wereld, ook in de Verenigde Staten, hebben al jaren een klimaatbeleid dat erop gericht is de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Wie uit hun land zullen ze voordragen als hoofdauteur, een onderzoeker die aanhanger is van de broeikashypothese, of een scepticus? Achter deze eerste filter komt dan nog een tweede filter, het IPCC zelf. De co-chairs van de Werkgroepen, doorgaans zeer ervaren wetenschappers, maar ook wetenschappers die volledig achter het IPCC en achter de broeikastheorie staan, selecteren samen met de Technical Support Unit de definitieve lijst van hoofdauteurs en hebben daarbij ook nog het recht om zelf kandidaten te benaderen die niet waren genomineerd. In de praktijk heeft deze twee-stappenprocedure geleid tot een behoorlijke eensgezindheid onder de auteurs. Geen enkele van de critici die in dit boek de revue passeerden, was als hoofdauteur betrokken bij het rapport. De enige bekende scepticus die een kleine rol had, was John Christy. Hij was bijdragend auteur, een positie zonder eindverantwoordelijkheid. Het panel van de InterAcademy Council (IAC), dat door het IPCC gevraagd werd een onderzoek te doen naar IPCC-procedures, riep Christy als getuige op.25 Hij vertelde over een bijeenkomst van Werkgroep voor het vijfde IPCC-rapport in Hawaï, waar hij de enige scepticus was: 'Ik kwam tot de conclusie dat de gevestigde orde binnen het IPCC een verontrustende eensgezindheid van denken tentoonspreidde wat betreft de hypothetische maar onbewezen invloed die broeikasgassen kunnen hebben op het klimaat.' Roger Pielke sr. werd in de jaren negentig tot twee keer toe gevraagd om een bijdrage te leveren aan het IPCC-rapport.26 'Ik was uitgenodigd om als bijdragende auteur mee te werken aan het hoofdstuk over regionale klimaatverandering. Ik droeg uitgebreide informatie aan voor het rapport en opnieuw werden al mijn opmerkingen genegeerd, zonder ook maar één weerlegging. Op dat moment concludeerde ik dat de IPCC-rapporten in feite bedoeld zijn als pamfletten, ontworpen voor specifieke beleidsmaatregelen, maar niet bedoeld als een echte en eerlijke beoordeling van ons begrip van het klimaat.' Pielke belde het IPCC op en zegde zijn medewerking aan toekomstige rapporten op.


In de aanloop naar het derde en vierde rapport stapten ook twee erkende specialisten, Paul Reiter en Chris Landsea, uit de rijdende IPCCtrein. Reiter is malariadeskundige en sceptisch over de invloed van klimaat op malariaverspreiding. Landsea is een bekende orkaandeskundige, geen openlijke klimaatscepticus, maar wel van mening dat er nog geen relatie is aangetoond


140 tussen de opwarming van de aarde en het sterker of frequenter worden van orkanen. Landsea was door hoofdauteur Kevin Trenberth gevraagd iets te schrijven over orkaanactiviteit in de Atlantische Oceaan. In oktober 2004 organiseerde dezelfde Trenberth een persconferentie in Boston waarin de relatie werd gelegd tussen de opwarming van de aarde en orkanen. Dat was geheel in strijd met de wetenschap van dat moment, vond Landsea. Hij trok zich terug, met als argument dat het IPCC-proces gepolitiseerd was.27 Reiter kon niet leven met enkele boude stellingen die coauteurs in het IPCC-rapport over malaria wilden verkondigen.28 Hij trok zich terug, maar het kostte hem uiteindelijk nog heel wat moeite om zijn naam verwijderd te krijgen. Het IPCC stelde, voor zover bekend, geen onderzoek in naar aanleiding van het terugtreden van Reiter en Landsea, wat misschien nog wel verontrustender is dan het terugtreden zelf.


Niet politiek, maar egoïstisch Sommige wetenschappers beginnen er maar niet eens aan om aan IPCC-rapporten bij te dragen. Mickey Glantz, een sociaalwetenschapper die zich bezighoudt met de gevolgen van klimaatverandering en naar eigen zeggen geen klimaatscepticus, vertelde me in 2009 tijdens een interview in Boulder dat hij in de begindagen van het IPCC een presentatie had gegeven voor IPCC-auteurs. Glantz vertelde dat er positieve en negatieve effecten te verwachten waren. Na afloop kwam er een IPCC'er naar hem toe die hem duidelijk maakte dat er alleen negatieve effecten te verwachten waren. Glantz begreep de boodschap en besloot dat het IPCC niks voor hem zou zijn. Christy vertelde in een CNN-programma29 over de volgende gebeurtenis tijdens een IPCC-bijeenkomst die hij bezocht: 'Ik zat aan een tafel met drie Europeanen tijdens een lunch. Zij zaten te praten over hun rol als hoofdauteur. En ze zaten te overleggen hoe ze het rapport zo dramatisch konden maken, dat de Verenigde Staten het Kyoto-protocol wel zouden moeten ondertekenen.' Betekent dit nou dat de meeste hoofdauteurs van het IPCC corrupt zijn? Zeker niet, hoewel de hierboven genoemde voorbeelden en de Climategate-e-mails duidelijk maken dat er zeker hoofdauteurs tussen zitten, die maar op één ding uit zijn en dat is hun wetenschappelijke visie doordrukken in het eindresultaat. Al dan niet vanuit politieke motieven. Eén e-mail van Jones30, nota bene aan scepticus Christy, was wat dat betreft onthullend. 'Zoals je weet ben ik niet politiek. Als het iets is, dan is het wel dat ik graag zou zien dat de klimaatverandering zaloptreden, zodat zal blijken dat de wetenschap gelijk krijgt, ongeacht de consequenties. Ik ben niet politiek, ik ben egoïstisch.'


Het probleem van het IPCC is dat de hoofdauteurs niet alleen te eensgezind zijn, maar dat ze ook nog eens moeten oordelen over hun eigen werk. Het is onvermijdelijk dat deze belangenverstrengeling tot problemen leidt. Mann was hoofdauteur van het hoofdstuk in het derde rapport, waarin zijn eigen hockeystick besproken werd. In het vierde rapport was Briffa de vertegenwoordiger van het 'hockeyteam' en hij verhulde het divergentieprobleem. Het is begrijpelijk dat de onderzoekers hun eigen werk meer promoten dan dat van een ander; ze kennen hun eigen werk ook het best. En dan staan ze ook nog eens voor de taak een objectief oordeel te vellen over het werk van wetenschappelijke opponenten. Dat blijkt voor veel IPCC-auteurs te veel gevraagd. En dan wreekt de eensgezindheid onder de auteurs zich. Er is niemand aanwezig die hen 'eerlijk' houdt. John Christy omschreef het mooi in zijn presentatie voor het IACpanel. In plaats van 'makelaars' van het klimaatonderzoek zijn IPCCauteurs 'poortwachters' geworden, waarbij één visie wordt uitgelicht en gepromoot, aldus Christy. De term 'makelaar' komt waarschijnlijk uit


141 het boek van Roger Pielke jr. getiteld The Honest Broker.31 Een 'eerlijke makelaar' zal zo veel mogelijk huizen selecteren die passen bij de criteria van de klant zodat de klant een keuze heeft. Een poortwachter selecteert het huis dat volgens hem het beste past bij de klant en geeft verder geen keus. De poortwachter heeft de keus dus al gemaakt voor de huizenkoper. Naar analogie daarmee heeft het IPCC niet alle opties voor de beleidsmaker op een rijtje gezet waarna die zelf kon kiezen, maar gezegd: 'De aarde warmt op en het is CO2. Je moet zo snel mogelijk gaan reduceren.'


Gedachte-experiment Zomaar een gedachte-experiment. Stel nu eens dat alle critici uit dit boek (en nog meer) hadden meegewerkt aan het vierde rapport. Bij elk belangrijk onderwerp hadden er minstens twee sceptici in het team gezeten. Dus Jones en Trenberth gaan met Pielke en Christy in de slag over de temperatuurmetingen en het stedelijke warmte-eilandeffect. Briffa en Overpeck schrijven een hoofdstuk over de hockeystick samen met McIntyre en McKitrick. Lindzen en Spencer schuiven aan bij het belangrijke hoofdstuk 9. Soon en Svensmark schrijven mee met Lean en Rind over de rol van de zon. Twee vragen: zou dit überhaupt mogelijk zijn en zo ja, wat zou het eindresultaat zijn? Ik denk dat de eerste reflex van IPCC-aanhangers zal zijn dat dit voorstel absurd en onwerkbaar is. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de enorme polarisatie van het debat de afgelopen jaren. Sla de Climategatee-mails er maar op na en zie wat voor uitlatingen de heren doen over Mclntyre, Soon en andere sceptici. Maar als ze inderdaad vinden dat dit voorstel onmogelijk is, dan erkennen ze feitelijk dat de ambitie van het IPCC om 'allesomvattend en objectief' te zijn ook onhaalbaar is. Stel nu dat het toch gebeurt en dat ze op een professionele en respectvolle manier met elkaar zouden samenwerken. Zou het rapport er beter door worden? Grote kans dat het rapport in ieder geval objectiever zou worden. Het selectief winkelen in de literatuur wordt veel lastiger omdat voor- en tegenstanders elkaar 'scherp' houden. Wat zou dat betekenen voor de eindconclusies? Ongetwijfeld een enorme afzwakking van wat er nu ligt, veel minder stellig en met veel meer aandacht voor alternatieve verklaringen.


Rigoureuze peer review Hoor eens even, zal de volhardende fan van het IPCC nu zeggen, de hoofdauteurs van het IPCC-rapport kunnen echt niet zomaar hun gang gaan, want het IPCC-proces bestaat uit meerdere reviewrondes en de auteurs zijn verplicht om op ieder commentaar in te gaan. Vlak na Climategate zei Pachauri in de Britse krant The Guardian 32 dat het grote aantal betrokkenen en het rigoureuze peer review-proces ervoor zouden zorgen dat elke vooringenomenheid snel blootgelegd zou worden. 'De IPCC-processen zijn zo grondig en zo compleet dat zelfs als een of twee auteurs vooringenomen zijn, het zeer onwaarschijnlijk is dat zo'n vooringenomen standpunt in het rapport terecht zal komen.' Je vraagt je soms af hoe goed de voorzitter zijn eigen rapporten en de commentaren bestudeerd heeft. Op papier lijkt de procedure rigoureus, maar de schijn bedriegt in dit geval en de realiteit is helaas geen schim van de mooie opzet. Om te doorzien waarom het peer review-proces van het IPCC volledig faalt, is het voldoende om te begrijpen wat het verschil is tussen het IPCC-proces en de standaard peer review van een wetenschappelijk tijdschrift.


Bij een tijdschrift stuurt een redacteur een manuscript normaal gesproken naar twee onafhankelijke reviewers. Dat wil zeggen naar reviewers die geen nauwe banden hebben met de


142 auteurs van het stuk, waardoor vriendjespolitiek zo veel mogelijk vermeden wordt. De reviewers lezen en becommentariëren het manuscript en doen een aanbeveling of het artikel goed genoeg is voor publicatie. Als beide reviewers het manuscript afwijzen, dan moet de redacteur het afwijzen. De reviewers hebben dus invloed op de publicatie. Iedereen die zelf actief is in de wetenschap, weet dat dit proces niet feilloos is en dat acceptatie van een artikel zeker niet betekent dat het artikel goed is, laat staan foutloos. Het is een eerste ruwe check of een artikel de toets der kritiek kan doorstaan. Welnu, in het rigoureuze peer review-proces van het IPCC hebben reviewers geen enkele invloed. U leest het goed: geen enkele invloed. Ja, de hoofdauteurs zijn weliswaar verplicht om op ieder commentaar in te gaan, maar ze zijn niet verplicht om instructies van reviewers op te volgen, zoals bij een wetenschappelijk artikel het geval is. De hoofdauteurs bepalen dus helemaal zelf of ze eventuele kritiek van een reviewer accepteren dan wel naast zich neerleggen. Iedereen die de moeite neemt om wat commentaren en de reacties daarop te lezen,33 kan constateren dat heel gerechtvaardigde kritiek toch simpelweg wordt afgewezen. De bekendste voorbeelden zijn de vele commentaren die McIntyre en McKitrick indienden over de hockeystick en over de temperatuurmetingen van Phil Jones. Een bijkomend probleem is dat na de tweede en laatste reviewronde de hoofdauteurs nog nieuwe teksten toevoegen, die dus helemaal niet aan de reviewers zijn voorgelegd. Op deze wijze weerlegde Jones de artikelen van Michaels en McKitrick. De Australiër John McLean analyseerde34 het reviewproces van Wergroep 1, het belangrijkste deel van het vierde rapport. Hij constateerde dat er in totaal ruim 800 personen aan Wergroep 1 meewerkten, waarvan een kwart expert reviewer was. De bijdrage van reviewers was meestal zeer beperkt, schrijft McLean, en slechts 32 reviewers gaven commentaar op meer dan drie hoofdstukken. Een verschil met de review in een tijdschrift is, dat je er daar van uit mag gaan dat de twee reviewers het hele artikel lezen. De expert reviewers van het IPCC-rapport, aangewezen door de landen, zijn echter volledig vrij in wat ze willen lezen. Dit betekent dat hele delen van het rapport mogelijk door geen enkele reviewer beoordeeld zullen zijn. Het tweede conceptrapport wordt ook beoordeeld door nationale overheden. Mede om die reden wordt er gesteld dat het rapport goedgekeurd is door de 140 deelnemende landen. Van die 140 namen er slechts 22 de moeite om überhaupt commentaar in te dienen. Van de in totaal 2000 commentaren was maar liefst de helft afkomstig van slechts twee landen, de Verenigde Staten en Australië. Het ministerie van mevrouw Cramer, dat blind wil kunnen vertrouwen op het IPCC-rapport, stuurde slechts veertien commentaren in, op vier van de elf hoofdstukken. De enige personen die de hoofdauteurs nog een halt toe kunnen roepen, zijn de review editors. Dit zijn scheidsrechters die erop moeten toezien dat het proces eerlijk verloopt en dat de hoofdauteurs bijvoorbeeld recht doen aan wetenschappelijke controverses. Elke review editor moet aan het eind van de rit verslag uitbrengen en verklaren dat hij akkoord gaat met het hoofdstuk. Hun rapporten zijn dus een essentieel onderdeel van het 'rigoureuze peer review-proces'.


Het IPCC maakte deze rapporten uit zichzelf echter niet openbaar, in strijd met de claim dat het IPCC-proces 'toegankelijke en transparant' is. De Brit David Holland begon via Freedom of Information Act-verzoeken de documenten op te vragen en in april 2008, ruim een jaar na publicatie van het IPCC-rapport, ging het IPCC overstag.35 Van de 26 scheidsrechters leverde er slechts één iets anders in dan het standaardformulier dat het IPCC beschikbaar had gesteld. Die ene was John Mitchell, een review editor van het


143 hockeystick-hoofdstuk. Maar ook hij schreef in een korte brief dat hij tevreden was over hoe de hoofdauteurs (lees: Briffa) waren omgegaan met de commentaren van expert reviewers (lees: McIntyre en McKitrick).36 In een van de Climategate-e-mails37 is te lezen dat Mitchell wel degelijk problemen had met de hockeystick van Mann. In zijn hoedanigheid als review editor van het desbetreffende IPCC-hoofdstuk, hield hij deze kritiek echter onder de pet.


Schijnvertoning Gebruikmakend van de terminologie die klimaatalarmisten geregeld gebruiken om de urgentie van het klimaatprobleem aan te duiden, kunnen we het 'rigoureuze peer review-proces' van het IPCC als volgt samenvatten: het is veel erger dan we dachten. Op papier lijkt het nog iets, maar de hoofdauteurs hebben veel te veel macht en ze kunnen de commentaren van reviewers eenvoudig naast zich neerleggen. De scheidsrechters zijn op de hand van de hoofdauteurs en doen niets anders dan een handtekening zetten onder een standaardformulier. Het is een schijnvertoning. En nog is het einde van de tekortkomingen niet in zicht. Want stel nu dat ik een fout ontdek in het rapport, of erger: ik constateer gemanipuleer met gegevens of fraude. Waar moet ik heen? Wie is de toezichthouder die boven het IPCC staat bij wie ik een klacht indien? Inderdaad, die toezichthouder is er niet. Het Planbureau voor de Leefomgeving, dat op verzoek van destijds nog minister Cramer acht hoofdstukken van Werkgroep 2 onderzocht, deed de aanbeveling38 aan het IPCC dat het mogelijk moet worden om fouten te corrigeren na publicatie van het rapport. Maar in dat geval ben je wederom afhankelijk van het IPCC zelf en we hebben gezien hoeveel moeite het de organisatie kost om overduidelijke fouten te erkennen. Er zou een internationale toezichthouder moeten zijn die volledig onafhankelijk is van het IPCC zelf. Ondertussen dendert de IPCC-trein vrolijk door. Het IAC-panel onder leiding van Harold Shapiro onderzocht de IPCC-procedures op verzoek van het IPCC. Maar op de uitkomst daarvan werd niet gewacht bij het benoemen van de hoofdauteurs voor het vijfde rapport. Dit tot onvrede van bijvoorbeeld de Nederlandse klimaateconoom Richard Tol, die zelf overigens hoofdauteur is van Werkgroep 2 voor het vijfde rapport. Tol had liever gezien dat het IPCC de productie van het vijfde rapport zou opschorten. Op de blog climategateril schreef hij:39 'Het IPCC zet het IAC voor het blok. De selectie van de auteurs is de belangrijkste stap. Het IAC heeft daarmee geen invloed op AR5 [het vijfde rapport], en we moeten tot AR6 (2021) [het zesde rapport] wachten.' Veel van de Climategate-hoofdpersonen werken weer mee aan het vijfde IPCC-rapport, met uitzondering van Jones, Mann en Briffa. Geen van de critici die in dit boek voorbij kwamen, is gevraagd om hoofdauteur van Wergroep 1 te worden. McKitrick verwacht in zijn bijdrage aan het IAC-onderzoek40 dan ook weinig van een volgend rapport volgens dezelfde procesgang: 'Het heeft weinig zin om het rapportüberhaupt te publiceren. Zodra de lijst van hoofdauteurs bekend is, kunnen we allemaal wel raden wat de conclusies zullen zijn.'


McKitrick heeft ook wel een idee waarom overheden, die dus nauwelijks commentaar leveren op het conceptrapport, toch met het rapport 'weglopen'. 'Het enige doel dat het rapport lijkt te dienen is dat milieudepartementen gevrijwaard zijn van de verantwoordelijkheid om op vragen van burgers in te gaan en dat ze zelf de wetenschap niet hoeven te beoordelen. Ze kunnen simpelweg verwijzen naar het IPCCrapport als het laatste woord over het onderwerp. Ik denk dat dit de belangen van de burger slecht dient en dat het legitieme discussie de kop indrukt.'



144 Is het IPCC nog te redden? Het IAC-panel onder aanvoering van Harold Shapiro kwam in augustus 2010 met forse kritiek op het IPCC naar buiten (zie ook kader 'IPCC moet op de schop'). Tegelijkertijd noemde het IAC het IPCC 'zeer succesvol'. Die dubbele boodschap biedt beide partijen in het klimaatdebat weer de gelegenheid om het IPCC te verdedigen dan wel te bekritiseren. Bedenk ook dat het IAC alleen naar de processen en procedures keek en dus niet onderzocht of de hoofdconclusies van het laatste IPCC-rapport nog overeind staan, zoals dit boek wel gedaan heeft. Aanhangers van het IPCC merken dus geregeld in de media op dat de hoofdconclusies van het IPCC nog overeind staan.


IPCC moet op de schop Het IAC-panel kwam in augustus 2010 met opvallend harde conclusies naar buiten.41 Veel van de problemen rond het IPCC-proces die in dit boek gesignaleerd zijn, werden ook door het IAC erkend en benoemd. Het IAC keek overigens alleen naar IPCC-processen en -procedures en onderzocht niet de kwaliteit van de wetenschap zelf. Het IAC kwam met een hele rits aanbevelingen, waarvan we er hier slechts een paar noemen. Het panel vindt dat de benoeming van hoofdauteurs niet transparant genoeg is en vindt dat er duidelijke criteria moeten komen op basis waarvan hoofdauteurs geselecteerd worden. Daar ben ik het mee eens, maar zelfs duidelijke criteria kunnen mogelijk niet voorkomen dat er te veel eensgezindheid is onder de auteurs. Je zult sceptici en alarmisten bij elkaar moeten zetten om tot een eerlijkere samenvatting van de literatuur te komen. Het IAC zegt daarover: 'Het instellen van teams van auteurs met verschillende opvattingen is de eerste stap om ervoor te zorgen dat de totale verscheidenheid aan opvattingen in ogenschouw genomen wordt.' Dit is in mijn ogen de belangrijkste constatering van het hele rapport, maar helaas is deze zin niet apart opgenomen als aanbeveling. De rol van de hoofdauteurs is cruciaal. Zij hebben in het huidige proces te veel macht en kunnen zich als 'gatekeeper' gedragen in plaats van 'honest broker'. Wat zegt het IAC daarover? Het IAC vindt dat hoofdauteurs mogen beslissen welke 'gezichtspunten' in het rapport besproken worden. Met andere woorden, ze mogen alternatieve gezichtspunten weglaten als ze dat willen. Daarmee ligt het gevaar van de hoofdauteur die gatekeeper wordt toch weer op de loer. Wel pleit het IAC ervoor dat alle relevante artikelen in een lijst van referenties opgenomen moeten en dat hoofdauteurs moeten uitleggen waarom ze tot hun conclusies zijn gekomen. Het IAC constateert dus dat het peer review-proces van het IPCC tekortschiet. Het doet echter geen aanbeveling om de expert reviewers meer invloed te geven. Het zoekt de oplossing meer in de rol van de review editors, de scheidsrechters die erop toe moeten zien dat het proces eerlijk verloopt. Zoals we zagen, stelde hun rol bij het vierde rapport niets voor. Het IAC vindt dat de review editors een samenvatting zouden moeten maken van de belangrijkste punten die door expert reviewers zijn ingebracht. De hoofdauteurs zijn vervolgens verplicht daarop in te gaan. Natuurlijk kan scherper toezicht van de review editors het proces verbeteren, maar waarom expert reviewers niet meer invloed geven? De rol van expert reviewer is nu behoorlijk frustrerend, omdat hoe valide je opmerkingen ook zijn, de hoofdauteurs ze mogen afwijzen. Ik zie dan ook meer in McKitricks voorstel om per hoofdstuk een aantal reviewers aan te wijzen, die pas akkoord gaan met een hoofdstuk als al hun bezwaren zijn opgelost. Een review editor zou in zo'n geval ingeschakeld kunnen worden als reviewers en hoofdauteurs er samen niet uit komen. Ondanks deze kritische noten snijden veel van de aanbevelingen van het IAC hout. Zo stelt het IAC dat er richtlijnen moeten komen over belangenverstrengeling: dat het IPCC zich in de communicatie naar buiten toe moet onthouden van pleitbezorging. Dat laatste is een directe tik


145 op de vingers van Pachauri, die veelvuldig beleidsuitspraken deed in de media. Ook vindt het IPCC dat de voorzitter slechts één termijn zou mogen zitten. Omdat Pachauri inmiddels aan zijn tweede termijn bezig is, werd deze aanbeveling door velen opgevat als een advies aan landen om Pachauri in oktober 2010 tijdens de jaarlijkse bijeenkomst te laten aftreden.


De alarmisten, die zich een tijdje opvallend gedeisd hebben gehouden (Al Gore was maandenlang van het toneel verdwenen), zullen uit hun holletjes kruipen en proberen hun machtsposities weer in te nemen. Vroeg of laat zullen de acties van klimaatalarmisten echter doodbloeden, domweg omdat hun verhaal te weinig substantie heeft en onder groeiende druk van diverse klimaatblogs en aandacht van mainstream media. Het einde van klimaatalarmisme kan echter nog een tijd op zich laten wachten en hangt van vele niet te voorspellen factoren af, bijvoorbeeld hoe de economie en het klimaat zullen evolueren en hoe snel fossiele brandstoffen op zullen raken. Er kan een moment komen dat politici hun belangstelling voor het onderwerp verliezen; onderzoeksfinanciering droogt op, en wetenschap en milieubeweging zullen hun vizier op iets anders gaan richten. Zo ging het ook met zure regen, dat milieuprobleem waardoor alle bossen in tien jaar zouden uitsterven. Het is mijn mening dat het klimaatdebat na Climategate nooit meer hetzelfde zal zijn als het klimaatdebat vóór Climategate. Maar alleen de toekomst kan leren of het daadwerkelijk een keerpunt in het debat is geweest.


Feit is -- en dat erkende IPCC-voorzitter Pachauri ook toen hij het IAC-panel te woord stond in Amsterdam42 -- dat het IPCC rekening moet houden met meer 'aanvallen' vanuit de media en de blogwereld. Pachauri zag als oplossing dat hij meer geld zou krijgen voor pr, zodat zijn organisatie beter kan reageren op brandjes. Maar dat is symptoombestrijding. Het IPCC zal zelf moeten gaan inzien dat het proces gebrekkig is en het eindproduct eenzijdig. Zolang dat niet gebeurt, zal de groep critici blijven groeien. Of zoals McKitrick schreef: 'Eén ontdekte fout, één gelekte e-mail of gemanipuleer met een grafiek en het hele rapport zal afgekraakt worden.' Het tijdschrift Nature vroeg begin 2010, vlak na alle commotie, aan enkele bekende internationale onderzoekers hoe het verder moet met het IPCC.43 John Christy pleitte voor een 'Wikipedia IPCC', waarbij groepen van vier tot acht hoofdauteurs, gekozen door bijvoorbeeld academies van wetenschappen, samenwerken rond specifieke thema's. Niet verrassend schreef Thomas Stocker, de Zwitser die nu de leiding heeft over Wergroep 1 van het vijfde rapport, dat er volgens hem weinig mis is met het IPCC. Hij noemde het IPCC extreem succesvol en beweerde ook dat het IPCC opereert als 'eerlijke makelaar'. Precies datgene wat het IPCC volgens John Christy juist niet is. De reactie van Stocker is het bewijs dat mensen hoog in de organisatie van het IPCC geen enkele reden zien voor drastische hervormingen. Ross McKitrick pleit wel voor drastische hervormingen.44 Hij heeft een model voor ogen dat veel meer lijkt op het peer review-proces van tijdschriften, waarbij reviewers veel meer zeggenschap krijgen. Twee derde van de reviewers moeten wat hem betreft uit vakgebieden ko- men die verder af staan van klimaat en weer, zoals wiskunde, statistiek, natuurkunde, technische wetenschappen, scheikunde, economie, biologie, geneeskunde en informatica. Dit moet zorgen voor meer onafhankelijkheid. Besluiten voor veranderingen in het IPCC-proces kunnen alleen genomen worden tijdens de jaarlijkse plenaire vergadering, waar alle deelnemende landen aanwezig zijn. De eerstvolgende bijeenkomst is in oktober 2010 in Zuid-Korea. Gezien het feit dat het vijfde rapport al in de maak is, liggen grote hervormingen op de korte termijn niet voor de hand. Het ligt wel voor de hand dat de deelnemende landen in Zuid-Korea diverse aanbevelingen van de InterAcademy


146 Council zullen overnemen. Of dit de uitkomst van het vijfde rapport sterk zal beïnvloeden, is de vraag. De hoofdauteurs hebben de belangrijkste stem in het IPCC-proces en die hoofdauteurs liggen al vast. Het merendeel van de critici die in die boek aan de orde kwamen, is op geen enkele manier meer betrokken bij het IPCC en het lijkt daarmee uitgesloten dat het vijfde rapport opeens heel gebalanceerd zal zijn.




147 HOOFDSTUK 8


Is het klimaatprobleem op te lossen? Dramatische uitspraken van het type 'het is vijf voor twaalf' verraden dat klimaatactivisten gefrustreerd zijn over de aanpak van het 'klimaatprobleem'. Die frustratie is begrijpelijk, want na twintig jaar onderhandelen is er wat betreft CO2-reductie nog niets bereikt. Het uitblijven van resultaten is echter niet veroorzaakt door een gebrek aan politieke wil of door twijfel zaaiende sceptici. Nee, het beleid waar in een vroeg stadium voor is gekozen, CO2-doelstellingen en CO2-emissiehandel, is totaal ongeschikt om CO2-emissies naar beneden te krijgen. Tevens moeten politici gaan inzien dat CO2-beleid niet hetzelfde is als klimaatbeleid. En dat aanpassing aan de mogelijke klimaatgevolgen (adaptatie) te prefereren is boven CO2-reductie (mitigatie). Als we desondanks toch onze CO2-uitstoot drastisch willen reduceren, is er een ongekende energierevolutie nodig, want bestaande technologieën zijn volstrekt ontoereikend. De overheid zal dan het voortouw moeten nemen bij die energierevolutie, door fors te investeren in onderzoek en ontwikkeling.


Er zullen ongetwijfeld lezers zijn die na het lezen van de voorgaande hoofdstukken bij zichzelf denken: 'Wat een soepzootje, er deugt helemaal niets van', om vervolgens tot de slotsom te komen dat het dus geen ene mallemoer uitmaakt hoeveel CO2 je uitstoot. Die mensen kan ik zeker wat betreft het eerste deel van hun redenering geen ongelijk geven. Het is inderdaad niet uitgesloten dat het 'klimaatprobleem' een 'schijnprobleem' is. En als er geen probleem is, waarom zou je dan zoeken naar een oplossing? Andere lezers zullen tot de tegenovergestelde conclusie komen. Ze zullen denken: 'Een kritische journalist heeft er alles aan gedaan om de zaak onderuit te halen, maar dat is mooi niet gelukt. Oké, er zijn dingen fout gegaan, zeker bij het IPCC, maar feit blijft dat CO2 een broeikasgas is en dat het de aarde zal opwarmen. Het kan meevallen met die opwarming, dat wil ik graag geloven, maar het kan ook tegenvallen. We moeten het zekere voor het onzekere nemen en de CO2-uitstoot terugdringen.' Die mensen kan ik wat betreft het eerste deel van hun redenering ook geen ongelijk geven. Dit boek heeft veel argumenten aangedragen die het broeikasbouwwerk niet steviger maken. Wetenschappers als Roy Spencer en Richard Lindzen menen dat het klimaat veel minder gevoelig is voor broeikasgassen dan het IPCC beweert en dat de opwarming daardoor beperkt kan blijven tot 0,5 graad, veel minder dan de 3 graden waarop het IPCC het houdt. Maar harde bewijzen hebben Lindzen en Spencer net zomin als het IPCC. Niemand, maar dan ook niemand kan voorspellen hoeveel opwarming CO2 in de toekomst zal veroorzaken. Beide reacties heb ik de afgelopen jaren veelvuldig gehoord in gesprekken met zowel wetenschappers als geïnformeerde leken, waarbij de tweede reactie -- we moeten het zekere voor het onzekere nemen -- overigens vaker voorkwam. Stel dat lezers uit de eerste categorie samen met die uit de tweede categorie ons klimaatbeleid voor de toekomst zouden moeten uitstippelen? Dat lijkt een vrijwel onmogelijke opgave, want de een ziet in CO2 geen probleem en wil er niets aan doen en de ander vindt CO2 wel een probleem en vindt dat we het aan toekomstige generaties verplicht zijn om de aarde goed achter te laten en dat we daarom zo snel mogelijk de CO2-uitstoot moeten terugdringen.


Levensfilosofie


148 Een eerste stap om uit deze patstelling te komen is dat beide groepen gaan beseffen dat 'de wetenschap' blijkbaar onvoldoende duidelijkheid biedt voor het nemen van beleidsmaatregelen. Immers, op basis van exact dezelfde wetenschappelijke kennis -- CO2 is een broeikasgas, maar we weten niet welk deel van de recente opwarming door CO2 komt en we weten ook niet hoeveel opwarming CO2 in de toekomst zal veroorzaken1 -- komen mensen tot heel verschillende conclusies over wat we moeten doen. Dit betekent dat niet de wetenschappelijke feiten maar andere factoren de doorslag geven bij hoe het beleid er volgens hen uit moet zien. Die andere factoren hebben te maken met iemands normen en waarden, maatschappelijke positie, karakter, religie, levensfilosofie, opvattingen over de wereld, politieke voorkeur, enzovoort. Neem karakter. Een persoon die graag risico's neemt in het leven, zal eerder geneigd zijn het mogelijke gevaar van CO2 voor lief te nemen. Iemand die overal gevaar ziet en zich ook op het persoonlijke vlak overal tegen verzekert, zal zich ook willen 'verzekeren' tegen de mogelijke nadelige gevolgen van broeikasgassen.


David Rind, de klimaatonderzoeker uit de groep van James Hansen in New York, merkte in het interview dat ik in 2009 met hem had zelf op dat hij nogal risicomijdend is. 'Ik ga altijd ruim van tevoren naar het vliegveld, bang als ik ben om in een file terecht te komen.' Rind vertelde dit in verband met zijn opvattingen over klimaat. Hij was heel relativerend over wat we van het klimaat begrijpen, week nauwelijks af van de opvattingen van een klimaatscepticus, maar zodra het over de 'onzekere' toekomst ging, sloeg hij als een blad aan een boom om. Hij is ervan overtuigd dat ons een en al ellende te wachten staat. Zoals hij bang is dat hij onderweg naar het vliegveld helemaal vast zal komen te staan, is hij ook bang dat het helemaal mis zal gaan met het klimaat. Ik heb gemerkt dat ook opvattingen over de aarde, milieu en natuur in het algemeen van grote invloed zijn op iemands klimaatstandpunt. Mensen die ervan overtuigd zijn dat ecosystemen (en daarmee ook Systeem Aarde) zich in een fragiel evenwicht bevinden, neigen doorgaans naar klimaatalarmisme. Wij verstoren immers met broeikasgassen dit fragiele evenwicht en dat moet wel fout gaan! Anderen zien het klimaat meer als een sterk gebufferd systeem. Natuurlijk, er zijn grote klimaatsprongen geweest in het verleden, maar in het algemeen is het klimaat juist heel stabiel. Over een tijdschaal van duizenden jaren schommelt de temperatuur hooguit 1 of 2 graden. Er moeten dus wel krachtige buffermechanismen werkzaam zijn. Dat beetje extra CO2 van ons kan het systeem best wel hebben, redeneren zij. Iemands maatschappelijke positie is ook van grote invloed. Als je onder aan de maatschappelijke ladder staat, is het 'klimaatprobleem' geen issue. Je hebt wel wat anders aan je hoofd. Deze houding vinden we (terecht) terug bij alle ontwikkelingslanden. Voor hen staat economische ontwikkeling voorop. Daarvoor is heel veel energie nodig en die energie komt nu nog grotendeels van fossiele brandstoffen. In het politieke onderhandelingsspel zullen deze landen niet erkennen dat ze het klimaatprobleem minder belangrijk vinden. Maar dat komt omdat ze uit zijn op compensatie. De redenering hierachter is dat het rijke Westen historisch gezien verreweg het meeste CO2 heeft uitgestoten en dus ook verantwoordelijk is voor het 'klimaatprobleem'. De ontwikkelingslanden zijn echter het kwetsbaarst voor klimaatverandering, zo wordt gesteld. Rijke landen zullen dus veel geld op tafel moeten leggen om de arme landen te helpen in hun strijd tegen de opwarming van de aarde.


Klimaat is een kerstboom Ook politieke voorkeuren zijn van invloed op iemands klimaatstandpunt. In de Verenigde


149 Staten is dat vanwege het tweepartijenstelsel het duidelijkst zichtbaar. Politiek gezien zijn de Republikeinen vrij sceptisch (zij zijn voor de vrije markt en weinig overheidsbemoeienis en dus tegen een klimaatbelasting) en de Democraten (onder wie Al Gore) meer alarmistisch ingesteld. Zo'n 80 procent van de Amerikaanse klimaatonderzoekers stemt op de Democraten. Die politieke keuze heeft invloed op de wetenschappelijke opvatting, vooral omdat het klimaat- onderzoek zo gepolitiseerd is, dat wil zeggen beïnvloed is door de politiek. Stel dat ik overtuigd Democraat ben, maar nog geen duidelijk standpunt heb over het klimaat. Ik bestudeer de voors en tegens van de broeikashypothese en kom tot de conclusie dat het eigenlijk wel mee valt met het klimaatprobleem. Maar ik weet ook dat als ik die gedachte publiekelijk zal uitdragen, dit 'voer voor de sceptici' zal zijn en dat het de Republikeinen in de kaart zal spelen. Ik sluit me daarom toch liever aan bij de mainstream opvatting dat CO2 een groot probleem is. Voor wie eraan twijfelt dat beïnvloeding vanwege politieke motieven bestaat, een voorbeeld van de blog van Roger Pielke jr., hoogleraar milieustudies aan de University of Colorado.2 Hij was gevraagd door een Republikeinse senator om te getuigen tijdens een hoorzitting. Pielke zei per definitie la' op zulke verzoeken, omdat je als wetenschapper daarmee iets terugdoet voor de belastingcenten waarvan je betaald wordt. Linkse bloggers schreven er kritisch over en enkele klimaatonderzoekers benaderden (achter zijn rug om) zijn universiteit met de mededeling dat Pielkes medewerking aan de hoorzitting 'de zaak' geen goed zou doen. Pielke werd door een van zijn meerderen uitgenodigd voor een lunch. Hij kreeg te horen dat hij beter kon afzien van deelname omdat dat slecht zou zijn voor zijn carrière. Pielke was verbijsterd en beriep zich op zijn academische vrijheid en zijn tenure (vaste aanstelling). Zijn collega krabbelde terug en bood zijn excuses aan. Maar wat nu als ik nog jong was geweest en nog geen vaste aanstelling had gehad, vraagt Pielke zich hardop af?


Klimaat, zo schrijft de Britse klimaatonderzoeker Mike Hulme, is niet alleen een fysisch fenomeen, het is steeds nadrukkelijker een maatschappelijk fenomeen. Hulme publiceerde in 2009 het boek Why We Disagree About Climate Change.3 Deze transformatie van een fysisch fenomeen, waaraan je kunt meten en dat je kunt kwantificeren, naar een maatschappelijk fenomeen leidt er mede toe dat we er samen niet uitkomen, aldus Hulme CO2 en klimaat zijn dan louter nog symptomen van dieperliggende 'kwalen' die de aarde en de mensheid teisteren. Voor een antiglobalist is het klimaatprobleem veroorzaakt door globalisering. Daardoor is immers een eindeloze stroom van mensen en goederen op gang gekomen, waarvoor heel veel energie nodig is. Antikapitalisten zullen de eeuwige economische groei de schuld geven, waarmee de vraag naar energie immers samen opgaat. Anderen zien in ontbossing de grootste boosdoener. Bij ontbossing komen immers grote hoeveelheden broeikasgassen vrij. Weer anderen zien het klimaatprobleem vooral als een uiting van de welvaartsverschillen tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Klimaat, vat Hulme samen, is een kerstboom geworden waaraan iedereen zijn favoriete kerstbal hangt.


Kopenhagen Nu zou je kunnen denken: hoe meer mensen klimaat als een probleem zien, hoe beter. Want het vergroot het draagvlak voor klimaatbeleid. In de praktijk lijkt die redenering echter niet op te gaan. Al die verschillende bewegingen die zich zorgen maken over 'het klimaat' en over 'de uitstoot van CO2' komen tijdens de jaarlijkse internationale klimaattop bijeen. Maar tot overeenstemming komt men niet, met als tragisch dieptepunt de klimaattop in Kopenhagen (2009) waar landen een opvolger voor het Kyoto-protocol hadden willen opstellen. Nu gaat het tijdens zo'n top natuurlijk over geld en macht en spelen geopolitieke overwegingen een belangrijkere rol dan de vraag hoe schadelijk CO2 is voor de wereld. Maar los daarvan zal


150 het niet helpen dat iedereen met een andere, vaak verborgen, agenda aan tafel zit.


Het simpelste voorbeeld is kernenergie. Bij kernenergie komt nauwelijks CO2 vrij en gezien de beperkte bijdrage die zonne- en windenergie op dit moment kunnen leveren aan de vermindering van CO2-uitstoot lijkt de bouw van kerncentrales op korte termijn de enige oplossing om toch aan de groeiende energiebehoefte te voldoen en tegelijkertijd minder CO2 uit te stoten. Er kleven natuurlijk nadelen aan kernenergie, zoals het afval en mogelijk misbruik van brandstof in de vorm van kernwapens, maar als je klimaat als een van de grootste bedreigingen voor de mensheid ziet, dan lijken zulke nadelen toch op te wegen tegen de voordelen. Maar de meeste stakeholders in het klimaatdebat wijzen deze 'oplossing' radicaal af omdat die niet 'duurzaam' zou zijn. Daarmee 'verraden' ze dat het 'oplossen van het klimaatprobleem' voor hen niet de hoogste prioriteit heeft, maar dat het ze voornamelijk gaat om een 'duurzame energievoorziening' (wat dat dan ook mag zijn). Hoe je in het klimaatdebat staat, bepaalt welke oplossing je acceptabel vindt. Een antikapitalist zal weinig zien in ondergrondse CO2-opslag. Die oplossing maakt het immers mogelijk om ongebreideld te kunnen blijven groeien en consumeren. We stoppen het probleem gewoon onder de grond. Een antikapitalist vindt dat het klimaatprobleem veroorzaakt is door het kapitalisme en zal pas tevreden zijn als er een nieuwe economische orde is die op andere leest geschoeid is. Een milieuactivist die vooral strijdt tegen ontbossing zal ook niet tevreden zijn met ondergrondse CO2- opslag, als de ontbossing ondertussen ongehinderd verder gaat. De constatering dat het klimaatdebat allang niet meer over klimaat alleen gaat maar over een breed scala aan onderwerpen, die te maken hebben met hoe we de toekomst van de aarde en zijn bewoners zien, is een eerste antwoord op de vraag of het klimaatprobleem op te lossen is. Als er geen overeenstemming is over wat 'het klimaatprobleem' is, dan is er ook geen oplossing voorhanden. Dit is een van de redenen waarom de klimaattop in Kopenhagen mislukt is en waarom toekomstige klimaatconferenties ook niet zullen 'slagen'. Maar er zijn meer redenen waarom de 'Kyoto-aanpak' niet heeft gewerkt en nooit zal werken. De laatste jaren is hier een groeiend aantal essays en wetenschappelijke artikelen over verschenen. De Britse onderzoekers Gwyn Prins en Steve Rayner publiceerden in 2007 het stuk 'The wrong trousers', waarin ze uitgebreid ingaan op het falen van Kyoto.4 Na Climategate en de mislukte klimaattop in Kopenhagen publiceerden Prins en Rayner, met een tiental andere onderzoekers, 'The Hartwell Paper, a new direction for climate policy after the crash of 2009'.5 Mike Hulme en Roger Pielke jr. schreven hier ook aan mee. En in september 2010 verscheen een nieuw boek van Pielke jr. getiteld The Climate Fix,6 dat beschrijft wat er allemaal fout gaat in het klimaatdebat en dat een eerste stap probeert te zetten op weg naar vooral een realistischer klimaatbeleid.


Terug naar Kyoto Wat is er mis met de Kyoto-benadering en waarom horen we daar zo weinig over? Eerst even een korte geschiedenis. Het IPCC werd in 1988 opgericht, met als doel onze kennis van het klimaat om de vijf jaar op een rijtje te zetten. Een paar jaar later, tijdens de eerste klimaattop in Rio de Janeiro in 1992, werd het zogenoemde klimaatverdrag opgesteld, het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC). Dit verdrag vormt tot op de dag van vandaag de basis voor internationaal klimaatbeleid. Doel van het verdrag is om de emissies van broeikasgassen te reduceren en daarmee ongewenste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. Vanaf 1995 zijn de landen vervolgens ieder jaar bij elkaar gekomen om te overleggen hoe ze 'de concentratie van broeikasgassen in de


151 atmosfeer op een zodanig niveau kunnen stabiliseren dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen'. In 1997 leidde deze aanpak tot het Kyoto-protocol. 'Kyoto' heeft echter wereldwijd gezien geen afname in emissies opgeleverd. De landen die er aan deelnamen (vooral Europese landen en Japan), deden het in die periode ook niet beter dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten, die het verdrag niet geratificeerd hadden. Los daarvan: ook als de Kyoto-doelstellingen gehaald zouden worden, zou het effect ervan op de wereldtemperatuur onmeetbaar klein zijn.7 Voorstanders zien Kyoto dan ook als een eerste, kleine stap op weg naar substantiële reducties in broeikasgassen.


Die substantiële afspraken hadden er moeten komen tijdens de klimaattop in Kopenhagen. De top mislukte volledig en het lijkt nu al uitgesloten dat er in december 2010 in het Mexicaanse Cancun wel een nieuw klimaatverdrag getekend zal worden. De auteurs van de Hartwell Paper, die overigens gewoon uitgaan van de consensus van het IPCC, stellen dat de Kyoto-aanpak fundamenteel fout is, omdat er te veel gefocust wordt op emissies en daardoor te weinig op het proces. Het gemakkelijkst is dit verschil te begrijpen aan de hand van de volgende vergelijking, die Pielke maakt in zijn boek The Climate Fix. Stel dat we er mondiaal naar streven de gemiddelde levensverwachting op aarde te verhogen van 69 nu, naar bijvoorbeeld 75 in 2030 en 85 in 2050. Dat klinkt als een ambitieuze maar lovenswaardige doelstelling Om dit mondiale gemiddelde te halen, gaan landen onderhandelen. Sommige landen, zoals Japan, hebben nu al een hoge levensverwachting. Het zal niet eenvoudig zijn om dit nog veel verder omhoog te krijgen. Afrikaanse landen zitten nu ver beneden het wereldgemiddeldeen kunnen grote stappen maken, maar het ontbreekt ze aan kennis en financiële middelen. Jaarlijks komen de landen bij elkaar om te onderhandelen over eerlijke doelstellingen voor alle afzonderlijke landen. Gaandeweg ontstaat het plan om een marktmechanisme in te voeren. Er wordt een prijs gezet op 'de dood'. Rijke landen kunnen extra 'doodsvergunningen' kopen door te investeren in de gezondheidszorg van arme landen, waar veel meer 'vooruitgang' te boeken is. Vervolgens wordt het aantal 'toelaatbare doden' geleidelijk aan naar beneden bijgesteld, waardoor landen geprikkeld zullen worden om de levensverwachting steeds verder te verhogen.


Niemand neemt zo'n plan uiteraard serieus. En het zou ook nooit kunnen werken. Ten eerste zullen landen eindeloos in de onderhandelingsfase blijven steken over welke doelstellingen eerlijk en realistisch zijn. Ten tweede zal, indien het plan toch wordt uitgevoerd, fraude en corruptie overal op de loer liggen en zal de aanpak tot ernstige humanitaire excessen leiden. Een consequentie zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat mensen die eigenlijk geen leven meer hebben zo lang mogelijk kunstmatig in leven gehouden worden, uit naam van het hogere doel, de hogere levensverwachting.


Deze aanpak werkt niet omdat er veel te veel gefocust wordt op het eindresultaat, de levensverwachting. In het rijke Westen is de levensverwachting de afgelopen eeuw spectaculair toegenomen zonder dat het ooit een doel op zichzelf was. Er was gewoon een enorme behoefte om ziektes te genezen, sterfte in het kraambed te verlagen, verkeersveiligheid te vergroten, enzovoort. Al die kleine verbeteringen bij elkaar hadden tot gevolg dat de levensverwachting nu flink hoger is dan een eeuw geleden. Bij het opstellen van klimaatbeleid is er vanaf dag één voor gekozen om de emissies van broeikasgassen als hoogste doel te stellen. Emissies zijn echter net als 'de levensverwachting', een gevolg van ons handelen. Gevolgen zijn altijd extreem moeilijk aan te pakken via beleid.


152 Net als bij het fictieve voorbeeld over de levensverwachting blijven landen eindeloos bakkeleien over wat een eerlijke doelstelling is voor welk land.


Emissiehandel Er is een marktmechanisme, emissiehandel, en er is ook een programma opgezet (het Clean Development Mechanism) waarmee rijke landen CO2-rechten kunnen kopen in landen waar CO2-reductie minder kostbaar is. Dit marktmechanisme is vooralsnog geen succes. De prijs is te laag om een echte prikkel te leveren voor CO2-reductie. En het Clean Development Mechanism (CDM) ligt al jaren onder vuur. De belangrijkste kritiek is de perverse prikkel die is ontstaan rond het broeikasgas HFK-23. Deze stof komt als bijproduct vrij bij de productie van het koelmiddel HCFK-22. HFK-23 is een broeikasgas dat bijna 12.000 keer zo sterk zou zijn als CO2. Westerse landen zijn verplicht de stof af te vangen, maar China en India zijn hiervan uitgezonderd. De perverse prikkel is dat Chinese en Indiase fabrikanten veel meer kunnen verdienen aan de verkoop van de emissierechten die gemoeid zijn met HFK-23 dan aan het hoofdproduct zelf. Er ontstaat dus een prikkel om steeds meer van dit bijproduct te produceren. Een substantieel deel van de investeringen is gaan zitten in het afvangen van HFK-23.


Maar ook als dit soort problemen opgelost zouden zijn, ben je er nog lang niet. Het marktmechanisme vereist dat per land (en zelfs nog gedetailleerder per energiecentrale, sector, enzovoort) de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen zeer precies bekend is. Daartoe blijken we echter nog niet in staat. Onlangs maakte de CO2 Scorecard Group bekend dat schattingen van de CO2-uitstoot van verschillende instanties, zoals oliemaatschappij BP en het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving, fors uiteenlopen.8 Voor de Verenigde Staten was het verschil in de schattingen groter dan de gewenste reductie. Deze vorm van 'klimaatbeleid' vereist een oneindig ingewikkelde boekhouding en gegeven de financiële belangen, liggen fraude en corruptie overal op de loer. In december 2009 maakte Interpol bekend dat er voor 5 miljard euro aan fraude was gepleegd binnen het Europese Emission Trading System (ETS).9 Criminelen kochten emissierechten in zonder btw te betalen, verkochten de rechten weer met btw en staken de btw vervolgens in hun zak. Tegen de tijd dat de belastingdienst aanklopte, waren ze gevlogen. Vijf miljard schade voor de Europese schatkist en het klimaat is er uiteraard niks wijzer van geworden. Kortom, praktisch gezien lijkt CO2-handel niet de juiste weg te zijn om CO2-emissies naar beneden te krijgen. Maar los van deze praktische tekortkomingen ligt er een fundamentele denkfout aan het huidige klimaatbeleid ten grondslag. En dat is dat CO2-beleid hetzelfde is als klimaatbeleid.


Wat? zo hoor ik u denken: CO2-beleid is toch hetzelfde als klimaatbeleid? Dat u dat denkt, is logisch, want de afgelopen twintig jaar hebben we via de media niets anders gehoord. Als we onze uitstoot nu maar drastisch weten te verminderen, dan kunnen we de opwarming van de aarde beperken tot 2 graden, zo luidt het verhaal. Deze 2 graden opwarming (waarvan we al 0,8 graden gehad hebben) is sinds jaar en dag de internationale doelstelling Alleen al de exactheid van het getal verraadt dat het een om politieke redenen gekozen waarde is. Maar het uitstoten van CO2 is niet de enige manier waarop de mens het klimaat beïnvloedt. Er is bijvoorbeeld groeiende aandacht voor de rol van roet. Er zijn andere aerosolen. Veranderd landgebruik heeft invloed en ook de verspreiding van stikstof, dat door het grootschalig gebruik van kunstmest flink is toegenomen. En wat te denken van waterbeheer? We houden met stuwdammen inmiddels zoveel water vast


153 op land, dat het effect heeft op de zeespiegel.10 Bodemerosie, nog zo'n menselijke invloed die regionaal grote gevolgen kan hebben, zoals verdorring en uiteindelijk verwoestijning. Vaak zijn de processen lokaal of regionaal, maar wat is nou belangrijk voor de burger, het mondiale of het regionale klimaat?


Adaptatie De aanname dat CO2-beleid gelijk is aan klimaatbeleid, ligt verankerd in de definities van het klimaatverdrag.11 Klimaatverandering is gedefinieerd als: die verandering in het klimaat, die is toe te schrijven aan een door de mens veroorzaakte veranderde samenstelling van de atmosfeer.12 Met de samenstelling van de atmosfeer wordt de concentratie van verschillende broeikasgassen bedoeld. De doelstelling van het klimaatverdrag is: 'Het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke verstoring van het klimaat wordt voorkomen.' Over andere invloeden op het klimaat, menselijk dan wel natuurlijk, wordt niet gesproken. Merk op dat er al in 1992 voor deze definitie gekozen werd. Het IPCC was nog maar net gestart en hard bewijs dat broeikasgassen de aarde aan het opwarmen waren, was toen nog niet voorhanden. Pielke jr. beschrijft in The Climate Fix dat deze smalle definitie van klimaatverandering bizarre consequenties heeft. Een van de gevolgen is bijvoorbeeld dat CO2-reductie (in beleidsjargon 'mitigatie' genoemd) altijd te prefereren is boven adaptatie. Immers, met mitigatie voorkom je klimaatverandering. Met adaptatie bedoelen we maatregelen waarmee je voornamelijk de schade van klimaatverandering probeert te beperken. Voorkomen is natuurlijk beter dan genezen en dus werd mitigatie (voorkomen) het toverwoord. Mitigatie kost weliswaar geld, maar levert in theorie 'klimaatwinst' op. Adaptatie kost geld maar levert 'niks' op. Met adaptatie probeer je alleen de 'klimaatverliezen' zo veel mogelijk te beperken.


Deze redenering zou nog zinvol zijn als er een overduidelijke relatie bestond tussen CO2 en klimaat. Maar zoals we hebben gezien, is het nog niet eens mogelijk om het effect van CO2 duidelijk terug te vinden in de mondiale temperatuur (hoewel het IPCC beweert dat dit bij de recente opwarming wel het geval is). De meeste 'klimaatschade' ontstaat bij extreme gebeurtenissen zoals orkanen en overstromingen. Zoals we in hoofdstuk 6 bespraken (zie pagina 181) is er geen relatie gevonden tussen de uitstoot van broeikasgassen en de (genormaliseerde) schade door orkanen en over- stromingen. De deskundigen verwachten die relatie ook de komende decennia niet te vinden. Binnen de definitie van het klimaatverdrag is dat heel vervelend, want als het niet aan broeikasgassen toegeschreven kan worden, dan heet het geen klimaatverandering. Dat betekent dandat zulke fenomenen buiten het bestek van het klimaatbeleid vallen! Iedereen met gezond verstand kan bedenken dat Pakistan er na de zware overstromingen van 2010 verstandig aan doet om het watermanagement te verbeteren. De neerslag die viel, was niet eens zo exceptioneel. Het is absurd om te veronderstellen dat als we nu maar CO2 reduceren, dit de Pakistanen niet meer zal overkomen. Toch zit die redenering ingebakken in de logica van het internationale klimaatbeleid Klimaatopinieleiders als Al Gore en Rajendra Pachauri en ook de milieubeweging hebben er hard aan gewerkt om deze logica erin te rammen. En dus moeten we de ijsbeer, maar ook vele andere diersoorten plots 'redden' via CO2-reductie. In hoofdstuk 6 lieten we zien dat deze redenering spaak loopt. Klimaat is slechts een van de vele factoren die een rol spelen bij de verspreiding en overleving van dieren plantensoorten en meestal niet de belangrijkste. CO2 is bovendien slechts een van de vele factoren die het klimaat beïnvloeden en 'het klimaat' is veel meer dan een mondiale temperatuur.


154 Kortom, het is zinloos en eindeloos inefficiënt om CO2 te zien als een magische knop waarmee je tal van processen op aarde zou kunnen sturen. Vermoedelijk tot ver in de volgende eeuw zullen we klimaatextremen niet kunnen toeschrijven aan broeikasgassen. En zelfs als we denken te kunnen aantonen dat een bepaald weersextreem vaker voorkomt of extremer is geworden, dan kunnen we hooguit een deel daarvan toeschrijven aan broeikasgassen. Je zou dan kunnen concluderen dat 2 procent van de schade van een orkaan door onze CO2-uitstoot veroorzaakt zou zijn. Fijn om te weten, maar ik denk dat bewoners van een door een orkaan getroffen stad meer baat hebben bij een optimale voorbereiding op de komst van een orkaan.


Tot ver in de eenentwintigste eeuw is er (en daarna waarschijnlijk ook) veel meer klimaatschade te voorkomen door adaptatie dan door mitigatie. Toch was adaptatie jarenlang taboe bij de internationale klimaatonderhandelingen (dit begint wel iets te veranderen). Het ging alleen maar over zoveel CO2-reductie in 2020 en zoveel in 2050, waarbij de beschuldigingen over en weer vlogen als landen niet 'ambitieus' genoeg waren in hun doelstellingen.


Klimaatprobleem is geen milieuprobleem Ten grondslag aan de rare gedachtekronkel dat we door CO2-reductie het klimaatprobleem kunnen 'oplossen', ligt het idee dat het 'klimaatprobleem' een 'milieuprobleem' is.13 Een typisch milieuprobleem is de uitstoot van een vervuilende stof, zoals zwaveldioxide, dat luchtver- ontreiniging en zure regen veroorzaakt. Een ander voorbeeld is de invloed van cfk's op de ozonlaag. Toen ontdekt werd dat cfk's (een koelmiddel dat in koelkasten werd gebruikt) mogelijk de ozonlaag afbraken, kwamen politici onmiddellijk in actie. Nog voordat er wetenschappelijke zekerheid was, waren cfk's al in de ban gedaan en vervangen door alternatieven. Daarmee was dit probleem in feite 'opgelost'.


Het succes van de uitbanning van cfk's stond model voor hoe we de CO2-uitstoot internationaal zouden kunnen aanpakken. Maar die vergelijking gaat mank. Om fundamentele en om praktische redenen. Eerst de fundamentele. Zelfs als we onze uitstoot van broeikasgassen tot nul weten te reduceren, is het klimaatprobleem niet opgelost. Wel binnen de smalle definitie van het UNFCCC, maar niet binnen de definitie die u en ik intuïtief van het klimaat hebben, namelijk allerlei weersextremen (hittegolven, strenge vorst, droogte, stormen, overstromingen, enzovoort) die ons kunnen overkomen. Die fenomenen kwamen al voor lang voordat wij broeikasgassen begonnen uit te stoten en zullen nog steeds voorkomen als we gestopt zijn met het uitstoten van broeikasgassen. Praktisch gezien was de uitbanning van cfk's een fluitje van een cent. Cfk's zijn door de mens gemaakte stoffen die niet van nature voorkomen. Er waren maar een paar fabrikanten in de wereld én er waren alternatieven voorhanden. Vergelijk dat eens met CO2. Ten eerste is het geen vervuilende stof in de zin dat het luchtverontreiniging veroorzaakt. Het is een stof die van nature voorkomt en die zelfs een essentieel onderdeel vormt van de levenscyclus. CO2-reductie leidt dus niet tot een schonere lucht, iets wat mensen zou kunnen motiveren. Ten tweede zijn er niet slechts een paar 'fabrikanten' in de wereld maar miljarden. CO2-uitstoot hangt nauw samen met welvaart. Want hoe welvarender we zijn, hoe meer energie we verbruiken en des te meer CO2 we dus uitstoten. Wie aan mijn CO2- uitstoot komt, komt derhalve aan mijn welvaart. Ten derde, niet onbelangrijk: er is op dit moment geen 'betaalbaar' alternatief voorhanden. Alle


155 niet-fossiele brandstoffen, met uitzondering van kernenergie, zijn fors duurder dan fossiele brandstoffen. CO2-reductie is daarmee duizelingwekkend veel moeilijker tot stand te brengen dan het verbieden van cfk's. Het klimaatprobleem is dus geen klassiek milieuprobleem. Het is veel beter te vergelijken met het drugsprobleem, of het armoedeprobleem, of terrorisme. Tegen dit soort problemen valt veel te doen, maar je bent nooit klaar. Het is een strijd die altijd doorgaat. Dit soort problemen zijn niet op te lossen, ze zijn hooguit goed te managen.


Oranje klimaatneutraal! Het Nederlands elftal was niet alleen heel succesvol tijdens het WK in Zuid- Afrika, het was ook nog eens klimaatneutraal! Of beter gezegd: CO2-neutraal. Alle CO2 die er vrijkwam door de reis en het verblijf van de spelers werd 'gecompenseerd' via drie duurzame projecten in Zuid-Afrika zelf Dat kunnen wij ook, dachten de golfers en daarom was het Dutch Open in 2010 ook klimaatneutraal georganiseerd. Er is klimaatneutraal bier, je kunt voor slechts 24 cent per deelnemer klimaatneutraal vergaderen en je kunt voor een paar euro klimaatneutraal vliegen. Amsterdam en Rotterdam willen de eerste klimaatneutrale steden worden in de wereld en Texel het eerste klimaatneutrale eiland. Wat zijn we goed bezig met z'n allen, het is een wonder dat de CO2-concentratie nog steeds stijgt in de wereld! Klimaatneutraal is synoniem aan CO2-neutraal. CO2 is echter slechts een van vele menselijke factoren die van invloed zijn op het klimaat en dus gaat de vergelijking in de praktijk niet op. CO2-compensatie vindt bovendien meestal plaats door bosaanplant. In hoofdstuk 5 (zie pagina 162) gaf ik aan dat de aanleg van een bos gevolgen kan hebben voor het klimaat en in theorie zelfs gepaard kan gaan met opwarming! Hoe sympathiek bedoeld ook, klimaatneutraal zijn is dus niet meer en niet minder dan de ecoreligieuze variant van de aflaat. In de middeleeuwen konden mensen hun zonden afkopen door geld te schenken aan de kerk. Nu kopen wij onze zonden (ons energieverspillende, decadente gedrag) af door wat geld te stoppen in een klimaatvriendelijk project. Ondertussen kunnen we vrolijk doorgaan met vliegen, ik bedoel zondigen. Milieu is uit, klimaat is hotter dan hot, schreef columnist Ewoud Sanders al in 2007 in NRC Handelsblad.14 Dat hebben de reclamejongens en -meisjes goed begrepen. Maar hij voorspelde ook de opkomst van een ander woord: klimaatmoe.


Simplificatie In zijn boek The Climate Fix schrijft Pielke jr. dat de focus zo op CO2 is komen te liggen, omdat het onderwerp anders te ingewikkeld zou worden voor de politiek. Dat zou goed kunnen; en belangrijker, die strategie is ontzettend succesvol geweest. Ik denk dat de wetenschappers, beleidsmakers en milieuorganisaties van het eerste uur niet hadden durven dromen dat het onderwerp zo hoog op de internationale agenda zou komen te staan. Maar voor de oversimplificatie die nodig was om dat te bewerkstelligen, betalen we nu met z'n allen de prijs. Die prijs is internationaal klimaatbeleid dat gedoemd is te mislukken. Baat het niet, het schaadt ook niet, kunt u nog denken. Maar die vlieger gaat niet op. Als de wereldleiders twintig jaar geleden massaal hadden gestemd voor adaptatie, dan waren we nu veel en veel verder geweest in onze 'strijd' tegen klimaatverandering. Maar helemaal eerlijk is die gedachte niet, want zonder de apocalyptische dreiging van opwarming door CO2 was het onderwerp klimaat helemaal nooit op de internationale agenda terechtgekomen.


De laatste jaren zwelt de retoriek rondom het klimaatprobleem aan. Het zou de grootste


156 bedreiging ooit zijn voor de mensheid. De klimaatverandering zou zich almaar sneller voltrekken. Het zou vijf voor twaalf zijn. Maar altijd volgt daar achteraan dat het nog niet te laat is. Dat als we nu beginnen er nog iets aan te doen valt. Deze retoriek zal ongetwijfeld uit frustratie zijn voortgekomen. Frustratie dat we er maar niet in slagen de CO2-uitstoot een halt toe te roepen. Misschien komt de boodschap niet door, zullen pleitbezorgers gedacht hebben. En daarom deden ze er nog een schepje bovenop, en nog een. Tijdens de opening van de klimaattop in Kopenhagen werd een film vertoond van een jong meisje met knuffel, dat de ene na de andere natuurramp voor haar kiezen kreeg.15 'Help de wereld redden,' riep het meisje aan het eind van het promotiefilmpje. Er is nog geen relatie gelegd tussen broeikasgassen en natuurrampen. Toch wordt dit apocalyptische beeld schaamteloos opgevoerd. Mike Hulme schreef een paar jaar geleden over deze tendens:16 'De taal van catastrofes is niet de taal van wetenschap... Stellen dat klimaatverandering catastrofaal zal zijn, veronderstelt een hele reeks waardegebonden aannames die niet voortkomen uit empirische of theoretische wetenschap.' Hulme zegt, met andere woorden, dat wetenschappers die zich bedienen van dergelijke doembeelden zijn gestopt wetenschapper te zijn


Pielke beschrijft in The Climate Fix trouwens dat de boodschap wél al ruimschoots is doorgekomen. Peilingen over klimaat zijn de afgelopen twintig jaar heel constant. Er is niet minder steun voor klimaatbeleid dan er in het verleden was voor ander milieubeleid. Wel is het zo dat klimaat relatief laag scoort als je het vergelijkt met andere politieke onderwerpen als economie, werkgelegenheid, gezondheid, veiligheid enzovoort. Een logisch gevolg is dat mensen niet bereid zijn om veel geld bij te dragen aan 'het klimaat'. Bij 80 dollar per jaar was er in een peiling een meerderheid voor klimaatbeleid. Bij 175 dollar zakte de steun met de helft en bij 770 dollar per jaar waren er tien keer zoveel tegenstanders als voorstanders. Maar er is dus 'steun' voor klimaatbeleid. Het bang maken van burgers met apocalyptische beelden voegt daar weinig aan toe en zal op termijn averechts werken.


Verharding De frustratie over het uitblijven van effectief CO2-beleid heeft ook geleid tot een verharding van het klimaatdebat tussen alarmisten en sceptici. Die vermaledijde sceptici blijven maar twijfel zaaien en belemmeren daardoor het beleid, is dan de gedachte. Niet alle 'sceptici' in dit boek uiten zich er openlijk over of ze CO2-reductie wel of niet zien zitten. Sommigen, zoals Fred Singer, Patrick Michaels, Willie Soon en Roy Spencer laten wel doorschemeren dat ze niks zien in CO2-reductie. Anderen, zoals Roger Pielke sr. en zijn zoon Roger Pielke jr. zijn niet tegen CO2-reductie (zij vinden zichzelf overigens ook geen sceptici). En Stephen McIntyre (die zichzelf ook geen scepticus noemt) is er nog niet uit of CO2 nou wel of niet 'een probleem' is, en onthoudt zich verder van commentaar.


Hoe dan ook, met hun felle aanvallen op sceptici wekken alarmisten de indruk dat er unanimiteit in de wetenschap nodig zou zijn om politiek beleid tot stand te brengen. Opnieuw een misvatting. Als dat zo zou zijn, dan zouden politici geen enkele beslissing meer kunnen nemen. Ook wordt sceptici vaak verweten dat ze eerst 100 procent zekerheid zouden willen hebben, alvorens beleid te steunen. Er wordt dan gewezen op de 90 procent zekerheid van het IPCC dat de mens de aarde heeft opgewarmd. Hoeveel zekerheid heb je nodig voordat je accepteert dat we een probleem hebben? wordt de scepticus dan gevraagd. De scepticus heeft echter niet meer dan 90 procent zekerheid


157 nodig; de scepticus accepteert die 90 procent van het IPCC helemaal niet! Binnen elke wetenschappelijke discipline, hoe onbelangrijk ook voor de maatschappij, is er wel strijd tussen verschillende stromingen. In het klimaatonderzoek is deze strijd echter volledig ontspoord vanwege de verregaande politieke consequenties. Het IPCC heeft daarbij een sleu- telrol gespeeld.


Volgens het klimaatverdrag uit 1992 vallen namelijk alleen die veranderingen die het gevolg zijn van menselijke broeikasgassen onder de noemer 'klimaatverandering'. Dat betekent dat politiek beleid alleen nodig is als de rol van broeikasgassen op het klimaat aangetoond kan worden. Hoewel het IPCC een bredere definitie van klimaat hanteert, heeft de definitie in het klimaatverdrag een enorme invloed gehad op de IPCC-rapporten. Het was en is immers aan het IPCC om met het wetenschappelijke bewijs te komen dat de mens de aarde opwarmt. Dat bewijs diende nu heel specifiek te zijn: leiden menselijke broeikasgassen tot een 'gevaarlijke verstoring'17 van het klimaat? De druk die het IPCC gevoeld moet hebben vanuit het UNFCCC kan verklaren waarom ook het IPCC zo gespitst is op het effect van broeikasgassen en waarom het andere menselijke invloeden, zoals landgebruik, negeert. En waarom het IPCC, tegen alle wetenschappelijke bewijzen in, beweert dat er een 2 procent toename van schade is door orkanen als gevolg van broeikasgassen (zie pagina 182). En waarom er binnen de IPCC-rapporten zo de nadruk wordt gelegd op de nadelen van potentiële klimaatverandering. Terwijl het blikveld van het IPCC vernauwde als gevolg van de smalle definitie van klimaat in het klimaatverdrag, hechtten de politiek en de maatschappij steeds meer waarde aan de IPCC-rapporten. Discussies over klimaat werden niet meer gevoerd. Er werd simpelweg gewezen op het laatste IPCC-rapport, dat de consensus zou vertegenwoordigen onder duizenden wetenschappers. Het Rathenau Instituut publiceerde in 2010 het rapport 'Ruimte voor klimaatdebat'.18 De auteurs constateren dat het klimaatdebat onvoldoende gevoerd is in de Nederlandse politiek door sterk te leunen op het IPCC: 'Analyse van de parlementaire debatten over de laatste twintig jaar laten zien dat de IPCC-rapporten continu worden ingezet om het politieke debat in te perken.'


IPCC-rapporten behoren beleidsrelevant te zijn en beleidsneutraal. In de praktijk zijn ze geïnterpreteerd of gebruikt als heel leidend. Alsof de wetenschap -- lees het IPCC -- het beleid zou voorschrijven. Als gevolg hiervan is het klimaatonderzoek volledig gepolitiseerd. Of, zoals het Rathenau-rapport het verwoordde: 'Doordat de politiek de IPCCrapporten zo'n centrale rol heeft gegeven, is het politieke conflict over klimaatverandering en de onderliggende ideologische tegenstellingen diep in het veld van de klimaatwetenschap zelf doorgedrongen. Anders gezegd: politieke invloed uitoefenen kan thans het effectiefst via de klimaatwetenschap. Met de IPCC-rapporten in de hand claimen voorstanders van klimaatbeleid een voorkeurspositie in het debat. Tegenstanders proberen het politieke debat juist open te breken door onzekerheden en onvolmaaktheden in de klimaatwetenschap uit te vergroten.' Wetenschappers kregen dus via de IPCC-rapporten ongekende kansen om invloed uit te oefenen op het klimaatbeleid. Dit kan verklaren waarom het IPCC vaak meer zekerheid claimt dan wetenschappelijk verantwoord is, zoals bij de hockeystick gebeurde, bij de schade door orkanen, en ook bij de claim dat het 90 procent zeker is dat de mens de aarde opwarmt.


Het werd bovendien des te belangrijker om wetenschappelijke klimaatscepsis de kop in te drukken, ook in de wetenschappelijke literatuur Want dergelijke wetenschappelijke scepsis zou direct van invloed kunnen zijn op het beleid.


158 Na Climategate en de fouten in het IPCC-rapport lijken steeds meer wetenschappers en politici in te zien dat dit niet de juiste weg is. Door de politisering van de wetenschap bestaat immers het gevaar dat de (zo noodzakelijke) kennis waarop beleid gebaseerd moet zijn, steeds onbetrouwbaarder wordt. Er is echter nog een lange weg te gaan. Sceptici komen moeilijker aan financiering19 en hebben grote moeite hun artikelen gepubliceerd te krijgen.20 Richard Lindzen schreef in 2008 een interessant essay over de erbarmelijke situatie in de klimaatwetenschap, getiteld 'Climate science: Is it currently designed to answer questions?'21 Voor de duidelijkheid, dit is een retorische vraag en het antwoord is 'nee'. De kern van het probleem wortelt volgens Lindzen nog dieper dan hierboven al geschetst en komt voort uit de manier waarop wetenschap tegenwoordig wordt gefinancierd en georganiseerd. 'Als een onderwerp van vitaal belang wordt voor een politieke agenda, zoals bij klimaat het geval is, dan wordt het politiek gewenste standpunt een doel op zichzelf in plaats van een gevolg van wetenschappelijk onderzoek,' schrijft Lindzen.


Energie Oké, nu weet ik het zeker, hoor ik u denken. CO2 reduceren heeft echt geen enkele zin. Niet alleen heeft het IPCC ons oneerlijk voorgelicht en eraan bijgedragen dat de klimaatwetenschap gepolitiseerd is; de beleidsmakers zijn ook nog eens totaal op het verkeerde spoor geraakt met hun klimaatbeleid. Het is een belangrijke constatering dat het klimaat- alias CO2-beleid niet mislukt is omdat er te weinig draagvlak voor zou zijn, maar omdat het gewoon 'verkeerd' beleid was en is. Zelfs als de inzichten van het IPCC keihard bewezen zouden zijn, dan nog zou dit beleid niet werken.


Dit betekent echter niet dat CO2-reductie geheel van de baan is. De auteurs van de Hartwell Paper zijn zeer kritisch over het tot nu toe gevoerde beleid, maar willen wel degelijk dat er effectief beleid komt om de uitstoot van CO2 te beperken. Ze gaan echter wel uit van radicaal andere uitgangspunten dan tot nu toe zijn gehanteerd. Misschien wel het belangrijkste streven is dat iedereen in de wereld toegang krijgt tot energie. Nu is dat nog niet het geval. Zo'n 1,5 miljard mensen beschikken niet over elektriciteit. Vlak voor de klimaattop in Kopenhagen presenteerde het International Energy Agency een door milieuorganisaties geprezen plan om klimaatverandering te bestrijden.22 Volgens dit plan zitten in 2030 echter nog steeds 1,3 miljard mensen in het donker. Hier zie je opnieuw de invloed van het denken in termen van emissies. Mensen geen toegang geven tot elektriciteit zal helpen bij het beperken van CO2-emissies. Maar is dit ethisch verantwoord? De auteurs van de Hartwell Paper draaien de redenering om. Het streven is om iedereen toegang te geven tot (goedkope) energie. Daarbij is het van belang dat we aan die energievraag kunnen voldoen, terwijl Systeem Aarde kan blijven functioneren. Hieronder valt (ook) CO2-reductie. Ten derde, schrijven de auteurs, is het streven dat landen voldoende voorbereid zijn op de risico's en de gevaren van allerlei mogelijke klimaatextremen, wat de oorzaak dan ook is. Adaptatie dus. Mooie ronkende taal, maar waarom zouden deze uitgangspunten beter werken dan het uitgangspunt dat tot nu toe de boventoon voerde, namelijk het beperken van emissies? De Hartwell-auteurs denken dat deze aanpak meer succes kan hebben omdat er gefocust wordt op voordelen. Tot nu toe werd het klimaatprobleem altijd geplaatst in de context van 'zondigheid'. De zondige, energieverspillende mcms heeft het 'klimaatprobleem' veroorzaakt. Deze aanpak heeft gefaald en zal blijven falen, vinden ze.


In de aanpak van de Hartwell-auteurs komen uiteraard geen emissiedoelstellingen meer voor.


159 Dat zal even wennen zijn voor een doorgewinterde klimaatactivist. Die zal het Spaans benauwd krijgen bij het idee dat er niet een of ander plafond is afgesproken. Maar het punt is nu juist dat er na twintig jaar praten over plafonds nog niets gebeurd is met de CO2-uitstoot. Onze levensverwachting is toegenomen doordat we allerlei mogelijke ziektes zijn gaan bestrijden, betere hygiëne kregen en onze omgeving veiliger zijn gaan maken. Elke afzonderlijke stap was voordelig voor de bevolking. Er waren kortetermijnvoordelen en op lange termijn leidde dit tot een hogere levensverwachting. Succesvol beleid kan er alleen komen als er kortetermijnvoordelen zijn en niet alleen maar 'opofferingen' met vage voordelen in de verre toekomst in het vooruitzicht. Toegang krijgen tot energie is een direct voordeel. Adaptatie is een direct voordeel dat mensen beter kan be- schermen tegen weersextremen. De komende decennia is er meer, veel meer energie nodig. De wereld verbruikt nu jaarlijks 500 quad 23 aan energie. Een quad komt overeen met een jaar lang 11 gigawatt aan elektrisch vermogen opwekken. Of, uitgedrukt in elektriciteitscentrales, het energieverbruik van vijftien typische centrales met elk een vermogen van 750 megawatt. De Verenigde Staten en China verbruiken nu elk 100 quad, de rest van de wereld de overige 300. Van die 500 wordt 52 quad 'duurzaam' geproduceerd. Dat lijkt best veel, maar 50 van die 52 quad betreft waterkracht. Slechts 2 quad is afkomstig van wind, zon en biomassa. Een groei van de energievraag met 1,5 procent levert een vraag op van bijna 700 quad in 2030; met een groei van 2 procent is het al 750 quad. Groeien tot 750 quad betekent dat er 3700 (!) nieuwe elektriciteitscentrales nodig zijn in 2030. En de vraag zal ook daarna blijven stijgen.


De Hartwell-auteurs gaan ervan uit dat er diversificatie van de energievoorziening nodig zal zijn om aan deze groei te kunnen voldoen. Diversificatie betekent volgens hen vrijwel automatisch decarbonisatie, en daar zit dan de mogelijkheid om de CO2-uitstoot enigszins te beperken. Decarbonisatie (carbon is koolstof) houdt in het verlagen van de CO2-uitstoot per hoeveelheid energie. Grote economieën in de wereld decarboniseren al enkele decennia. Dat houdt in dat de CO2-uitstoot minder stijgt dan het bruto nationaal product. Dat gebeurde 'spontaan' (dat wil zeggen zonder specifiek beleid) doordat allerlei processen efficiënter werden en doordat economieën meer geld verdienen in de dienstensector dan in de industrie. Maar in The Climate Fix laat Pielke zien dat het ten eerste zeer de vraag is of die 'spontane' decarbonisatie zal doorzetten, en ten tweede dat áls de trend zich toch doorzet, het bij lange na niet genoeg is. Alle economieën in de wereld zullen sneller dan ooit tevoren moeten gaan decarboniseren en niemand weet hoe dat moet, aldus Pielke.


Misverstanden over technologie Een van de grote misverstanden rondom klimaatbeleid is dat de technologie om CO2 te reduceren al beschikbaar zou zijn. Deze mythe wordt door Al Gore, Pachauri24 maar ook door diverse wetenschappers en het IPCC in stand gehouden. Pielke publiceerde samen met Tom Wigley en Chris Green in 2008 een commentaar in Nature getiteld 'Dangerous assumptions'25 Daarin laten ze zien dat het IPCC in de scenario's voor toekomstige CO2-emissies een historisch gezien ongekende mate van 'spontane' decarbonisatie had ingebouwd. Het IPCC neemt aan dat maar liefst 57 tot 96 procent van de CO2-reductie die nodig is om de CO2-concentratie te stabiliseren op 500 ppm, vanzelf zal plaatsvinden. De resterende uitdaging blijkt dan opeens prima te tackelen met bestaande technologieën en technieken die de komende decennia beschikbaar zullen komen. De aanname van het IPCC is 'gevaarlijk' omdat voor 'spontane' decarbonisatie wel degelijk concrete technologie nodig is.



160 Hoe groot de uitdagingen zijn waarvoor we staan wordt goed zichtbaar als we de ambitieuze doelstellingen van diverse landen vertalen naar concrete maatregelen. Groot-Brittannië wil in 2022 de CO2-uitstoot met maar liefst 34 procent verlaagd hebben ten opzichte van 1990 en met 80 procent in 2050. Om op koers te blijven zou het land in 2015 veertig nieuwe kerncentrales operationeel moeten hebben, ter vervanging van kolen- en gascentrales. In 2030 zou de elektriciteitsvoorziening al volledig gedecarboniseerd moeten zijn. De UK Climate Change Act, waarin de doelstellingen zijn vastgelegd, is al bij voorbaat mislukt, schrijft Pielke in zijn boek. Japan maakte in 2009 bekend 15 procent reductie te willen bewerkstelligen in 2020. Japan werd bekritiseerd om deze 'weinig ambitieuze doelstelling', onder anderen door Yvo de Boer, de Nederlander die jarenlang een sleutelrol vervulde tijdens klimaatonderhandelingen als hoofd van de United Nations Framework Convention on Climate Change.26 Maar Pielke laat in zijn boek zien dat de Japanse doelstelling een mate van decarbonisatie impliceert, die in geen enkel land ter wereld is waargenomen. De Verenigde Staten onderhandelen nog of de nationale doelstelling 14 of 17 procent afname zal zijn in 2020 ten opzichte van 2005. De route die Amerika daarmee inzet, zou het land in 2026 Op hetzelfde niveau moeten brengen als Frankrijk nu. Frankrijk heeft de laagste CO2-uitstoot per eenheid van bruto nationaal product, omdat 80 procent van de elektriciteit opgewekt wordt door kerncentrales. Amerika zal zo snel mogelijk een groot deel van de elektriciteit die nu opgewekt wordt door kolencentrales moeten vervangen door kerncentrales. Dat komt volgens Pielke neer op zo'n 190 nieuwe kerncentrales in 2026! Maar de energievraag blijft groeien en aan die vraag moet ook voldaan worden met CO2-vrije technologie. Een groei van de energievraag met 0,5 procent zou het totaal aantal benodigde kerncentrales al op 340 brengen. Uitgedrukt in windenergie komen de Amerikaanse doelstellingen neer op het bouwen van 200.000 windmolens met een vermogen van 2,5 megawatt in 2020.


Kortom, de simpele realiteit is dat er aan de internationale onderhandelingstafel ambitieuze doelstellingen geëist worden die in de praktijk volstrekt onrealistisch zijn. Het is dus weinig meer dan holle retoriek. Het tempo van decarboniseren zou een aantal maal hoger moeten lig- gen dan waar dan ook ter wereld de afgelopen decennia is waargenomen. Zelfs als de hele wereld vandaag massaal zou overstappen op kernenergie, zijn de doelstellingen onhaalbaar. Met alternatieven als zonne-energie, windenergie en biomassa zal de groeiende energievraag al helemaal niet opgevangen kunnen worden. Er is simpelweg een energierevolutie nodig om aan de vraag te kunnen blijven voldoen en tegelijkertijd de mondiale economie te decarboniseren. De Hartwell-auteurs stellen dat zo'n energierevolutie niet spontaan op gang zal komen in de vrije markt. Investeringen in Research & Development (R&D) zijn dramatisch laag in de energiesector in vergelijking met bijvoorbeeld de farmaceutische industrie of de ICT. Dat heeft allemaal verklaarbare redenen. Energie is goedkoop en de gebruiker kan het weinig schelen door welke bron z'n stroom opgewekt is. De investeringen in kapitaal zijn zo groot dat het voor private investeerders te risicovol is om een nieuwe techniek in de markt te zetten. De bestaande alternatieve energiebronnen zijn ook allemaal ontwikkeld in de publieke sector. De investeringen in energie-R&D zullen dus fors en structureel omhoog moeten. In de Hartwell Paper wordt voorgesteld om dit te financieren met een koolstofbelasting. Die belasting zou aan de bron geheven moeten worden, dus bij de bedrijven die fossiele brandstoffen uit de grond halen. En die koolstofbelasting zou zo hoog moeten zijn als politiek haalbaar is. In de praktijk komt dat waarschijnlijk neer op laag beginnen en gaandeweg de belasting opvoeren. Het geld dat je met de belastingmaatregel ophaalt, moet dus volledig in


161 overheidsgefinancierde energie-R&D gestoken worden. En de overheid zal ook een early adaptor moeten zijn; dat wil zeggen, zelf een afnemer moeten worden van de nieuwe ener- giebronnen. Alleen dan heeft de energierevolutie een kans van slagen, aldus de Hartwell-auteurs.


Het is onvermijdelijk dat de CO2-uitstoot nog decennialang zal blijven stijgen. Dit boek heeft duidelijk proberen te maken dat het nog lang niet zeker is dat die CO2-toename forse opwarming tot gevolg zal hebben, laat staan dat het zal leiden tot een klimaatcatastrofe. Dat is goed nieuws, want er is tijd nodig om de energievoorziening revolutionair te veranderen. Die tijd zal dan wel goed benut moeten worden. Politici en lobbyorganisaties zullen snel moeten inzien dat het tot nu toe gevoerde 'klimaatbeleid' volledig op een dood spoor zit. Wie het beste voor meent te hebben met 'het klimaat', zal moeten inzetten op adaptatie in plaats van mitigatie. En tegelijkertijd zullen er snel substantiële overheidsfondsen moeten komen voor de ontwikkeling van nieuwe goedkope energietechnieken, waarbij minder CO2 vrijkomt. Die politieke en maatschappelijke omslag zal nog lastig genoeg zijn omdat er inmiddels enorme gevestigde belangen zijn, niet in de laatste plaats vanwege de vele miljarden die al omgaan in emissiehandel. Klimaat en energie zijn, hoewel enigszins met elkaar verbonden, twee heel verschillende onderwerpen. Het 'klimaatprobleem' is, als het al bestaat, niet op te lossen omdat het klimaat er altijd zal zijn en ons altijd voor verrassingen zal plaatsen. Het 'energieprobleem' is mogelijk wel oplosbaar, in de zin dat we hopelijk ooit betaalbare alternatieven ontwikkeld hebben om de gehele wereldbevolking van energie te kunnen voorzien. Maar iedereen die ons voorhoudt dat we alle technologie al voorhanden hebben om die energierevolutie tot stand te brengen, leeft óf in een fantasiewereld óf probeert ons bewust voor het lapje te houden. Welk van de twee het ook is, uitdagingen kleiner voorstellen dan ze in werkelijkheid zijn, zal niet bijdragen aan de oplossing.




162 Dankwoord Ik wil de tientallen onderzoekers danken die uren van hun tijd vrijmaakten om met mij te praten over het klimaat. Dankzij die interviews ging ik langzaamaan begrijpen waarom de ene wetenschapper er heilig van overtuigd is dat de aarde de komende eeuw fors zal opwarmen, terwijl de ander denkt dat het reuze mee zal vallen.


Eén onderzoeker, met wie ik uren en uren gediscussieerd heb over het klimaatdebat en zonder wiens hulp ik het boek niet had kunnen schrijven, zou ik graag in het bijzonder willen bedanken. Helaas is het debat op dit moment nog zo gepolariseerd dat hij er de voorkeur aan geeft om anoniem te blijven. Hopelijk draagt dit boek bij aan een meer open debat waarin wetenschappers zich vrijer voelen om kritiek te uiten op de mainstream visie.


Ik wil het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten bedanken voor hun financiële steun. Ook het prijzengeld van de Glazen Griffioen gaf een belangrijke impuls. Het is jammer dat deze aanmoedigingsprijs na een paar jaar alweer is opgeheven, want voor mij was het zeker een aanmoediging om verder te gaan op de ingeslagen weg.


Hajo Smit en Rypke Zeilmaker wil ik bedanken voor de samenwerking rond climategate.nl en het boek. We begonnen samen aan het boek, maar gaandeweg werd duidelijk dat ik mijn oorspronkelijke idee voor een boek gewoon zo snel mogelijk moest gaan afronden. Rypke heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan hoofdstuk 6.


Maarten Carbo, de uitgever van Paradigma, wil ik bedanken voor het uitstippelen van de goede koers. Hij zag ook op het juiste moment in dat er een eindredacteur moest komen die het kaf van het koren ging scheiden. Dat werd vriend en collega Peter Baeten. Dankzij Peter is de afronding van het boek in een stroomversnelling gekomen.


Boven alles gaat mijn dank ten slotte uit naar Janneke. Een boek schrijven komt nooit gelegen, benadrukte de uitgever geregeld. Maar een boek schrijven met twee jonge kinderen thuis is een gigantische klus. Omdat jij ook voor honderd procent achter het project stond, is het er gekomen.


Tibbe en Lotta, jullie aanwezigheid zorgde voor ontspanning en de broodnodige relativering.


Marcel Crok




163 Noten Alle noten zijn, voor zover er weblinks in vermeld staan, aan te klikken op de homepage van het boek www.staatvanhetklimaat.n1


Hoofdstuk 1: Is de wetenschap er nu echt uit? 1 http: / /en.wikipedia.org /wild /Denialism. 2 www.prospectmagazine.co.uk/2010/01/words-that-think-for-us-3. 3 Het is populair geworden om in plaats van 'CO 2-uitstoter' te spreken van `CO2-vervuiler'. De term CO2-vervuiler is echter misleidend omdat het suggereert dat CO2 net als zwaveldioxide of stikstofoxiden de lucht vervuilt. CO2 is geen luchtvervuiling. CO2 is een natuurlijk gas dat een belangrijke rol speelt in de levenscyclus. Planten zetten CO2 met zonlicht om in koolhydraten. Daarbij wordt zuurstof geproduceerd. De bezorgdheid voor CO2 is puur gebaseerd op de hypothese dat een snelle toename van de CO2-concentratie de aarde drastisch zou kunnen opwarmen. Een tweede zorg, die de laatste jaren in opmars is, is dat de CO 2-toename zal leiden tot verzuring van de oceanen. Op die vermeende oceaanverzuring en de mogelijke gevolgen daarvan komen we terug in hoofdstuk 6. 4 De Nederlandse Wikipedia heeft een artikel over Climategate: http:// ril.wikipedia.org/wiki/Climategate. In de Engelse Wikipedia heet het artikel over Climategate echter Climate Research Unit email controversy: http://en.wikipedia.org/wiki/Climatic_Research_Unit_email_controversy. Waarbij Climategate wel direct daarna tussen aanhalingstekens vermeld staat als zijnde de naam die 'de media' eraan gegeven hebben. Deze eufemistische benaming verraadt de enorme strijd die ook op Wikipedia gaande is rond het klimaatdebat. De Canadese journalist Lawrence Solomon schreef in december 2009, dus na Climategate, een artikel over 'Wikipedia's Climate Doctor', de Britse onderzoeker William Connolley (http://network.nationalpost.com/np/blogs/fpcomment/ archive/2009/12/19/lawrence-solomon-wikipedia-s-climate-doctor. aspx). Volgens Solomon schreef of bewerkte Connolley ruim 5000 klimaatartikelen op Wikipedia. Connolley, zelf een fanatieke aanhanger van de broeikastheorie, zorgt er vrijwel eigenhandig voor dat alle klimaatartikelen verschoond blijven van al te sceptische invloeden. Zijn invloed werd helemaal groot toen hij de positie van 'website administrator' kreeg. In die hoedanigheid kan hij artikelen van anderen die hem niet aanstaan, verwijderen. Connolley deed dat al 500 maal. Persoonlijk vind ik de klimaatartikelen op Wikipedia nog steeds bruikbaar, vooral als je op zoek bent naar een uitleg van een begrip of fenomeen (bijvoorbeeld wat is El Nifio?), maar houd in het achterhoofd dat er een soort 'broeikasfilter' op alle artikelen is losgelaten en dat controversiële zaken, zoals Clirnategate, door een 'broeikasbril' bekeken zijn. Wil je zien hoe hyperactief Connolley is, bekijk dan zijn inbreng: http://en.wildpedia.org/w/wild.phtml?title=Special:Contributions&target-- William_M._Connolley. 5 www.eastangliaernails.com/emails.php?eic1=551&filename=1121721126.txt. 6 www.eastangliaemails.com/ ernails.php?eid=888&filename=1212009215.txt. 7 www.eastangliaemails.com/ emails.php?eid=940&filename=1228330629.txt. 8 RealClimate schreef direct na Climategate: 'Scientists often use the term "trick" to refer to a "a good way to deal with a problem", rather than something that is "secret", and so there is nothing problematic in this at all.' www.realclimate.org/index.php/archives/ 2009/ 11/the-cru-hack. 9 www.nytimes.com/2009/11/21 / science / earthhiclimate.html?r=1. 10 Pachauri: 'One can only surmise that those who have carried this out have obviously done it with a very clear intention to influence the process in Copenhagen.' http://solveclimate.com/bloghoo91216/hacked-e-mails- controversy-irrelevant-copenhagen. 11 McIntyre: 'My guess is that the collectiort of emails was prepared in the aftermath of that publicity. lust as a strange coincidence: My FOI request was turned down ort November 13th, and the last email in the list was from November 12th. And the document with the released emails was named FOIA.zip.' www.thegwpf.org/climategate/1294-the-inquiryreports-are-lousy-an-interview-with-steve-mcintyre.html. 12 Zie commentaar 10 op: http://noconsensus.wordpress.com/2009/11/13/ open-letter. De tekst luidt: 'We feel that climate science is, in the current situation, too important to be kept under wraps. We hereby release a random selection of correspondence, code, and documents. Hopefully it will give some insight into the science and the people behind it.' 13 www.eastangliaemails.com (emails.php?eid=686&filename=1147435800.txt. www.eastangliaemails.com/emails.php?eic1=683&filename=1146062963.txt. 15 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=973&filename=i242132884.txt. 16 The Independent Climate Change Email Review: www.cce-review.org. 17 www.csmonitor.com/Envir0nmenth0l0/0707/Climate-5cientists- exonerated-in-climategate-but-public-trust-damaged.


164 18 Er zijn inmiddels twee grondige analyses verschenen die laten zien hoe zwak de verschillende Climategate-onderzoeken waren. De een is van Ross McKitrick: http:/ hossmckitrick.weebly.com /uploads/ 4 / 8 /0/8/4808045 /rnack_ climategate.pdf. De ander is van blogger Andrew Montford, geschreven in opdracht van de Global Warming Policy Foundation: http:/ /www.thegwpf.org /images /stories/gwpf-reports/Climategate- Inquiries.pdf. 19 In een interview met Die Weltwoche stelt McIntyre dat de onderzoeksrap- porten lousy' zijn: www.thegwpforg/climategate/1294-the-inquiryreports-are-lousy-art-interview-with-steve-mcintyre.html. 20 www.guardian.co.ukienvirortment/cif-greenhow/jul/o7/climategate- scientists. 21 Taken by Storm, The troubled science, policy, and politics of global warming, Christopher Essex en Ross McKitrick, Key Porter Books, 2007 (revised edition). 22 http:/ iipcc.ch/ orgartization/ organization.htm. 23 Dit document dateert uit 1998, dus tien jaar na de oprichting van het IPCC: www.ipcc.ch/pdf/ipcc-principles/ipcc-principles.pdf. 24 Het openbaar maken van de review-commentaren en de antwoorden van de hoofdauteurs ging overigens niet zonder slag of stoot. Stephen McIntyre van Climate Audit vroeg in zijn hoedanigheid als expert reviewer de Technical Support Unit van Werkgroep 1 in mei 2007 om de desbetreffende documenten. Eerst kreeg hij te horen dat hij daarvoor naar de Harvard Bibliotheek in Boston moest afreizen en vervolgens dat hij ze per post kon ontvangen, maar daarvoor wel moest betalen. McIntyre diende een FOI-verzoek in bij NOAA, het Amerikaanse instituut waar de Technical Support Unit van Werkgroep 1 gehuisvest was. Enkele weken later werden de commentaren van expert reviewers online gezet. De relevante berichten op Climate Audit zijn: http: / /climateaudit.org/2007/ o5 / /ipcc-and-snail-technology, http:/ /dimateaudit.org/ 2007 / 06 /07/f oi-request-to-noaa, http://climateaudit.org/2007/06/26/ipcc-review-comments-now-online. De commentaren van de drie Werkgroepen zijn te vinden op: WGI: http://hcl.harvard.edu/collections/ipcc/index.html, WGII: http://ipcc-wg2.gov/publications/AR4/ar4review.html, WGIII: www.ipcc-wg3.de/publications/assessment-reports/ar4/forth- assessment-review-comments/forth-assessment-review-comments-and- responses. 25 Het volledige vierde IPCC-rapport is te downloaden via de website van het IPCC: www.ipcc.ch. 26 Een uitzondering zijn wellicht de cruciale wijzigingen die Ben Santer doorvoerde in het tweede IPCC-rapport in 1995, nadat het review-proces al was gesloten. De wijzingen waren cruciaal voor de hoofdconclusie van het rapport, dat er een 'onmiskenbare invloed' van de mens is op het klimaat. De inmiddels overleden scepticus Frederic Seitz kaartte de zaak aan in een opiniestuk in de Wall Street J ournal en een rel was geboren. Een andere bekende scepticus, Fred Singer, schreef een essay over de rel: hup: / /media.hoover.org/sites/default/files / documents /epp_i 02b.pdf. De correspondentie tussen Santer en Singer staat hier: www.sepp.org/ Archive/controv/ipcccont/Itemo8.htm. 27 Zie http:/ /climategate.n1/2010/01/18/rel-om-himalaya-gletsjers-wordt- groter en http:/ /climategate.n1/2010/01/19/hasnain-heeft-boter-op-zijnhoofd. 28 Het IPCC, het Wereld Natuur Fonds en in Nederland het ministerie van VROM houden nog altijd vast aan de typefoutversie van deze soap. Blijkbaar vinden ze de typefoutvariant minder blamerend. Zie http.//webcache.googleusercontent.com/search?q=cache:3wN4_rnyKwMJ:www.vrom.nl/get.asp%3Ffile%3Ddoc s/kamerstukken/Wed27Jan2010n12160100/OnjuisteinformatieovergletsjersindeHimalayainhetVierdeAssessment rapportvanIPCC.doc+Cramer+Himalaya+2035+2350&cd=19&hl=n1&ct=clnk&gl=n1. 29 www.ipcc.ch/pdf/presentations/himalaya-statement-20january2010.pdf. 30 Professor Tol: The conclusions of AR4 Working Group 1 are basically sound. WG2 has exaggerated the seriousness of the impacts of climate change, while WG3 has underestimated the costs of greenhouse gas emission reduction. www.thegwpf.org/ipcc-news/857-richard-tol-ipcc-was-captured.html. 31 www.thegwpf.org/international-news/459-new-documents-show-ipcc-ig- nored-doubts-about-himalayan-glacier-scareltml en http:/ /rogerpielkejr. blogspot.com/2010/01/stranger-and-strangerhtml. 32 www.eastangliaemails.com/emails.php?eic1=419&filename=w89318616.txt. 33 www.monbiot.com/archives/2009/11/23/the-knights-carbonic. 34 De wereld draait door, uitzending 1 februari 2010: http:/ /dewerelddraait- doonvara.nl/Video-detail.628.o.html?&tx_ttriewskat1=14.8&tx_ttnews[tt_ news]=14808&tx_ttnews[month1=o2d,ttx_ttnews[yearJ=2.010&cHash=db999 b9555d3d23a6cccf432c6f34921. 35 www.klimaatportaal.nl/prot/general/start. asp?i=o&j=o&k=o&p=&itemid=806. 36 www.openletterfromscientists.com.


165 37 Artikelen die uiterlijk in februari 2006 verschenen waren, konden meegenomen worden in het vierde IPCC-rapport. Een van de klachten over IPCC-rapporten is daarom dat ze alweer verouderd zijn tegen de tijd dat ze verschijnen.




166 Hoofdstuk 2: De aarde warmt op, maar hoeveel? 1 http://news.bbc.co.uk/2/hi/8511670.stm. 2 De Nederlandse geofysicus en klimaatscepticus Hans Erren heeft ontdekt dat Arrhenius in zijn oorspronkelijke artikel uit 1896 een fout heeft gemaakt. Hij baseerde zijn berekeningen deels op het effect van water in plaats van CO 2. In 1906 heeft Arrhenius zijn fout hersteld en het effect van CO2 naar beneden bijgesteld. Het IPCC citeert altijd alleen de 'foute' 3 www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/wgi /ar4-wgi-spm.pdf. 4 www.anenglishmanscastle.com/HARRY_READ_ME.txt. 5 Het citaat is opgenomen in het rapport 'Surface temperature records: policy-driven deception?' van Joseph D'Aleo en Anthony Watts. Dit rapport van ongeveer 200 pagina's werd in januari 2010 gepubliceerd, maar wordt geregeld geactualiseerd, omdat veel van de problemen met de temperatuurmetingen nog volop in onderzoek zijn. Het rapport is te downloaden via: http://scienceandpublicpolicy.org/originals/policy_driven_deception.html. 6 http://jgc.org/ Zoek op 'climategate' voor zijn analyses van CRU-programma's. 7 http://news.bbc.co.uk/2/hi/programmes/newsnight/8395514.stm. 8 www.anenglishmanscastle.com/HARRY_READ_ME.txt. 9 Deze opmerkelijke onthulling deed de CRU op zijn website: www.cru.uea. ac.uk/cru/data/availability. Reacties van McIntyre hier: http:/ /climateaudit.org/2009/08/11/cru-responds en van Roger Pielke jr. hier: http:// rogerpielkejnblogspotcom/2009/08/we-lost-original-data.html. 10 www.weennl/nl/home/weer/weer-in-het-nieuws/weernieuws/ch/79df7 fbdfct9fd2a5eo473b226a27413/article/knmi_verplaatst_thermometer_stilletjes.html. 11 www.knmi.nl/cms/content/56886/centraal_nederland_temperatuun 12 http.//climate.colostate.edu/pdfs/BAMS_Davey&Pielke_Apro5.pdf. 13 http://wattsupwiththatcom/2007/05/26/how-not-to-measure-temperature. 14 www.surfacestations.org. 15 http://wattsupwiththat.files.wordpress.com/2009/05/surfacestationsreport_springo9.pdf. 16 ftp:/ /ftp.ncdc.noaa.gov/pub/data/ushcn/v2/monthly/menne-etal2010. pdf; reacties op het artikel van Watts en Pielke staan hier: http://wattsupwiththat.com/2010/ot /27/rumours-of-my-death-have-been-greatly-exaggerated/ en hier: http://pielkeclimatesci.wordpress.com/2010/o1/15/ professional-discourtesy-by-the-national-climate-data-center. 17 http://climateauditorghoo7/08/20/computer-programming-and-thedestruction-of-creation. 18 http: / /climateauditorg / 2007/ 08/11 /does-hansens-error-matter. 19 Zie http://climateaudit.orghoo8/03/01/positive-and-negative-urbanadjustments en http://climateauditorg/2009/01/20/realclimate-anddisinformation-on-uhi. 20 Dit is een spel voor kinderen waarbij Waldo gevonden moet worden in een hele drukke kleurplaat: www.findwaldo.com. 21 http://climateaudit.orghoo7/08/28/adjusting-in-africa. 22 http://climateaudit.org/2007/08/29/waldo-south-america. 23 http://climateaudit.org/2007/09/07/waldo-in-siberia. 24 www.warwickhughes.com/climate/ussri.htm. 25 http: / /scienceandpublicpolicy.org/images/ stories /papers / originals /surface_temp.pdf. 26 http://icecap.us/images/uploads/global_warming_nz_pdf.pdf. 27 http://wattsupwiththat.com/2010/08/16/new-zealands-niwa-sued-overclimate-data-adjustments. 28 http:/ /wattsupwiththat.com/ 2010/ 07/ 27/ the-australian-temperaturerecord-the-big-picture. 29 Zie deze reactie van Pielke st op een recent stuk in Nature waarin dit idee wederom naar voren werd gebracht: http://pielkeclimatesci.wordpress. com/2010/o6/14/erroneous-statement-by-peter-a-stott-and-peter-w- thome-in-nature-titled-how-best-to-log-local- temperatures. 30 http:/ /climateaudit.org/2005/10/15/we-have-25-years-invested-in-thiswork. 31 http: / /climateaudit.files.wordpress.com/ 2008/05 /cru.correspondence. pdf. 32 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=914&filename=1219239172. txt. 33 www.nature.com/news/2009/090812/full/460787a.html. 34 http://wattsupwiththat.com/2010/07/21/us-doe-apparently-ftinded-crumillions-not-200k-as-reported. 35 htlp://noconsensus.wordpress.comholo/o7/14/gridded-global-temperature. 36 A critical review of global surface temperature data products, Ross McKitrick, http://rossmckitrick.weebly.com/uploads/4/8/0/8/4808045/ surfacetempreview.pdf. 37 Speurwerk van diverse bloggers wees uit dat veel weerstations nog steeds in gebruik zijn, maar dat GHCN


167 (Global Historical Climatology Network) vanaf 1990 domweg gestopt is om van stations de dagelijkse waarden te verwerken tot een maandelijks gemiddelde. Het zijn deze maandelijkse gemiddelden van GHCN die CRU, GISS en NOAA gebruiken voor hun mondiale reeksen. Zie voor een voorbeeld: http.//climateaudit. org/2007/09/25/houston-weve-found-wellington-nz. 38 http://wattsupwiththat.com/2010/08/19/the-big-valley-altitude-bias-inghcn. 39 Hier een voorbeeld van stations in Peru: http:/ /climateaudit. org/2008/02/25/hansens-rural-peru. 40 Het KNMI weet al enkele jaren dat dit het geval is, maar vooralsnog is er weinig actie ondernomen om de fout te herstellen. Onlangs werd de zaak 'opgerakeld' in verband met het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving over de fouten in het IPCC-rapport. Het PBL had iedereen uitgenodigd om via de website commentaar in te dienen. Een persoon begon over de problemen met de De Bilt-reeks in GISS, wat totaal buiten het bestek van het PBL-onderzoek viel. Het PBL was zo netjes om de vraag toch te beantwoorden met hulp van het KNMI: www.pbl.nl/meldpunt/ meldingen/5. Het is fascinerend en ook verontrustend om te zien dat de deskundigen van het KNMI eigenlijk ook geen idee hebben wat er precies gebeurt bij GHCN en GISS. Desalniettemin vertrouwt de klimaatgemeenschap bijna blindelings op de reeksen van GISS, CRU en NOAA. 41 Een goed overzicht van de problemen geeft Pielke in dit artikel: Pielke sr., R.A., C. Davey, D. Niyogi, S. Fall, J. Steinweg-Woods, K. Hubbard, X. Lin, M. Cai, Y.-K. Lim, H. Li, J. Nielsen-Gammon, K. Gallo, R. Hale, R. Mahmood, S. Foster, R.T. McNider en P. Blanken. Unresolved issues with the assessment of multi-decadal global land surf ace temperature trends. J Geophys Res. 2007;112:D24S08, doi:10.1029/2006JDoo8229. 42 Klotzbach, P.J., R.A. Pielke sr., R.A. Pielke jr., J.R. Christy en R.T. McNider. An alternative explanation for differential temperature trends at the surface and in the lower troposphere. J Geophys Res. 2009;114:D21102, doi:ao.1029/2009JDon841. http://pielkeclimatesci.files.wordpress. com/ 2009 /11 /r-345.pdf. 43 Christy, J.R., W.B. Norris, R.W. Spencer en J.J. Hnilo. Tropospheric temperature change since 1979 from tropical radiosonde and satellite measurements, J Geophy. Res. 2007;112:D06102, doi:10.1029/2005JD006881. 44 http://icoads.noaa.gov. 45 A critical review of global surface temperature data products, Ross McKitrick, http://rossmckitrick.weebly.com/uploads/4/8/0/8/4808045/ surfacetempreview.pdf. 46 Folland C.K. en D.E. Parket Correction of instrumental biases in historical sea surface temperature data. Q J R Meteorolol Soc. 1995;121:319-367. 47 Kent, E.C., S.D. Woodruff en D.I. Berry. WMO Publ. No. 47. Metadata and an assessment of observation heights in ICOADS. J Atm Oceanic Tech 2007;24 http: / /dss.ucatedu/datasets/ds540.o/docs/WMO-Pub47_ jtecho7-1.pdf. 48 http://climateauditorg/2007/03/18/the-team-and-pearl-harbor. 49 Thompson, David W.J., John J. Kennedy, John M. Wallace en Phil D. Jones. A large discontinuity in the mid-twentieth century in observed global-mean surface temperature. Nature 2008;453:646-649, doi:10.1038/ nature06982. 50 Rayner, N.A., D.E. Parker, E.B. Horton, C.K. Folland, L.V. Alexander, D.P. Rowell, E.C. Kent en A. Kaplan. Global analyses of sea surface temperature, sea ice, and night marine air temperature since the late nineteenth century. J Geophys Res. 2003;108(11)14)-4407, doi:10.1029/2002JD002670. Christy, John R., David E. Parker, Simon J. Brown, Jan Macadam, Martin Stendel en William B. Norris. Differential Trends in Tropical Sea Surf- ace and Atmospheric Temperatures since 1979. Geophys Res Letters. 2001;28(1):183-186. 52 www.spiegel.de/international/world/0,1518,686697-4,00.html. 53 Jones, P.D., et al., 1990: Assessment of urbanization effects in time series of surface air temperature over land. Nature, 347, 169-172. 54 www.cru.uea.ac.uk/cru/data/joneseta11990. 55 http://climateaudit.org/2007/04/19/foi-the-final-answer. 56 www.warwickhughes.com/papers/90lettnat.htm. 57 www.warwickhughes.com/papers/eastoz.htm. 58 Een chronologie van de gebeurtenissen is hier te vinden: wwwinformath.org/apprise/a5620.htm. 59 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=804Milename=1 182346299.txt. 60 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=972&filename=12.41415427.txt. 61 www.guardian.co.uk/environment/2010/feb/o1/dispute-weather-fraud. 62 Parker, D.E. Climate: Large-scale warming is not urban. Nature 2004;432(7015):290, doi:10.1038/4322.90a. PMID 15549087 en David E. Parker. A demonstration that large-scale warming is not urban. J Climate 2006;19:2882-2895, doi:10.1175/JCLI3730.1. 63 Pielke sr., R.A. en T. Matsui. Should light wind and windy nights have the same temperature trends at individual levels even if the boundary layer averaged heat content change is the same? Geophys Res Lett.


168 2005;32(21):L21813, 10.1029/2005GLo24407. 64 http.//pielkeclimatesci.wordpress.com/2009/04/10/surface-temperature variations-in-east-africa-and-possible-causes-by-christy-et-a1-2009. 65 Een goed overzicht van de problemen geeft Pielke in dit artikel: Pielke sr., R.A., C. Davey, D. Niyogi, S. Fall, J. Steinweg-Woods, K. Hubbard, X. Lin, M. Cai, Y.-K. Lim, H. Li, J. Nielsen-Gammon, K. Gallo, R. Hate, R. Mahmood, S. Foster, R.T. McNider en P. Blanken. Unresolved issues with the assessment of multi-decadal global land surface temperature trends. J Geophys Res. 2007;112:D24S08, doi:10.1029/2006JD008229. 66 Peterson, T.C. Assessment of urban versus rural in situ surface temperatures in the contiguous United States: no difference found. J Climate. 2003;16: 2941-2959, doi:10.1175/1520-0442(2003)016<2941:AOUVRI>2.0.00;2. 67 http:/ /climateaudit.org/2007/08/04/1859. 68 http:/ /en.wikipedia.org/wiki/Major_professional_sports_ league#Franchise_locations. 69 McKitrick, R. en P.J. Michaels. A test of corrections for extraneous signals in gridded surface temperature data. Climate Res. 2004;26:159-173. 70 Laat, A.T.J. de, en Maurellis, A.N. Industrial CO2 emissions as a proxy for anthropogenic influence on lower tropospheric temperature trends. Geophys ReS Lett. 2004;31:10.1029/2003GL019024. 71 Laat, A.T.J. de, en A.N. Maurellis. Evidence for influence of anthropogenic surface processes on lower tropospheric and surface temperature trends. Int J Climatol. 2006;26:897-913. 72 McKitrick, R.R. en P.J. Michaels. Quarttifying the influence of anthropogenic surface processes inhomogeneities on gridded global climate data. J Geophys Res. , 2007;112:D24S09, dei:10.1029/200711)008465. 73 www.eastangliaemails com/emails.php?eid=419&filename=1089318616.txt. 74 Zie: http://hcl.harvard.edu/collections/ipcc/index.html. 75 McKitrick schreef een uitgebreid verslag over de hele gang van zaken rond de artikelen van hem en Michaels en De Laat en Maurellis www. globalwarming.org/wp-content/uploads/ 2010/03 /ross.gatekeeping.pdf. 76 http:/ /rossmckitrick.weebly.com/uploads/4/8/0/8/4808045/mckitrick_ revised.pdf, 77 Bijvoorbeeld hier: http:/ hartkexploits.com/musings/zoo9/multi-model- mean-trend-aogcm-simulations-vs-observations/; scepticus Patrick Michaels presenteerde een soortgelijke grafiek aan het Amerikaanse Congres: www.worldclimatereport.com/index.php/2009/02/13/committee-on- energy-and-environment-testimony. 78 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=w5i&filename=1255496484.txt. 79 www.sciencemag.org/cgi/content/ful1/328/5976/316. 80 Kevin E. Trenberth. The ocean is warming, isn't it? Nature 2010;465:304-304, doi:10.1038/465304a News and Views. 81 www.argo.net. 82 http:/ /rogerpielkejr.blogspot.com/ 2010/o4/in-released-cru-emails-ncarclimate.html. 83 Pielke sr., R.A. Heat storage within the Earth system. Bull Am Meteorol Soc. 2003;84:331-335. 84 www.nprorg/templates/story/story.php?storyId=88520025. 85 http://pielkeclimatesci.wordpress.com/2010/05/24/comments-on-nature-commentary-by-kevin-trenberth.




169 Hoofdstuk 3: Is de huidige opwarming uniek? 1 Deming, D. Climatic warming in North America: Analysis of borehole temperatures. Science. 1995;268;1576-1577. 2 De e-mail is hier: www.eastangliaemails.com/emails. php?eid=480&filename=1105670738.bct en een analyse van Mcintyre hier: http: / /climateaudit.org / 201.o/ 04 / o8 /dealing-a-mortal-blow-to-the-mwp. 3 Mann, Michael E., Raymond S. Bradley, Malcolm K. Hughes. Global-scale temperature patterns and climate forcing over the past six centuries (pdf). Nature. 1998;392:779-787, doiao.1038/33859. 4 Mann, Michael E., Raymond S. Bradley, Malcolm K. Hughes. Northem hemisphere temperatures during the past millennium: inferences, uncertainties, and limitations". Geophys Res Lett. 1999;26(6):759-762, doi:10.1029/1999GL900070. 5 De Brit Andrew Montford publiceerde in 2010 een boek van bijna 500 pagina's over de jarenlange strijd van Stephen McIntyre en de econoom Ross McKitrick. A.W. Montford. The hockey stick illusion. Londen: Stacey International, 2010. 6 McIntyre, Stephen en Ross McKitrick. Corrections to the Mann et al. (1998) proxy data base and northem hemispheric average temperature series. Energy & Environment. 2003;14(6), www.uoguelph.ca/-rmckitri/ research/MM03.pdf. 7 Graybill, D.A. en S.B. Idso. Detecting the aerial fertilization effect of atmospheric CO2 enrichment in tree-ring chronologies. Global Biogeochem Cycles 1993;7(1):81-95. 8 De correspondentie rond het Nature-artikel is te vinden op de archiefpagina van McIntyre en McKitrick: www.uoguelph.ca/-rmckitri/research/ trc.archive.html. 9 Storch, H. von, E. Zorita, J. Jones, Y. Dimitriev, E González-Rouco en S. Tett. Reconstructing past climate from noisy data. Science 2004;306:679-682 (Sciencexpress, doi 10.1126/science.1096109). 10 Onze vragen staan nog online evenals de antwoorden van Mann: www. natutech.nl/oo/nt/n1/49_65/nieuws/2298/Onze_vragen_aan_Mann. html; www.natutech.n1/00/nt/n1/49_65/nieuws/2299/Het_antwoord_van_ Mann.html. 11 http:/ /climateaudit.org/2010/05/03/correspondence-with-the-universityof-virginia. 12 Klimaat verandert door foute statistiek, Natuurwetenschap & Techniek, feb. 2005; te downloaden via http://climategate.nl/wp-content/uploads/zoo9/12/NWT-feb-2005-hockeystick.pdf. 13 De Canadese versie is hier nog te vinden: www.junkscience.com/jano5/ breaking_the_hockey_stick.html en www.junkscience.com/jano5/lone_gaspe_cedar.html. 14 www.nieuwsbank.nl/inp/ 2005 / 10 / 05 /r259.htm. 15 http:/ /online.wsj.com/article/o,,SBno834031507653590,00.html. 16 Surface Temperature Reconstructions for the Last 2,000 Years, NAS, http://books.nap.edu/openbook.php?isbn=o309102251. 17 Ad Hoc Committee Report On The 'Hockey Stick' Global Climate Reconstruction, http://republicans.energycommerce.house.gov/108/ home/07142006_Wegman_Report.Pdf. 18 www.ucaredu/news/releases/2005/ammann.shtml. 19 hup: / /climateaudit.org /2008 /05 /23 /will-stephen-schneider-say-what- the-acceptance-date-of-wahl-and-ammann-wo7-was/ en http://clima- teaudit.org/zoo8/05/25/wahl-and-ammann-2007-and-ipcc-deadlines en http://climateaudit.org/zoo8/o5/25/chapter-6-in-press. zo Wahl, E.R. en C.M. Ammann. Robustness of the Mann, Bradley, Hughes reconstruction of Northern Hemisphere surface temperatures: Examination of criticisms based on the nature and processing of proxy climate evidence. Climate Change. 2007;85:33-69. 21 http://climateaudit.org/zoo8/08/08/caspar-ammann-texas-sharpshooter. 22 Een toegankelijke uitleg van de hele soap rond Wahl en Ammann werd geschreven door Andrew Montford: http://bishophill.squarespace.com/ blog/2008/8/11/caspar-and-the-jesus-paper.html. McIntyre legt o.a. hier uit dat Wahl en Ammann een bevestiging zijn van McIntyres eigen werk: http://climateaudit.org/zoo8/o8/10/reconciling-to-wahl-and-ammann en http:/ / dimateaudit.org/ 2008 / 08 / 06 /well-well-look-what-the-catdragged-in. 23 http://climateaudit.org/2007/06/26/ipcc-review-comments-now-online. 24 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=716&filename=1153470204.txt. 25 http: / /dimateaudit.org/ 2008 /o6/ 20/fortress-cru-2. 26 De IPCC-richtlijn stelt: 'All written expert, and government review comments will be made available to reviewers on request during the review process and will be retained in an open archive in a location determined by the IPCC Secretariat on completion of the Report for a period of at leas five years.' 27 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=893&filename=.txt. 28 http:/ /climateaudit.org/2010/07/09/the-botched-examination-of-theback-up-server.


170 29 http: / / climateaudit.org/ 2009 / 10 / 19 / re-visiting-the-yamal-substitution. 30 http://climateaudit.org/2009/09/27/yamal-a-divergence-problem. 31 http://climateaudit.org/wo9/09/27/yamal-a-divergence-problem. 32 www.cru.uea.ac.uk/cru/people/briffa/yama12000/ en http.//climateaudit.org/wo9/ 10/01 /keith-briffa-responds. 33 http: / / climateaudit.org/2009 ho /28 /response-to-briffa-on-yamal-impact. 34 http://climateaudit.org/2006/03/11/making-apple-pie. 35 Millar, C.I., J.C. King, R.D. Westfall, H.A. Alden en D.L. Delany. Late Holocene forest dynamics, volcanism, and climate change at Whitewing Mountain and San Joaquin Ridge, Mono County, Sierra Nevada, CA, USA Quaternary Research. 2006; pdf artikel en figuren: www.fs.fed.us/psw/ programs/snrc/staff/millar/Whitewing_txt.pdf. 36 Naurzbaev, Mulchtar M., Malcolm K. Hughes, Eugene A. Vaganov. Tree-ring growth curves as sources of climatic information. Quat Res. 2004;62:126-133; zie ook http://climateaudit.org/2005/10/05/naurzbaev. 37 Zie commentaar 6-1127 op het tweede concepthoofdstuk 6, pag. 102/103: http:/ /climategate.nl/wp-content/uploadshoto/o8/AR4WGI_Choe SOR_CommentResponses_EDist.pdf. 38 www.nature.com/nature/journal/v391/n6668/abs/391678ao.html. 39 http://climateaudit.org/zoo7/06/26/ipcc-and-the-briffa-deletions. 40 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid--154&filename-942777075.txt. 41 www.realclimate.org/index.php/archives/2009/11/the-cru-hack. 42 http:/ /sciencepolicy.colorado.edu/prometheus/archives/climate_ change/000630does_the_hockey_stic.html.




171 Hoofdstuk 4: Komt de recente opwarming door CO2? 1 Spencer, Roy W. The great global warming blunder, how mother nature fooled the world's top climate scientists. Encounter Books, 2010. 2 McKitrick, R. en P.J. Michaels. A test of corrections for extraneous signals in gridded surface temperature data. Climate Res. 2004;26:159-173. 3 Laat, A.T.J. de, en A.N. Maurellis. Industrial CO 2 emissions as a proxy for anthropogenic influence on lower tropospheric temperature trends. Geophys Res Lett. 2004;31:10.1029/2003GL019024. 4 www.ipcc.ch/publications_and_data/ar4/wg1/en/faq-3-1.html. 5 Zie vraag A) op http://news.bbc.co.uk/2/hi/851167astm. 6 Hoofdstuk 9 van Werkgroep 1, D. 702. Zie bijv. pag. 184 van het vierde IPCC-rapport, www.ipcc.ch/pdf/assess ar4 /wg1 / ar4-wgi-chapter2.pdf. 8 Ramanathan, V. en G. Carmichael. Global and regional climate changes due to black carbon, 1 Nature Geosci. 23 March 2008; pp. 221-222. 9 Myhre, Gunnar. Consistency between satellite-derived and modelled estimates of the direct aerosol effect. Science, 2009;325:187-190, www. sciencemag.org/cgi/content/abstract/1174461. 10 Stephens vertelde dat in een interview dat ik met hem had in augustus zoog in Fort Collins. Ik publiceerde erover in NWT (maart 2010). Roger Pielke sr. blogde erover: http://pielkeclimatesci.wordpress. com/2009/


a Stephen Schwartz bespreekt dit in zijn artikel VVhy hasn't earth warmed as much as expected? Ik legde de bevindingen van Graeme Stephens voor aan Schwartz. Hij was niet heel verbaasd dat het indirecte aerosoleffect la- ger blijkt te zijn en bevestigde in NWT dat dit erop duidt dat de gevoeligheid van het klimaat voor CO 2 kleiner is dan tot nu toe gedacht. Schwartz, Stephen E., Robert J. Charlson, Ralph A. Kalm, John A. Ogren, Hertning Rodhe, 2010: Why Hasn't Earth Warmed as Much as Expected? J Climate. 2y2453-2464, doi: 10.1175 /2.009JCLI3461.1. 12 Kiehl, Jeffrey T. Twentieth century climate model response and climate sensitivity. Geophys Res Lett. 2007;34:L22710, doi:10.1029/2007GL031383, 2007. En een blogbespreking hier: http://climateaudit.org/2007/12/01/ tuning-gcms. 13 Werkgroep 1 van AR4, hoofdstuk 9, p. 675. 14 Douglass, David H., John R. Christy, Benjamin D. Pearson, S. Fred Singer. A comparison of tropical temperature trends with model predictions. Article first published online: 5 DEC 2007, DOL 10.1002/joc.1651. 15 hty://science-sepp.blogspot.com/zoo7/12/press-release-dec-10-2007.html. 16 Santer, B.D., P.W. Thorne, L. Haimberger, K.E. Taylor, T.M.L. Wigley, J.R. Lanzante, S. Solomon, M. Free, P.J. Gleckler, ED. Jones, T.R. Karl, S.A. Klein, C. Mears, D. Nychka, G.A. Schmidt, S.C. Sherwood, and F.J. Wentz. Consistency of modelled and observed temperature trends in the tropical troposphere. Intl J Climatol. 2008;28:1703-1722, doi:10.1002/joc.1756. 17 Zie: http://climateaudit.org/2009/o1/27/submited-article-on-tropical-tro posphere-trends/; het artikel staat hier: http://arxiv.org/abs/0905.0445. 18 Lees het verslag van McIntyre over de afwijzing hier: http:/ /climateaudit. org/2010/08/09/mckitrick-et-a1-2010-accepted-by-atmos-sci-lett. 19 Dit artikel kregen ze wel gepubliceerd: McKitrick, Ross R., Stephen McIn- tyre and Chad Herman. Panel and multivariate methods for tests cf trend equivalence in climate data series. Atmospheric Sci Lett. 2010; in press. zo Taking greerthouse warming seriously. Energy Environ. 2007;18(7+8). 21 http://pielkeclimatesci.wordpress.com/zolo/o5/21/update-on-jim- hansens-forecast-of-the-global-radiative-imbalance-as-diagmosed-by-the- upper-ocean-heat-content-change. 22 Dessler, A.E. en S.C. Sherwood. A matter of humidity. Science. 2009;323, doi: 10.1126/Science.1171264, 1020-1021.http://geotest.tamu.edu/userfiles/216/desslero9.pdf. 23 http://pielkeclimatesci.wordpress.com/2010/01/07/reply-to-andrew- dresslers-guest-post-on-water-vapor-feedback. 24 Wentz, F.J., L. Ricciardulli, K.A. Hilburn en C.A. Mears. How much more ram n will global warming bring? Science. 2007;317:233-235. 25 www.auscsc.org/images/PDF/naturallimittowarming.pdf. 26 Deze marge is dus groter dan de eerder genoemde marge voor klimaatgevoeligheid die in de orde van 2 tot 4,5 graden ligt. Het verschil zit hem in het feit dat aan de hier genoemde marge verschillende CO 2-scenario's ten grondslag liggen. Kort gezegd: het is de onzekerheid in de toekomstige CO2-concentratie gekoppeld aan de onzekerheid in klimaatgevoeligheid. 27 http://reviewipcc.interacademycouncil.net/IACIPCCMontreal.html. 28 Christy's integrale voordracht: http:/ /climategate.n1/201006/17/johnchristy-ipcc-authors-are-gatekeepers.




172 Hoofdstuk 5: Kan de opwarming veroorzaakt zijn door iets anders dan CO2? 1 Pielke sr., R., K. Beven, G. Brasseur, J. Calvert, M. Chahine, R. Dickerson, D. Entekhabi, E. Foufoula-Georgiou, H. Gupta, V. Gupta, W. Krajewski, E. Philip Krider, W. K.M. Lau, J. McDonnell, W. Rossow, J. Schaake, J. Smith, S. Sorooshian en E. Wood. Climate change: The need to consider human forcings besides greenhouse gases. Eos. 2009;90(45):413. Copyright (2009) American Geophysical Union. Te downloaden via: http:/ /pielkeclimatesci. files.wordpress.com/ 2009 /12 /r-354.pdf. 2 Lindzen, R.S., et al. Does the earth have an adaptive infrared iris? Bull Am Meteorol Soc. 2.001;82:417-432. 3 Hartman, D.L. en M.L. Michelsen. No evidence for iris. Bull Am Meteorol Soc. 2002;83:249-254. 4 Su, H., J.H. Jiang, Y Gu, J.D. Neelin, J.W. Waters, B.H. Kalm, N.J. Livesey en M. L. Santee. Variations of tropical upper tropospheric clouds with sea surface temperature and implications for radiative effects. J Geophys Res. 2008;113DE3211, doi:10.1029/2007JDo09624. 5 Spencer, R.W., W.D. Braswell, J.R. Christy en J. Hnilo. Cloud and radiation budget changes associated with tropical intraseasonal oscillations. Geophys Res Lett. 2007;34:45707, doi:10.1029/ 2007 /GLo29698. 6 www.uah.edu/news /newsread.php?newsID=875. 7 Clement, Amy C., Robert Burgman, Joel R. Norris. Observational and model evidence for positive 10w-level cloud feedback. Science. 2009;325(5939):460-464, DOI: To.1126/science.1171255. 8 www.drroyspencencom/2009/07/new-study-in-science-magazine-proofof-positive-cloud-feedback. 9 Spencer, Roy W. The great global warming blunder, how mother nature fooled the world's top climate scientists. Encounter Books, 2010. to Spencer, Roy W. en William D. Braswell. Potential biases in feedback diagnosis from observational data: a simple model demonstration. J Climate. 2008;21:5624-5628, doi: 10.1175/2008JCLI2253.1. Een tweede publicatie zit in de pijplijn: Spencer, R.W. en W.D. Braswell. On the diagnosis of radiative feedback in the presence of unknown radiative forcing. J Geophys Res. 2010, dOi:10.1029/2009JDO13371, in press. 11 Mantua, N.J., S.R. Hare, Y. Zhang, J.M. Wallace en R.C. Francis. A Pacific interdecadal climate oscillation with impacts on salmon production. Bull Am Meteorol Soc 1997;78:1069-1079. Een goede startpagina voor de PDO is: http:/ /jisao.washington.edu/pdo. 12 Tsonis, A.A., K. Swanson en S. Kravtsov. A new dynamical mechanism for major climate shifts. Geophys Res Lett. 2007;34:L13705, doi:10.1029/2007GLo30288. 13 Swanson, K.L. en A.A. Tsonis. Has the climate shifted? Geophys Res Lett. 2009;36:L06711, doi:10.1029/2008GL037022. 14 www.wisn.com/weather/18935841/detail.html. 15 Thorne, P.W., D.E. Parker, S.F.B. Tett, P.D. Jones, M. McCarthy, H. Coleman en P. Brohan. Revisiting radiosonde upper air temperatures from 1958 to 2002. J Geophys Res. 2005;110:D18105, doi:10.1029/2004JD005753. 16 Keenlyside, N.S., M. Latif, J. Jungclaus, L. Kornblueh en E. Roeckner. advancing decadal-scale climate prediction in the North Atlantic sector. Nature. 2008;453:84-88. 17 www.newscientist com/article/dn17742-worlds-climate-could-cool-firstwarm-latethtml. 18 Swanson, K.L. en A.A. Tsonis. Has the climate shifted? Geophys Res Lett. 2009;36:L06711, doi:10.1029/2008GLo37022. 19 Global dimming and brightening. J Geophys Res. 2010;115(1310). 20 De grote opklaring, Natuurwetenschap & Techniek. maart 2009. 21 Philipona, R., K. Behrens en C. Ruckstuhl. How declining aerosols and rising greenhouse gases forced rapid warming in Europe since the 1980s. Geophys Res Lett. 2009;36102806, dOi:10.1029/2008GL036350. 22 Liley, J.B. New Zealand dimming and brightening. J Geophys Res. 2009;114:DooDio, doi:10.1029/2008JDo11401. 23 Wild, M. Global dimming and brightening: A review. J Geophys Res. 2009;114, DooD16, Doi:10.1029/2008JD011470. 24 Wild, M. How well do IPCC-AR4/CMIP3 climate models simulate global dimming/brightening and twentiethcentury daytime and nighttime warming? J Geophys Res. 2009;114:Do0D11, doiao.1029/2008JDo11372. 25 www.drroyspencencom/2010/06/update-on-the-role-of-the-pacific-decadal-oscillation-in-global-warming. 26 Singer, Fred en Dennis Avery. Unstoppable global warming, every 1500 years; Henrik Svensmark en Calder, Nigel. The chilling stars. 27 Martin Durkin. The great global warming swindle. http://en.wikipedia.org/wiki/The_Great_Global_Warming_Swindle en http:/ /www.garagetv.be/video-galerij/blancostemrecht/The_Great_ Global_Warming_Swindle_Documentary_Film.aspx 28 http://en.wikipedia.org/wiki/Dansgaard-Oeschger_event.


173 29 Bond, G., et al. Persistent solar influence on North Atlantic climate during the Holocene. Science. 2001;294 (5549):2130-2136, doi:10.1126/ science. 1065680. 30 Lockwood, Mike en Claus Fralich. Recent oppositely directed trends in solar climate forcings and the global mean surface air temperature. II. Different reconstructions of the total solar irradiance variation and dependence 011 response time scale. PTOC R Soc A. 2008,464(2094):1367-1385, doi: 10.1098/rspa.2007.0347. 31 Scafetta N., R.C. Willson. ACRIM-gap and TSI trend issue resolved using a surface magnetic flux TSI proxy model. Geophys Res Lett. 2009;36:L057m, doi:10.1029/2008GLo36307. 32 Wang, Y.-M., J.L. Lean en N.R. Sheeley jr. Modeling the sun's magnetic field and irradiance since 1713. Astrophys J. 2005;625:522-538. 33 Steinhilber, F., J. Beer en C. Frohlich. Total solar irradiance during the Holocene. Geophys Res Lett. 2009;36:L19704, doi:10.1029/2009GL040142. 34 Bond, G., et al. Persistent solar influence on North Atlantic climate during the Holocene. Science. 2001;294(5549):2130-2136, doho.1126/science.1065680. 35 Neff, U., et al Strong coherence between solar variability and the monsoon in Oman between 9 and 6 kyr ago. Nature. 2001;411:290. 36 Een toegankelijke beschrijving van dit onderzoek is te vinden op Kennislink: www.kennislink.nl/publicaties/klimaatgeschiedenis-wijst-op-belangrijke-rol-van-de-zon. 37 Amato T. Evan, Andrew K. Heidinger, Daniel J. Vimont. Arguments against a physical long-term trend in global ISCCP cloud amounts. Geophys Res Lett, 2007;34:4. 38 Meehl G.A., J.M. Arblaster, K. Matthes, E Sassi en H. van Loon. Amplifying the Pacific climate system response to a smalt 11-year solar cycle forcing. Science. 2009;325:1114, DOI: 10.1126/science.1172872. 39 Soon, W. Solar Arctic-mediated climate variation on multidecadal to centennial timescales: Empirical evidence, mechanistic explanation, and testable consequences. Phys Geogr. 2009;30, 144-184. 40 Duhau S. en C. de Jager: The forthcoming grand minimum of solar activity. J Cosmol. 2010;8,1983-1999. 41 Jager, C. de, G.J.M. Versteegh, R. van Dorland. Scientific assessment of solar induced climate change. WAB Rep. 500102 001, Bitlhovert, 2006. Zie ww-w. klimaatportaal.n1/ prol/ general/ start. asp?i=5&j=5&k=o&p=o&itemid=200. 42 Een goed overzicht van Pielkes opvattingen is te vinden in een voor het Huis van Afgevaardigden geschreven getuigenis uit 2008: http:// pielkeclimatesci.wordpress.com/2008/06/26/house-testimony-of-roger-a- pielke-sr-a-broader-view-of-the-role-of-humans-in-the-climate-system-is- required-in-the-assessment-of-costs-and-benefits-effective-climate-policy. 43 Matsui, T. en R.A. Pielke sr. Measurement-based estimation of the spatial gradient of aerosol radiative forcing. Geophys Res Lett. 2006;33:L11813, doi:10.1029/2006GL025974, http://climatesci.colorado.edu/publications/ pdf/R-312.pdf. 44 Andreae, M.O. en D. Rosenfeld. Aerosol-cloud-precipitation interactions. Part 1. The nature and sources of cloud-active aerosols. Earth System Rev. 2008;13-41, doi:10.1016/j.earscirev.2008.03.001. 45 Galloway, J.N., A.R. Townsend, J.W. Erisman, M. Bekunda, Z. Cai, J.R. Freney, L.A. Martinelli, S.P. Seitzinger en M.A. Sutton. Transformation of the nitrogen cycle: Recent trends, questions, and potential solutions. Science. 2008;320(5878):889-892. 46 Hyde database: www.pbl.nl/en/themasites/hyde/index.html. 47 Marshall jr., C.H., R.A. Pielke st, L.T. Steyaert en D.A. Willard. The impact of anthropogenic land-cover change on the Florida peninsula sea breezes and warm season sensible weather. Mon Wea Rev. 2004;132.28-52. 48 Pielke sr., R.A. Carbon sequestration -- The need for an integrated climate system approach. Bull Am Meteorol Soc. 2001;82:2021, http://climatesci. colorado.edu/publications /pdf/R-248.pdf. 49 NASA, 2005. Deep freeze and sea breeze: changing land and weather in Florida, http://earthobservatory.nasa.gov/Study/DeepFreeze. 50 www.hgrmederland.nl. 51 www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/n10278-oorzaken- en-effecten-van-verdroging.html?i=11-98. 52 Pielke, R.A. Climate prediction as an initial value problem. Bull Am Meteorol Soc. 1998;79:2743-2746. 53 http://blogs.nature.com/climatefeedback/2007/06/predictions_of climate. html. 54 www.knmi.nl/klimaatscenarios. 55 Zie bijvoorbeeld: Castro, C.L., R.A. Pielke sr. en G. Leoncini. Dynamical downscaling: Assessment of value retained and added using the Regional Atmospheric Modeling System (RAMS). J Geophys Res Atmospheres. 2005;110(D5): D05108, doi:10.1029/2004JD004721, http://climatesci.colorado.edu/publications/pdf/R-276.pdf. 56 http: / /pielkeclimatesci.wordpress.com /2009/09 / 21 / the-vulnerabilityperspective.


174 Hoofdstuk 6: Is die opwarming echt zo desastreus? 1 http://moef.nic.in/downloads/public-information/MoEF/020Discussion%20Paper%20_him.pdf. 2 Science 2009;326(5955).924-925, DOL 10.1126/science.326.5955.924, News of the Week, Climate Change: No Sign Yet of Himalayan Meltdown, Indian Report Finds; www.sciencemag.org/Cgi/c0ntent/fu11/326/5955/924- 3 www.guardian.co.uk/environment/2009/nov/09/india-pachauri-climateglaciers. 4 www.chron.com/commons/readerblogs/atmosPhere.html?plckControl- ler=Blog&plckBlogPage=BlogViewPost&newsPaperUserId=54eob2if-aaba- 475d-87ab-idf5075ce621&plckPosfid=Blog:54e0b2if-aaba-475d-87ab-i- df5075ce621Post:a2b394cc-5b5f-47ad-8bb5-ciaec91409ad&plckScript=blogS cript&plckElementId=blogDest. 5 www.indiaenvironmentportal.org.in/node/319. 6 www.newscientist.com/article/dn18363-debate-heats-up-over-ipcc-melting-glaciers-claim.html. 7 www.noconsensus.org/ipcc-audit/not-as-advertised.Php. 8 http://timesofindia.indiatimes.com/india/No-proof-of-Himalayan-ice- melting-due-to-climate-change/articleshow/5213045.cms. 9 www.noconsensus.org/ipcc-audit/press-release.php. 10 www.ipcc.ch/pdf/ipcc-principles/ipcc-principles-apPendix-a.pdf. 11 Zie bijvoorbeeld: http://eureferendum.blogspot.com/2010/01/pachauritheres-money-in-them-glaciers.html. 12 http://eureferendum.blogspot.com/2010/01/glaciergate-still-long-wayfrom-truth.html. 13 www.eu-highnoon.org/n1/25222858-Home.html. 14 www.timesonline.co.uk/tol/news/environment/article6991177.ece. 15 www.hindustantimes.com/StoryPage/Print/499093.aspx. 16 www.ipcc.ch/pdf/presentations/himalaya-statement-20january2010.pdf. 17 www.msnbc.msn.com/id/34958926. 18 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/o1/sorry-but-this-stinks.html. 19 http://climaterealists.com/index.php?id=4713. 20 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/m/pachauris-conflicts-of-interest. html. 21 www.guardian.co.uk/environmenthoo9/nov/29/rajendra-pachauriclimate-warning-copenhagen. 22 www.a1ertnet.org/thenews/newsdesk/DEL33627.htm. 23 http://timesofindia.indiatimes.com/india/Pachauri-slams-charges-about- confiict-of-interest/articleshow/5360077.cms. 24 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/01/pachauris-conflicts-of-interest. html. 25 http://climateprogress.org/2010/06/20/amazon-ipcc-climategate-sunday- times-jonathan-leake-simon-lewis-apology-retraction. 26 http://eureferendum.blogspot.com/2010/o7/source-of-amazongate.html. 27 De beste samenvatting die ik gevonden heb staat hier: http:/ hoger- pielkejr.blogspot.com/2cno/o7/deep-into-amazonian-mud.html. 28 www.ipcc.ch/publications_and_data/ar4/wg2/en/chl3s13-4.html#13-4-1. 29 Rowell, A. en P.F. Moore. Global review of forest fires. Gland, Switzerland: VVVVF/IUCN, 2000, 66 pp., www.iucn.org/themesficp/publications /files/ global_review_forest_fires.pdf. De link werkt niet meer maar het rapport is hier te vinden: htlp://datalucn.org/dbtw-wpd/edocs/2000-047.pdf. 30 Nepstad, D.C., A. Verissimo, A. Alencar, C. Nobre, E. Lima, P. Lefebvre, P. Schlesinger, C. Potter, P. Mountinho, E. Mendoza, M. Cochrane en V. Brooks. Large-scale Impoverishment of Amazonian Forests by Logging and Fire. Nature. 1999; 398:505. 31 www.whrc. org /resources /essays /pdf/2010-o2-Nepstad_Amazon.pdf. 32 http://eureferendum.blogspot.com/2010/o7/amazongate-smoking-gun. html. 33 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2cno/o7/deep-into-amazonian-mud. html 34 http://eureferendum.blogspot.com/2010/o3/amazongate-part-ii-seeingredd.html. 35 The Climate Fix, What scientists and politicians won't tell you about global warming; Roger Pielke jr., Basic Books, 2010. 36 http:/ /cstpr.colorado.edu/sparc /research/projects/extreme_events/munich_workshop/workshop_report.html. 37 http://cstpr.colorado.edu/prometheus/?p=4171. 38 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/o2/ipcc-mystery-graph-solved. html. 39 http:/ /cstpr.colorado.edu/prometheus/?p=4172. 40 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/01/primer-on-egregious-eroorsin-ipcc-wg2.html. 41 http://ipcc-wg2.gov/AR4/SOD_COMMS/Chol_SOD_Expert.pdf (pag. 121). 42 http://rogerpielkejr.blogspot.com/201008/disaster-losses-and-climatechange.html. 43 www.timesonline.co.uk/tol/news/environment/article7000063.ece.


175 44 www.ipcc.ch/pdf/presentations/statement_25_01_2010.pdf. 45 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/01 /ipcc-statement-on-trends-indisaster.html. 46 www.pbl.nl/n1/publicaties/2010/Evaluatie-van-een-IPCC-klimaatrapport. html. 47 http:/ /climategate.n1/2010/07/05/pb1-excelleert-met-onthullend-rookgordijn. 48 Cox, P.M., R.A. Betts, C.D. Jones, S. Spall en I.J. Totterdell. Acceleration of global warming due to carbon-cycle feedbacks in a coupled climate model. Nature. 2000;408:184-187, http://quercus.igpp.ucla.edu/teaching/papers_ to_read/cox_etal_nat_oo.pdf. Cox, P.M., R.A. Betts, M. Collins, P. Harris, C. Huntingford en C.D. Jones. Amazon dieback under climate-carbon cycle projections for the 21st century. Theor Appl Climatol. 2004;78:137-156. (doi:10. 1007/s00704-004-00494), www.ibcperu.org/doc/isis/7077.pdf. 49 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2010/07/dutch-ipcc-rePort-generallyuseful-but.html. 50 http://rogerpielkejr.blogspot.com/2009/12/do-sloPPy-policy-argumentsmatter-part.html. 51 http://sciencepolicy.colorado.edu/admin/publication_files/resource-2476-2008.02.pdf. 52 www.economist.com/blogs/newsbook/2010/07/bias_and_ipcc_report. 53 http://e360.yale.edu/content/feature.msp?id=2245 54 WG2 box 6.3, www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/wg2/ar4-wg2- chapter6.pdf. 55 Oerlemans, J., M. Dyurgerov en R.S.W. van de Wal. Reconstructing the glacier contribution to sea-level rise back to 1850. Cryosphere. 2007:1(1):59-65. 56 Meier, Mark E, Mark B. Dyurgerov, Ursula K. Rick, Shad O'Neel, W. Tad Pfeffer, Robert S. Anderson, Suzanne P. Anderson, Andrey F. Glazovsky. Glaciers dominate eustatic sea-level rise in the 21st century. Science. 2007;317:1064-1067. 57 Pfeffer, W.T., J.T. Harper, S. O'Neel. Kinematic constraints on glacier contributions to 2ist-century sea-level rise. Science. 2008;321(5894)1340-1343. 58 www.realclimate.org/index.php/archives/2010/03/ippc-sealevelgaternmore-3193. 59 Rahmstorf, S. A semi-empirical approach to projecting future sea-level rise. Science. 2007;315(5810)368-370. 60 Vermeer, M. en S. Rahmstorf. Global sea level linlced to global temperature. Proc Natl Acad Sci U S A. 2009;106:21527-21532. 61 Overpeck, J.T. en J.L. Weiss. Projections of future sea level becoming more dire. Proc Natl Acad Sci U S A. 2009;106:21461-21462. 62 Holgate, Simon, Svetlana Jevrejeva, Philip Woodworth en Simon Brewer Comment on 'A semi-empirical approach to projecting future sea-level rise'. Science. 2007;317(5846):1866b. 63 Jevrejeva, S., J.C. Moore, A. Grinsted en P.L. Woodworth. Recent global sea level acceleration started over zoo years ago? Geophys Res Lett. 2008;35108715, doi:10.1029/2008GLo33611. 64 www.timesonline.co.uk/tol/news/environment/article6982299.ece. 65 http://sealevel.colorado.edu. 66 http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/4783199.stm. 67 Gregory, Jonathan M., Philippe Huybrechts en Sarah C.B. Rapen Threatened loss of the Greenland ice-sheet, Brief Communications. Nature. 2004;428:616. 68 www.newscientist.com/article/dn4864-greenland-ice-cap-doomed-tomeltdown.html. 69 http://news.bbcco.uk/2/hi/science/nature/4834806.stm. 70 Christoffersen, P. en M.J. Hambrey. Is the Greenland ice sheet in a state of collapse? Geol Today. 2006;22:98-103. 71 Bamber, J.L., R.B. Alley en I. Joughin. Rapid response of modem day ice sheets to external forcing. Earth Planet Sci Lett. 2007;257:1-13. 72 Wal, R.S.W. van de, W. Boot, M.R. van den Broeke, C.J.P.P. Smeets, C.H. Reijmer, J.J.A. Donker en J. Oerlemans. Large and rapid melt-induced velocity changes in the ablation zone of the Greenland Ice Sheet. Science. 2008;321(5885):111-113, DOT: 10.1126/science.1158540 Reports. 73 Broeke, M. van den, J. Bamber, J. Etterna, E. Rignot, E. Schrama, W.J. van de Berg, E. van Meijgaard, I. Velicogna en B. Wouters. Partitioning recent Greenland MaSS 'OSS. Science. 2009;326:984-986, d01:10.1126/ science.1178176. 74 Xiaoping Wu, Michael B. Heflin, Hugo Schotman, Bert L.A. Vermeersen, Danan Dong, Richard S. Cross, Erik R. Ivins, Angelyn W. Moore en Susan E. Owen. Simultaneous estimation of global present-day water transport and glacial isostatic adjustment Nature Geosci., published online: 15-8- 2010, DOI: 10.1038/NGE0938. 75 Chylek, P., M.K. Dubey en G. Lesins. Greenland warming of 1920-1930 and 1995-2005. Geophys ReS Lett. 2006;33:L11707, doi:10.1029/2006GL026510.


176 76 Oerlemans, J., M. Dyurgerov en R.S.W. van de Wal. Reconstructing the glacier contribution to sea-level rise back to 1850. Cryosphere. 2007;1:59-65. 77 Oerlemans, J. Extracting a climate signal from 169 glacier records. Science. 2005;308(5722):675-677. 78 Ivy-Ochs, S., et al. Latest Pleistocene and Holocene glacier variations in the European Alps. Q Sci Rev. 2009; 28:2137-2149. 79 Cullen, N.J., T. Wilg, G. Kaser, K. Hussein, K. Steffen en D.R. Hardy. Kilimanjaro Glaciers: Recent areal extent from satellite data and new interpretation of observed 20th century retreat rates. Geophys Res Let t. 2006;33:L16502, dohio.1029/2006GLo27084. 80 www.stabilisation2005.com/dayl/Pachauri.pdf. 81 Archief Oba Amsterdam. 82 www.sp.nl/nieuws/spanning/o506milieu.shtml. 83 Reiter, P. From Shakespeare to Defoe: Malaria in England in the Little Ice Age. Emerg Infect Dis. 2000;6:1-11. 84 Romi R, G. Sabatinelli en G. Majori. Could malaria reappear in Italy? Emerg Infect Dis. 2001;7(6):915-919. 85 WC 2, hoofdstuk 9 over Afrika, www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/ wg2/ar4-wg2-chapter9.pdf. 86 Mouchet J, S. Manguin, J. Sircoulon, S. Laventure, 0. Faye, A.W. Onapa, P. Carnevale, J. Julvez en D. Fontenille. Evolution of malaria in Africa for the past 40 years: impact of climatic and human factors. J Am Mosq Control Assoc. 1998;14(2):121-130. 87 Gething, Peter W., David L. Smith, Anand P. Patil, Andrew J. Tatem, Robert W. Snow en Simon I. Hay. Climate change and the global malaria recession Nature 2010;465:342, doiao.1038/nature09098. 88 Thomas, C.D., A. Cameron, R.E. Green, M. Bakkenes, L.J. Beaumont, Y.C., Collingham, B.F.N. Erasmus, M.E. de Siqueira, A. Grainger, L. Hannah, L. Hughes, B. Huntley, A.S. van Jaarsveld, G.F. Midgley, L. Miles, M.A. Ortega-Huerta, A.T. Peterson, 0.L. Phillips en S.E. Williams. Extinction risk from climate change. Nature. 2004;427145-148. 89 http://noorderlichtypro.nl/artikelen/15958293. 90 Willis, K.J. en S.A. Bhagwat. Biodiversity and climate change. Science. 2009;326(5954):806-807. 91 Root, T.L., J.T. Price, K.R. Hall, S.H. Schneider, C. Rosenzweig en J.A. Pounds. Fingerprints of global warming on wild animals and plants. Nature. 2003;421:57-60. 92 www.iucnredlist.org. 93 Anchukaitis, K.J. en M.N. Evans. Tropical cloud forest climate variability and the demise of the Monteverde Golden Toad. Proc Natl Acad Sci U S A. 2010;107(11):5036-5040, doi:10.1073/pnas.o908572107. 94 Huntley, B., R.E. Green, Y.C. Collingham en S.G. Willis. A climatic atlas of European breeding birds. Barcelona: Lynx Edicions, 2007. 95 www.natuurkalender.nl/toepassingen/nectarkroeg/nieuwe_buren.asp. 96 Wymenga et al. De Levende Natuur. jaargang 107, nummer 3 via www. altwym.n1 / modules /Bestanden/files /158DLN-Helpf/020de%20Grutto%20 verwdijnt%20II.pdf. 97 Both, Christiaan, Sandra Bouwhuis, C. M. Lessells en Marcel E. Visser. Climate change and population declines in a long-distance migratory bird Nature. 2006;441:81-83. 98 Visser, M.E., A.C. Perdeck, J.H. van Balen en C. Both. Climate change leads to decreasing bird migration distances. Glob Change Biol. 2009; 15:1859-1865. 99 Willis, K J, K D. Bennett, S.A. Bhagwat en H.J.B. Birks. Perspective: 4°C and beyond: what did this mean for biodiversity in the past? System Biodivers. 2010;8(1): 3-9. 100 Uitspraak tijdens uitreiking eredoctoraat in Wageningen februari 2003. 101 www.eastartgliaemails.com/emails.php?eid=350&filename=w60196763.txt. 102 Ciais, P., M. Reichstein, N. Viovy, A. Granier, J. Ogee, V. Allard, M. Aubinet, N. Buchmann, Chr. Bernhofer, A. Carrara, F. Chevallier, N. De Noblet, A.D. Friend, P. Friedlingstein, T. Grunwald, B. Heinesch, P. Keronen, A. Knohl, G. Krinner, D. Loustau, G. Manca, G. Matteucci, E Miglietta, J.M. Ourcival, D. Papale, K. Pilegaard, S. Rambal, C. Seufert, J.F. Soussana, M.J. Sanz, E.D. Schulze, T. Vesala en R. Valentini. Europe-wide reduction in primary productivity caused by the heat and drought in 2003. Nature. 2005;437:529-533. 103 www.fluxnetorg; Mahecha, Miguel D., Markus Reichstein, Nuno Carvalhais, Gitta Lasslop, Holger Lange, Sonja I. Seneviratne, Rodrigo Vargas, Christof Ammann, M. Altaf Arain, Alessandro Cescatti, Ivan A. Janssens, Mirco Migliavacca, Leonardo Montagnani en Andrew D. Richardson. Global convergence in the temperature sensitivity of respiration at ecosystem level. Science Express online. 5 juli 2010, http://dx.doi.org/10.1126/sci- ence.1189587.


177 104 Ainsworth, E.A. en S.P. Long. What have we learned from 15 years of free-air CO2 enrichment (FACE)? A meta-analytic review of the responses of photosynthesis, canopy properties and plant production to rising CO 2. New Phytol. 2005;165:351-371. 105 Drake B.G., M.A. González-Meler en Sf. Long. More efficient plants: a consequence of rising atmospheric CO 2? Annu Rev Plant Physiol Plant Mol Biol. 1997;48:609-639. 106 Reply to Foster et al.: Using a forest to measure trees: Determining which vital rates are responding to climate change. Proc Natl Acad Sci U S A 2010;107(21):E88-E89; published ahead of print May 3, 2010. 107 Lapola, D.M., M.D. Oyama en C.A. Nobre. Exploring the range of climate biome projections for tropical South America: The role of CO2 fertilization and seasonality. Global Biogeochem Cycles. 2009;23:GB3003, doi:10.1029/2008GB003357. 108 Brando, EM., D.C. Nepstad, E.A. Davidson, S.E Trumbore, D. Ray en P. Camargo. Drought effects on litterfall, wood production, and belowground carbon cycling in an Amazon forest: results of a throughfall reduc- tion experiment. Philos Trans R Soc Lond B Biol Sci. 2008;363(1498): 1839-1848. 109 Nepstad, Daniel C., Ingrid Marisa Tohver, David Ray, Paulo Moutinho en Georgina Cardinot. Mortality of large trees and lianas following experimental drought in an Amazone forest. Ecology. 2007;88(9):2259-2269. no Pedro A. Sánchez. Tripling crop yields in tropical Africa. Nature Geoscience 2010:3:299-300. in idem. 112 idem. 113 Bumey, Jennifer A., Steven J. Davis en David B. Lobelia. Greenhouse gas mitigation by agricultural intensification. www.pnas.org/content/ early/2010/06/14/0914216107. 114 Hogy, P. en A. Fangmeier. Effects of elevated atmospheric CO2 on grain quality of wheat. J Cereal Sci. 2008;48: 580-591. 115 www.ars.usda.gov/SP2UserFiles/ ad_hoc/12755100FullTextPublications pdf/Publications/ziska/agroclimatology.pdf. 116 Erda, L., X.Wei, J. Hui, X. Yinlong, L. Yue, B. Liping and X. Liyong,: Climate change impacts on crop yield and quality with CO2 fertilization in China. Philos Trans R Soc Lond B. 2005;360:2149-2154. 117 Victor Westhofflezing, 27 mei 2010 Aula Radboud Universiteit Nijmegen. 118 www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/syr/ar4_syr.pdf. 119 Agoumi, A. Vulnerability of North African countries to climatic changes: adaptation and implementation strategies for climatic change. Developing perspectives on climate change: issues and analysis from developing counfries and countries with economies in transition. IISD/Climate Change Knowledge Network, 2003, 14 pp. 120 rapport via http://unfccc.int/resource/docs/natc/morncle.pdf. 121 rapport via http://unfccc.int/resource/docs/natc/algnci.pdf. 122 Khatiwala, E Primeau en T. Hall. Reconstruction of the history of anthropogenic CO 2 concentrations in the oceans. Nature. 2009;462:346-349. 123 Zeebe, R.E. en D.A. Wolf-Gladrow. CO2 in seawater: equilibrium, kinetics, isotopes. Elsevier Oceanography Book Series, 65, wol. 124 p. 235 van Fischlin, A., G.F. Midgley, J.T. Price, R. Leemans, B. Gopal, C. Turley, M.D.A. Rounsevell, O.P. Dube, J. Tarazona en A.A. Velichko. Ecosystems, their properties, goods, and services. In: M.L. Parry, O.F. Canziani, J.P. Palutikof, P.J. van der Linden en C.E. Hanson, red., Climate Change 2007: impacts, adaptation and vulnerability. Contribution of Working Group TI to the Fourth Assessment Report of the Intergovemmental Panel on Climate Change. Cambridge: Cambridge University Press, 2007, pp. 211-272. 125 Orr, I.C., K. Caldeira, V. Fabry, J.-P. Gattuso, P. Haugan, P. Lehodey, S. Pantoja, Përtner, U.Riebesell, T. Trull, M. Hood, E. Urban en W. Broadgate. Research priorities for ocean acidification, report from the Second Symposium on the Ocean in a High-CO2 World, Monaco, October 6-9, 2008. Bijeen geroepen door SCOR, UNESCO-IOC, IAEA, and IGBP, 2009, 25 pp.; te lezen op http://ioc3.unesco.org/oanet/HighCO2World. html. 126 Caldeira, K. en M.E. Wickett. Anthropogenic carbon and ocean pH. Nature. 2003;425:365-365. 127 Bates, N.R. Interannual variability of the oceanic CO2 sink in the subtropical gyre of the North Atlantic Ocean over the last 2 decades. I Geophys Res. 2007;112:10.1.029/ 2006JC003759. 128 Liu, Y., W. Liu, Z. Peng, Y. Xiao, G. Wei, W. Sun, J. He, G. Liu en C.-L. Chou. Instability of seawater pH in the South China Sea during the mid-late Holocene: Evidence from boron isotopic composition of corals. Geochim Cosmochim Acta. 2009;73:1264-1272. 129 http:/ /news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/7745714.stm. Wootton, J.T., C.A. Pfister en J.D. Forester. Dynamic pattems and ecological impacts of declining ocean pH in a high-resolution multi-year dataset. Proc Nati Acad Sci U S A. 2008;105:18848-18853. 130 Pelejero, C., E. Calvo en 0. Hoegh-Guldberg. Paleo-perspectives on ocean acidification. Trends Ecol Evol.


178 2010;25:332-344. 131 Gardner, T.A., I.M. Cote, J.A. Gul, A. Grant en A.R. Watkinson. Longterm region-wide declines in Caribbean corals. Science. 2003;301:958-960. 132 Riebesell, Ulf, Ingrid Zondervan, Bjërn Rost, Philippe D. Tortell, Richard E. Zeebe en Frarwois M.M. Morel. Reduced calcification of marine plankton in response to increased atmospheric CO2 (abstract). Nature. 2000;407(6802):364-367, dol:10.1038/35030078. 133 M. Debora Iglesias-Rodriguez, et al. Response to Comment on Thytoplankton calcification in a high CO2 world'. Science. 2008;320, 336 / Science. 2008;322:1466c. 134 Hendriks, I.E., C.M. Duarte en M. Alvarez. Vulnerability of marine biodiversity to ocean acidification: A meta-analysis. Estuar Coast Shelf Sci. 2010;86:157-164. 135 Lough, J.B. en D.J. Barnes. Environmental controls on growth of the massive coral Porites. J Exp Mar Biol Ecol. 2000;245:225-243. 136 Idso, C. Global warming and coral reefs: prospects for the future. Centre for the Study of Carbon Dioxide and Global Change, 2009, te downloaden via www.CO2science.org.




179 Hoofdstuk 7: Is het IPCC nog te vertrouwen? 1 www.volkskrant.nl/binnenland/articie1326293.ece/Cramer_leest klimaatsceptici_in_Kamer_wetenschappelijk_de_les. 2 http://mikehulme.org/wp-content/uploads/2010/01 /Hulme-MahonyPiPG.pdf. 3 http: / /mikehuime.org/wp-content/uploads/ 2010 / 01 / Correcting-reportsof-the-PiPG-paper.pdf. 4 Commentaar nummer 9-501 op het tweede conceptrapport: 'Rejected. The ability of models to simulate the temperature variations indicates that any missing natura' forcings have little impact.' 5 http://articies.chicagotribune.com/2008-08-03/news/o808020393_1_global-warming-climate-change-rajendra-pa chauri. 6 http://pielkeclimatesci.wordpress.com/2010/05/04/update-to-andy- revkins-question-in-2005-is-most-of-the-observed-warming-over-the-last- 50-years-likely-to-have-heen-due-to-the-increase-in-greenhouse-gas-con- centrations. 7 Hoofdstuk 9 van Werkgroep 1, www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/ wgi /ar4-wgi-chapter9.pdf. 8 Sutton R.T., B. Dong en J.M. Gregory. Land/sea warming ratio in response to climate change: IPCC AR4 model results and comparison with observations. Geophys Res Lett. 2007;34:L02701, doi:to.1029/2006GL028164. 9 Compo, G.P. en P.D. Sardeshmukh. Oceanic influences on recent continental warming. Climate Dynamics. 2009;32:333-342, DOL 10.1007/500382-008- 0448-9. to Zie voor een voorbeeld van zo'n uitlating: http://solveclimate.com/ blog/20100226/climate-scientists-defend-ipcc-peer-review-most-rigoroushistory. 11 Karoly, D. Ready for IPCC-2001: A practical approach to a daunting task (Editorial Comment). Climatic Change. 200045:469-470. 12 www.vrom.nl/pagina.html?id=46420. 13 Dit constateerde ook de Nederlandse klimaateconoom Richard Tol, zie http://rogerpielkejnblogspot.com/201003/summary-of-richard-tolslook-at-ipcc.html. Tol is hoofdauteur van Werkgroep 2 in het vijfde rapport. 14 http://pielkeclimatesci.files.wordpress.com/2010/01/testimony-written. pdf. 15 Socioeconomic patterns in climate data: http://rossmckitrick.weebly.com/ uploads/4/8/0/8/4808045/mckitrick_revised.pdf. 16 www.eastangliaemails.com/emails.php?eid=648&ffiename..txt. 17 httpliclimateaudfforg/2010/08/10/more-stonewalling-on-wahls-ipccreview-comments. 18 httpliclimateaudfforg/2009/11/26/ipcc-reviewer-show-the-decline. 19 Klotzbach, P.J., R.A. Pielke sr., R.A. Pielke jr., J.R. Christy en R.T. McNider. An alternative explanation for differential temperature trends at the surface and in the lower troposphere. J Geophys Res. 2009;114:D21102, doi:10.1029/2009JD011841. 20 Er zijn slechts drie parameters die daadwerkelijk opgelost worden in de numerieke klimaatmodellen: de zwaartekracht, de gradiéntkracht en advectie. Alle overige formules, dus ook voor straling, bevatten zogenoemde parametrisaties; dat wil zeggen, getallen waarmee de waarde van de betreffende parameter geschat wordt. Dit is goed verklaarbaar. Een hokje in een klimaatmodel is zo'n wo bij wo kilometer en heeft een hoogte van honderden meters. De absorptie van bijvoorbeeld straling op een bepaald moment is één getal dat representatief is voor het hele gebied. Dit is onmogelijk numeriek op te lossen. Dit betekent wel dat het oneerlijk is om te stellen dat klimaatmodellen gebaseerd zijn op harde fysica. Voor meer uitleg zie: http://pielkeclimatesci.wordpress.com/2009/01/20/ comments-on-real-climates-post-faq-on-climate-models-part-ii. 21 http: / /pielkeclimatesci.files.wordpress.com/2010/ol /testimony-written. pdf. 22 Op pagina 674 van Werkgoep 1 staat: Also, while land use change may cause substantial forcing regionally and seasonally, its forcing and response are expected to have only a small impact at large spatial scales (Sections 9.3.3.3 and 7.2.2; Figures 2.20 and 2.23). 23 www.ipcc.ch/pdf/ipcc-principles/ipcc-principles.pdf. 24 www.drroyspencetcom/2010/07/my-global-warming-skepticism-fordummies. 25 Zijn integrale verhaal staat hier: http://climategate.n1/20to/o6/17/johnchristy-ipcc-authors-are-gatekeepers. 26 http: / / pielkeclimatesci.wordpress.com /2010 /06/16 /my-comments-on- questionnaire-on-ipcc-processes-and-procedures. 27 Open brief van Landsea: http://sppiblog.org/news/dr-chris-landsealeaves-the-ipcc. 28 www.publications.parliament.uk/pand200506/1dselect/ ldeconaf /12 /12wen.htm. 29 http://transcripts.cnn.com/TRANSCRIPTS/0705/02/gb.ot.html. 30 www.di2.nu/foia/1120593115.txt.


180 31 Pielke jr., Roger. The honest broker, making sense of science in policy and politics. Cambridge University Press, 2007. 32 www.guardian.co.uk/environmenthoog/nov/29/ipcc-climate-changeleaked-emails. 33 WGI: http://hcl.harvard.edu/collections/ipcc/index.html. 34 http://scienceandpublicpolicy.org/press/ipccprocessillusion.html. 35 http: / /climateauditorg/2008 /04/01 / ipcc-review-editors-commentsonline. 36 Hij schreef: I can confirm that the authors have in my view dealt with reviewers comments to the extent that can be reasonably expected. There will inevitably remain some disagreement on how they have dealt with the reconstructions of the last 1000 years, and there is further work to do here in the future, but in my judgement, the authors have made a reasonable assessment of the evidence they have to hand. The other possible area of contention (within the author team) is on some aspects of sea level rise -- this has gone some way towards reconciliation but I sense not everyone is entirely happy. With these caveats I am happy to sign off the chapter, to thank the lead author team for their cooperation, and congratulate them on the chapter. 37 http://climateaudfforg/2009/11/23/john-mitchells-review-comments. 38 Evaluatie van een IPCC-klimaatrapport, Een analyse van conclusies over de mogelijke regionale gevolgen van klimaatverandering: www.pbl.nl/n1/ publicaties /2010/Evaluatie-van-een-IPCC-klimaatrapport.html. 39 http:/ /climategate.nl/2010/o6/ 23 Read-authors-viffde-ipcc-rapportbekend /#comments. 40 http:/ hossmckitrick.weebly.com/uploads/4/8/0/8/4808045/iac.ross_ mckitrick.pdf. 41 Climate change assessments, review of the processes and procedures of the IPCC, te downloaden via http://reviewipcc.interacademycouncil.net. 42 http://reviewipcc.interacademycouncil.net. 43 www.nature.com/nature/journal/v463/n7282/ful1/463730a.html. 44 http:/ hossmckitrick.weebly.com/uploads/4/8/o/8/4808045/iac.ross_ mckitrick.pdf.




181 Hoofdstuk 8: Is het klimaatprobleem op te lossen? 1 Dit is 'de consensus' die ik gedestilleerd heb uit de verschillende opvattingen die in dit boek aan de orde zijn gekomen. Uiteraard is dit niet 'de consensus' van het IPCC waar burgers mee vertrouwd zijn geraakt. Die wijst veel stelliger in de richting van CO 2 als veroorzaker van klimaatverandering. 2 http://rogerpielkejnblogspot.com/2010/06/do-climate-blacklists-matter. html. 3 Hulme, Mike. Why we disagree about climate change, understanding controversy, inaction and opportunity. Cambridge University Press, zoog. 4 Prins, Gwyn en Steve Rayner. The wrong trousers: radically rethinking climate policy. 2007, http://eureka.sbs.ox.ac.uk/66. Een ingekorte versie hiervan verscheen als opiniestuk in Nature: Prins, Gwyn en Steve Rayn.er. Time to ditch Kyoto. Nature 2007;449(7165):973-975, doi:10.1038/449973a. 5 www.lse.ac.uk/collections/mackinderProgramme/theHartwellPaper. 6 Pielke jr., Roger. The climate fix, what scientists and politicians won't teil you about global warming. Basic Books, 2010. 7 Wigley, Tom. The Kyoto protocol: CO2, CH4, and climate implications. Geophys Res Lett. 1998;25(13):2285, doi:10.1029/98GL01855. 8 Afsah, Shakeb en Michael Aller. CO2 discrepancies between top data reporters create a quandary for policy analysis. 28 augustus, 2010, www. CO2scorecard.org/Content/uploads/CO2 Discrepancies_Aug_28_2010_2. pdf. 9 www.europol.europa.eu/index.asp?page=news&news=pro91209.htm. 10 Chao et al. Impact of artificial reservoir water impoundment on global sea level. Sci Express. 2008. II Het klimaatverdrag: http:/ /unfccc.int/resource/docs/convkp/conveng. pdf. 12 Artikel 2 van het klimaatverdrag. 13 Deze associatie verklaart mede waarom men is gaan spreken over het 'vervuilende' CO2. 14 http://weblogs.nrc.nl/woordhoek/2007/02/26/klimaatneutraal. 15 www.youtube.com/watch?v=NVGGgricVq-4. 16 http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/6115644.stm. 17 Het klimaatverdrag spreekt van 'preventing dangerous anthropogenic interference'. 18 Ruimte voor klimaatdebat, Zicht op interactie tussen klimaatpolitiek, wetenschap en media. Rathenau Instituut, 2010, www.rathenau.nl/publicaties/ruimte-voor-klimaatdebat.html. 19 Roger Pielke denkt dat om deze reden zijn projectvoorstellen bij de National Science Foundation (NSF) afgewezen zijn: http://pielkeclirnatesci. wordpress.com / 2010/06 /11 /nsf-decision-on-our-request-for-reconsideration-of-a-rejected-rtsf-proposal. Willie Soon van Harvard University, die na een kritische paper in 2003 over de hockeystick zwaar onder vuur kwam te liggen van de klimaatgemeenschap, vertelde me dat de laatste vijf jaar geen projectvoorstellen van hem ingediend bij NSF en NASA gehonoreerd zijn. Soon ontvangt wel geld vanuit de particuliere sector zowel van de olie-industrie (American Petroleum Institute) als van particuliere weldoeners zoals George Soros. 20 Scepticus Patrick Michaels klaagde in een opiniestuk in de Wall Street Jou mal dat sinds Climategate vier in zijn ogen goede manuscripten onmiddellijk waren afgewezen, http://online.wsj.com/article/SB1000142405274 8704075604575356611173414140.htMl. 21 Lindzen, Richard. Climate Science: Is it currently designed to answer questions?, 2008, http://arxiv.org/abs/0809.3762 22 www.iea.org/press/pressdetail.asp?PRESS_REL_ID=294. 23 Een quad is gelijk aan 1,06 x 10'5 kJ. In Nederland gebruiken we deze eenheid nooit, maar anno 2010 komt het wel even handig uit omdat we zo'n mooi afgerond getal verbruiken. 24 WWW.abC.netal1/7.30/content/2009/s2700047.htm#. 25 Pielke jr., Roger, Tom Wigley en Christopher Green. Dangerous assumptions. Nature. 2008;452:531-532, doi:10.1038/452531a. 26 http:/ /green.blogs.nytimes.com/2009/06/10/tsunarni-of-criticism-forjapans-CO2-goals.




182 Verklarende woordenlijst Adaptatie Het geheel aan maatregelen dat een samenleving neemt om zich aan te passen aan klimaatverandering. In het internationale klimaatbeleid wordt adaptatie gezien als tegenpool van mitigatie omdat je bij adaptatie de gevolgen van broeikasgassen accepteert.


Aerosolen Stofdeeltjes in de atmosfeer die het klimaat op directe en indirecte wijze kunnen beïnvloeden. Direct gebeurt dat door de weerkaatsing of absorptie van zonlicht. Het indirecte effect verloopt via de invloed op wolkenvorming. Aerosolen kunnen van natuurlijke (zeezout, pollen) of menselijke (sulfaat, roet) oorsprong zijn.


Antropogeen Door de mens veroorzaakt.


Arctische oscillatie Een index die aangeeft hoe de luchtdruk boven de Noordpool zich verhoudt tot die op lagere breedtegraden. De Arctische oscillatie is nauw verbonden met de Noord-Atlantische oscillatie en is van invloed op het weer in Noord-Amerika, Europa en Azië.


Biodiversiteit De variatie in levensvormen op aarde.


Biosfeer Het levende deel van het klimaatsysteem.


Broeikaseffect Het gegeven dat broeikasgassen (met name waterdamp en CO2) in de atmosfeer infrarode straling absorberen en weer uitzenden. Als gevolg hiervan is de aardse atmosfeer naar schatting ruim dertig graden warmer dan de atmosfeer zou zijn zonder de aanwezigheid van broeikasgassen.


Broeikastheorie (broeikashypothese) Theorie of hypothese die stelt dat de aarde (fors) warmer zal worden als gevolg van de menselijke uitstoot van diverse broeikasgassen zoals CO2, methaan en lachgas.


Climategate De rel die uitbrak nadat duizenden e-mails en documenten van de Britse Climate Research Unit in november 2009 op het internet werden gezet door een hacker of een klokkenluider. De e-mails zijn geschreven door met name Britse en Amerikaanse klimaatonderzoekers, die in veel gevallen ook betrokken zijn geweest bij IPCC-rapporten.


Convectie Warme lucht die opstijgt.


Decarboniseren


183 Het minder afhankelijk maken van de (mondiale) economie van fossiele brandstoffen. El Niño Quasi-periodiek klimaatverschijnsel in het oostelijk deel van de Grote Oceaan waarbij relatief warm water aan het zeeoppervlak verschijnt. Het fenomeen treedt gemiddeld eens in de vijf jaar op en leidt tijdelijk tot mondiale opwarming. De tegenhanger, waarbij koud water aan het zee- oppervlak verschijnt, heet La Niña.


Endemen Soorten die alleen op één eiland of in één streek voorkomen en nergens anders. Meestal zijn het ondersoorten van een andere plant- of diersoort die bijvoorbeeld door een storm afdwaalden en op zo'n eiland een eigen populatie vestigden. Bekende endemen zijn de darwinvinken op de Galapagoseilanden. Nederland heeft ook endemen, zoals de noordse woel muis.


Feedback Binnen de klimaatdiscussie processen die optreden als gevolg van de opwarming door CO2. Een feedback die de opwarming versterkt heet positief. Een feedback die de opwarming dempt heet negatief.


Global brightening Het fenomeen dat meer zonlicht het aardoppervlak bereikt als gevolg van veranderingen in de atmosfeer. De brightening trad op vanaf eind jaren tachtig van de twintigste eeuw.


Global dimming Het fenomeen dat minder zonlicht het aardoppervlak bereikt als gevolg van veranderingen in de atmosfeer. Global dimming trad op in de periode 1950-1990.


Grijze literatuur Literatuur die niet peer reviewed is.


Habitat Het voorkeursgebied waarin een diersoort zich vestigt en waar het door voedselkeuze het beste op is aangepast.


Hockeystick-grafiek Reconstructie van de temperatuur op het noordelijk halfrond gedurende het afgelopen millennium. De grafiek is gebaseerd op proxy's en dan met name boomringen.


Hockeyteam Zelfgekozen benaming van een groep paleoklimatologen die zich bezighoudt met reconstructies van het klimaat van het afgelopen millennium.


Iris-hypothese In zool door Richard Lindzen gelanceerde hypothese dat de hoeveelheid hoge bewolking in de tropen zal afnemen als het zeewater warmer wordt. Minder hoge wolken zou leiden tot meer afkoeling, wat zou betekenen dat er een natuurlijk buffermechanisme in het klimaat aanwezig is.


Jonge dryas


184 Relatief korte plotse koudeperiode na het einde van de laatste ijstijd, vlak voor het begin van het holoceen. Het jonge dryas is vernoemd naar een Arctische plant, de zilverster (Dryas octopetala), die in deze koudeperiode plotseling weer in West-Europa verscheen.


Kleine ijstijd Relatief koude periode die duurde van de veertiende tot halverwege de negentiende eeuw. De koudeperiode wordt toegeschreven aan een inactieve zon.


Klimaat Er bestaat geen eenduidige definitie van het klimaat. Doorgaans wordt bedoeld het gemiddelde weer over een periode van dertig jaar. Deze definitie legt de nadruk op de toestand van de atmosfeer. Een bredere definitie van klimaat is de staat van de atmosfeer, de oceanen, de biosfeer en de cryosfeer tezamen.


Klimaatgevoeligheid Gevoeligheid van het klimaat voor CO2. Per definitie de mate van wereldwijde opwarming aan het aardoppervlak die het gevolg zal zijn van een verdubbeling van de CO2-concentratie ten opzichte van de concentratie van voor de Industriële Revolutie (280 ppm).


Klimaatmodellen Computermodellen waarmee het klimaat gesimuleerd wordt. De meest geavanceerde modellen heten General Circulation Models (GCM's).


Kyoto-protocol In 1997 opgesteld verdrag dat de reductie van broeikasgassen regelt. Het verdrag stelt dat de Europese Unie de uitstoot in 2012 met 8% heeft teruggebracht ten opzichte van het niveau van 1990. De Verenigde Staten hebben het verdrag wel ondertekend maar niet geratificeerd. Een opvolger voor het Kyoto-protocol is er nog niet.


La Nifia Quasi-periodiek klimaatverschijnsel in het oostelijk deel van de Grote Oceaan waarbij relatief koel water aan het zeeoppervlak verschijnt. Het fenomeen treedt gemiddeld eens in de vijf jaar op en leidt tijdelijk tot mondiale afkoeling. De tegenhanger heet El Niño.


Lead author Hoofdauteur van een hoofdstuk in een IPCC-rapport. Lead authors zijn eindverantwoordelijk voor de inhoud van het IPCC-rapport.


Metadata Gegevens over hoe metingen tot stand zijn gekomen. In het geval van weerstations gaat het om informatie over de locatie, de apparatuur, tijdstip van meten, foto's van de directe omgeving.


Mitigatie Maatregelen die genomen worden om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Het gaat vooral om het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen als CO2, methaan, lachgas en halonen. Het idee is dat als mitigatie slaagt, adaptatie niet nodig is.


Noord-Atlantische oscillatie


185 Een index die aangeeft hoe de luchtdruk boven IJsland zich verhoudt tot die boven de Azoren. De Noord-Atlantische oscillatie is nauw verbonden met de Arctische oscillatie en is van invloed op het weer in Noord-Amerika, Europa en Azië.


Ocean heat content Warmte-inhoud van de oceanen. Deze is veel groter dan de warmte-inhoud van de atmosfeer en zou daarom een betere maat zijn voor klimaatverandering.


Oceaanverzuring Het gemiddeld minder basisch worden van de zee, dankzij het oplossen van extra CO2 in het zeewater.


Pacific Decadal Oscillation Quasi-periodiek klimaatverschijnsel in het noordelijk deel van Grote Oceaan. In de warme fase is het westelijke deel van de Grote Oceaan (ten noorden van twintig graden noorderbreedte) vrij koel en het oostelijke deel vrij warm. In dat geval warmt Alaska flink op. In de koude fase gebeurt het omgekeerde. De totale cyclus duurt een jaar of zestig.


Peer review Het proces van onderlinge beoordeling dat wetenschappelijke tijdschriften hanteren alvorens een artikel geaccepteerd wordt.


Permafrost Permanent bevroren ondergrond, komt vooral voor in Rusland en Canada.


Principal Component Analysis Statistische methode waarmee trends gehaald kunnen worden uit een grote hoeveelheid data.


Proxy Een fysische grootheid waarmee het verleden van een andere niet direct gemeten grootheid gereconstrueerd kan worden. Bijvoorbeeld, de dikte van een boomring kan een maat zijn voor de temperatuur in de omgeving. Er zijn ook proxy's voor zeewatertemperatuur, CO2-concentratie, zonneactiviteit etc.


Review editor Een 'scheidsrechter' (doorgaans zelf ook wetenschapper) die erop moet toezien dat een hoofdstuk in het IPCC-rapport volgens de richtlijnen van het IPCC tot stand is gekomen.


Ruraal Plattelands.


Ruwe data Directe, nog onbewerkte meetgegevens.


Stralingsbalans De balans tussen de binnenkomende zonnestraling en de uitgaande infrarode straling. Het idee is dat over de hele aarde gemiddeld het klimaat in balans is: de hoeveelheid geabsorbeerde zonnestraling is even groot als de hoeveelheid uitgaande infrarode straling. Op een willekeurige


186 locatie op aarde is de atmosfeer vrijwel nooit in balans. De menselijke uitstoot van broeikasgassen verstoort deze balans en dit leidt in theorie tot opwarming.


Stratosfeer De laag in de atmosfeer die ligt boven de troposfeer. Bij de polen begint de stratosfeer op zo'n tien kilometer hoogte, bij de evenaar op zo'n zeventien kilometer hoogte.


Troposfeer De onderste laag van de atmosfeer, waarin vrijwel al het weer zich afspeelt en waarin ook het broeikaseffect optreedt.


Urban heat isiand-effect Het fenomeen dat steden warmer zijn dan het omringende platteland. Het verschil kan oplopen tot wel tien graden.


Warme middeleeuwse periode Relatief warme periode die duurde van omstreeks 950 tot 1250. Deze periode ging geleidelijk over in de Kleine Ijstijd.


Zonnevlekken Relatief donkere gebieden op het oppervlak van de zon. Rond deze relatie koele gebieden bevinden zich actieve gebieden waar de zon feller schijnt. Als gevolg van die actieve gebieden duidt een groot aantal zonnevlekken op een actieve zon.




187 Afkortingen AAAS American Association for the Advancement of Science AGU American Geophysical Union AMO Atlantic Multidecadal Oscillation AP Associated Press BBC British Broadcasting Corporation CDM Clean Development Mechanism CERES Clouds and the Earth's Radiant Energy System Cfk's chloorfluorkoolstofverbindingen CO2 koolstofdioxide CRU Climate Research Unit DDT dichlorodifenyitrichloorethaan DOE Department of Energy ETH EidgenÉissische Technische Hochschule ETS Emission Trading System EUMC Erasmus Universitair Medisch Centrum FACE Free Air Carbon Enrichment FOIA Freedom of Information Act GHCN Global Historical Clima.tology Network GISS Goddard Institute for Space Studies IAC InterAcademy Council ICOADS International Comprehensive Ocean-Atmosphere Data Set ICSI International Commission for Snow and Ice IPAM Braziliaans Arrtazon Envirorunental Research Institute IPCC Intergovernmental Panel on Climate Change ITRDB International Tree Ring Data Base IUCN International Union for the Conservation of Nature KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut MMTS Maximum-Minimum Temperature System NAS National Academy of Sciences NASA National Aeronautics and Space Administration NCAR National Center for Atmospheric Research NCDC National Climatic Data Center ngo niet-gouvernementele organisatie NIWA National Institute of Water & Atmospheric Research NAO Noord-Atlantische oscillatie NOAA National Oceanic and Atmospheric Administration NPP Net Primary Production NSF National Science Foundation NSIDC National Snow and lee Data Center NWT Natuurwetenschap & Techniek PBL Planbureau voor de Leefomgeving PCCC Platform Communication on Climate Change PDO Pacific Decadal Oscillation PNAS Proceedings of the National Academy of Sciences ppm parts per million R&D Research & Development


188 REDD Reducing Emissions from Deforestation and Degradation RSS Remote Sensing Systems SP Socialistische Partij SRON Stichting Ruimteonderzoek Nederland TERI The Energy & Resources Institute UAH University of Alabama in Huntsville UCAR University Corporation for Atmospheric Research UNEP United Nations Environment Programme UNFCCC United Nations Framework Convention on Climate Change USHCN United States Historical Climatology Network uv ultraviolet WHO World Health Organisation WMO World Meteorological Organisation WNF Wereld Natuur Fonds WUVVT Watts Up With That




189


one page view?



Share "De staat van het klimaat - Marcel Crok":

Download for all devices (359 KB)